Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM4086

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-05-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
AWB 08 / 31815
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde asielaanvraag / artikel 1F Vluchtelingenverdrag / 3 EVRM-beletsel / proportionaliteit / doorzendplicht

De rechtbank oordeelt dat eiser in het kader van zijn herhaalde asielaanvraag ter zake van de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin heeft aangevoerd. Verweerder heeft geconcludeerd dat artikel 3 van het EVRM zich in het onderhavige geval duurzaam verzet tegen uitzetting van eiser naar Afghanistan, maar dat eiser met de door hem aangevoerde omstandigheden niet heeft aangetoond dat het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. De rechtbank ziet aanleiding om te concluderen dat de vaststelling in het besluit dat niet aan het proportionaliteitsvereiste wordt voldaan, de afwijzing van een reguliere verblijfsvergunning als bedoeld in onderdeel C4/3.11.3.4 van de Vreemdelingencirculaire behelst. Voor zover verzoeker in het kader van het onderhavige beroep is opgekomen tegen deze weigering zal de rechtbank de desbetreffende gronden dan ook met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorzenden aan verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE, zittinghoudend te MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 31815

Uitspraak

in het geding tussen

[betrokkene], eiser,

en

de Minister van Justitie, als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

Datum bestreden besluiten: 5 augustus 2008 en 21 oktober 2009.

Kenmerk: 9810.06.8255.

V-nummer: [xxx]

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 5 augustus 2008. Bij dit besluit heeft verweerder geweigerd eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 25 juni 2009, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde A.M.I. Spauwen, advocaat te Sittard en S. Rezaie als tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.H.M. Post, werkzaam bij het Ministerie van Justitie.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en desgevraagd verweerder in de gelegenheid gesteld zorg te dragen voor het ter zitting aangekondigde wijzigingsbesluit.

Bij besluit van 21 oktober 2009 heeft verweerder het besluit van 5 augustus 2008 ingetrokken en opnieuw op de aanvraag van eiser beslist.

Uit eisers brief van 22 oktober 2009 aan de rechtbank maakt de rechtbank op dat dit besluit niet (geheel) aan het beroep van eiser tegemoet komt. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het onderhavige beroep daarom geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 21 oktober 2009.

De nadere behandeling ter zitting heeft plaatsgehad op 8 maart 2010. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde als voornoemd en R. Ghanbari, als tolk.

Verweerder heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door J.H.M. Post.

2. Overwegingen

Eiser, geboren op [geboortedatum] en van Afghaanse nationaliteit, heeft op 3 januari 2006 een aanvraag ingediend voor de in rubriek 1 bedoelde verblijfsvergunning asiel.

In de periode voorafgaand aan die aanvraag heeft eiser twee eerdere asielaanvragen ingediend, te weten op 7 oktober 1998 en op 31 augustus 2005.

De aanvraag van 7 oktober 1998 heeft verweerder bij besluit van 6 augustus 2002 afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, onder k, van de Vw 2000, omdat eiser volgens verweerder een gevaar vormt voor de openbare orde. In de visie van verweerder bestaan ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Het door eiser tegen (onder meer) dit besluit ingestelde beroep (met de procedurenummers AWB 02/65928 en AWB 02/89720) heeft deze rechtbank, zittinghoudend te Maastricht, bij uitspraak van 8 januari 2004 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 april 2004 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het door eiser tegen de uitspraak van 8 januari 2004 ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De afwijzing van eisers eerste asielaanvraag is daarmee in rechte onaantastbaar geworden.

Zoals blijkt uit het procesdossier heeft eiser de asielaanvraag van 31 augustus 2005 om hem moverende redenen ingetrokken en het aan die aanvraag ten grondslag gelegde betoog voortgezet in het kader van zijn derde asielaanvraag, de aanvraag van 3 januari 2006, die ten grondslag ligt aan het onderhavige beroep.

In het kader van zijn herhaald asielverzoek heeft eiser, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2004 (JV 2004/279), aangevoerd dat verweerder in zijn geval had moeten onderzoeken of artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zich duurzaam verzet tegen uitzetting naar het land van herkomst en of er sprake is van een uitzonderlijke situatie waardoor het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel moet worden geacht. Verder heeft eiser in het kader van zijn herhaalde asielaanvraag, onder overlegging van diverse schriftelijke bescheiden en verklaringen, aangevoerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag ten onrechte aan hem is tegengeworpen. Daarnaast heeft hij gemotiveerd betoogd dat hij bij terugkeer naar Afghanistan ernstig gevaar loopt, onder meer omdat er een fatwa tegen hem is uitgesproken en er een arrestatiebevel tegen hem is uitgevaardigd.

Bij het besluit van 21 oktober 2009 heeft verweerder eisers herhaalde aanvraag wederom afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Volgens verweerder geeft al hetgeen eiser sinds de eerder genoemde uitspraak van 8 januari 2004 heeft aangevoerd, geen reden voor twijfel aan de juistheid van het rechtens onaantastbaar geworden oordeel over de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Op dit onderdeel komt het besluit van 21 oktober 2009 inhoudelijk overeen met het inmiddels ingetrokken besluit van 5 augustus 2008. Ten aanzien van artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 3 van het Antifolterverdrag heeft verweerder zich in het besluit van 21 oktober 2009 op het standpunt gesteld dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting in de huidige situatie een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM verboden handeling.

Voor zover eiser in het onderhavige beroep heeft betoogd dat verweerder hem ten onrechte het bepaalde in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag heeft tegengeworpen, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling (o.a. de uitspraak van 20 april 2007, LJN BA3687 en de uitspraak van 6 maart 2008, LJN BC9421) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit materieel een vergelijkbaar besluit wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland, LJN AG8817) voordoen.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na de eerdere beslissing zijn voorgevallen of die niet vóór die beslissing konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van de eerdere beslissing konden en derhalve, gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan de eerdere beslissing en de overwegingen waarop die rust, kan afdoen.

Zoals blijkt uit de in rechte onaantastbaar geworden uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 januari 2004 in het beroep van eiser, gericht tegen zijn eerste asielaanvraag, heeft de rechtbank destijds, wat betreft de werkzaamheden die eiser in Afghanistan heeft verricht en de functies die hij er heeft vervuld, het volgende in aanmerking genomen.

“Blijkens de rapporten van de gehouden gehoren heeft eiser als volgt verklaard. Eiser is van 1966 tot 1998 onder verschillende regimes in Afghanistan werkzaam geweest als beroepsmilitair. Eiser heeft in deze periode verschillende functies bekleed. Van 1967 tot 1972 is hij werkzaam geweest voor het 54e bataljon, Divisie 25, Korps nummer 3 te Paktia. Van 1972 tot 1979 is hij werkzaam geweest bij Brigade 15. Van 1979 tot 1981 heeft eiser gewerkt bij het Directoraat Logistiek bij het leger. Daarop volgend is hij van 1981 tot 1989 als docent werkzaam geweest bij het Instituut voor hoge officieren. Eiser doceerde hier het vak “tactiek en operationele zaken”. Ten slotte heeft eiser van 1989 tot 1997 gewerkt bij de Directie Staf van de hoogste bevelhebber (Riasata Arkan-e-Ghomandani-e-A’ala).

Op 27 april 1993 werd eiser hoofd van de Afdeling “controle van de uitvoering van de taken” en op 13 februari 1995 hoofd Operatieve Zaken. In zijn laatste functie had eiser, naar hij stelt, een controlerende taak en moest hij president Rabbani dagelijks informeren over politieke en vooral militaire aangelegenheden. Eiser heeft gedurende zijn militaire carrière de volgende rangen doorlopen: Tweede Luitenant (1966), Eerste Luitenant (1971), Kapitein-Majoor (1974), Senior Kapitein (1977), Majoor (1978), Luitenant-Kolonel (1981), Kolonel (1983) en Brigade-Generaal (1990).”

In de betreffende uitspraak heeft de rechtbank als volgt geoordeeld.

“Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op de verklaringen van eiser, bezien in het licht van de inhoud van de eerdergenoemde ambtsberichten ernstige redenen aanwezig kunnen achten om te veronderstellen dat eiser weet heeft gehad van het plegen van misdrijven, als bedoeld in artikel 1(F), alsmede dat er in diens opdracht misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), werden gepleegd, althans door hem werden gefaciliteerd.”

De ambtsberichten waar de rechtbank in deze uitspraak op doelt zijn het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 mei 2000 inzake de situatie in Afghanistan en een geanonimiseerd, in de zaak van een andere Afghaanse vreemdeling uitgebracht, individueel ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 27 april 2000 (kenmerk: DPC/AM adm. nr. 656269). In het algemeen ambtsbericht van 9 mei 2000 is onder meer vermeld dat niet elke militair verantwoordelijkheid draagt voor, of zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan, het excessief geweld dat destijds (tijdens de bloedige burgeroorlog 1979-1992) door het Afghaanse regeringsleger is uitgeoefend. Om vast te stellen in hoeverre iemand bij deze praktijken was betrokken, is informatie vereist over de legeronderdelen waarin hij destijds diende en de rangen die hij bekleedde. In het algemeen kan volgens het ambtsbericht echter gesteld worden dat promotie naar de rang van officier slechts was voorbehouden aan militairen over wier loyaliteit en kundigheid geen twijfel bestond. In de praktijk betekende dit dat degenen die voor promotie in aanmerking kwamen zich in de strijd tegen de Mujahedin als hardliner moesten hebben onderscheiden. Er bestaat derhalve een reële kans dat hoofdofficieren zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdrijven en schendingen van de mensenrechten. Deze conclusie geldt volgens het ambtsbericht a fortiori voor opperofficieren van het Afghaanse regeringsleger. Zij hadden inspraak in het militaire beleid in Afghanistan en konden onafhankelijker opereren dan hoofdofficieren, aldus het algemeen ambtsbericht. Het individueel ambtsbericht van 27 april 2000 bevestigt dit beeld en geeft aan dat om binnen het Afghaanse regeringsleger gedurende de periode 1979-1992 snel promotie te kunnen maken, een actieve deelname aan de militaire strijd een noodzakelijk vereiste was. Om de generaalsrang te bereiken was het een vereiste dat men zich op het slagveld had onderscheiden, zo vermeldt het betreffende individueel ambtsbericht.

In beroep heeft eiser bij herhaling, zeer uitvoerig en ten stelligste, weersproken dat het bepaalde in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan hem kan worden tegengeworpen. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte uit zijn verklaringen afgeleid dat hij te maken gehad zou hebben met zaken als oorlogsvoering of mensenrechtenschendingen. Vanaf het moment dat de revolutie heeft plaatsgevonden is eiser zich naar zijn zeggen juist tegen de toenmalige leider van het regime gaan keren. Daarom werden hem rangen geweigerd en werd hij op een gegeven moment gedwongen op een boerderij te gaan werken. Volgens eiser waren alle functies die hij heeft vervuld een soort ‘straffunctie’. Dat hij les heeft gegeven betekent volgens eiser dat hij werd weggehaald van militaire activiteiten en een passieve functie moest uitvoeren. In zijn visie is dat juist het bewijs dat hij nooit met een repressief regime heeft samengewerkt. Volgens eiser is hij waarschijnlijk de enige officier die geweigerd heeft, sinds de Revolutie tot aan de dag van vandaag, deel te nemen aan de gewapende strijd. Hij was tegen de aanwezigheid van de Sovjet-Unie in Afghanistan en tegen het regime dat zaken verrichtte die tegen de mens en de menselijkheid waren. Op het moment van het verzoeningsbeleid was een aantal dissidenten, waaronder eiser, uitgenodigd als gebaar dat er iets zou gaan veranderen in Afghanistan. Juist op het moment dat de Verenigde Naties eraan te pas kwamen en juist toen hij iets voor zijn volk kon doen ter voorkoming van mensenrechtenschendingen door de overheid op het hoogste niveau te controleren, is hij bereid geweest samen met enkele collega’s zitting te nemen in een verzoeningscommissie. Dat dit in zijn asielprocedure een valkuil voor hem als persoon blijkt te zijn vindt eiser erg pijnlijk.

De rechtbank stelt vast dat eiser de in vorenstaand betoog vervatte argumenten voor het overgrote deel ook in het kader van de beoordeling van zijn eerste asielaanvraag heeft aangevoerd. De rechtbank wijst in dit verband onder meer op de passage in het rapport van nader gehoor van 4 mei 1999, waarin eiser verklaart over de door hem verrichte werkzaamheden, zijn bevorderingen en het soms uitblijven van bevorderingen, een bij de aanvullende gronden van 22 maart 2000 gevoegde niet gedateerde vertaling van een verklaring van eiser over zijn werkzaamheden en de hem onthouden bevorderingen en een stuk onder meer met betrekking tot zijn strafplaatsing op een landbouwboerderij (processtuk 42i), alsmede de brief van eiser van 15 maart 2001, waarmee hij gemotiveerd wil aantonen dat hij gedurende de 32 jaar van zijn militaire carrière altijd tegen de oorlog is geweest en dat hij vanwege zijn verzet tal van privileges en enkele rangbevorderingen is kwijtgeraakt. Ook hetgeen eiser over deze onderwerpen mondeling heeft verklaard in het aanvullend gehoor van 21 februari 2002 en 5 maart 2002 en schriftelijk in de aanvullende gronden en in de overgelegde schriftelijke verklaringen van 3 november 2003 (105c) en 16 november 2003(104a) heeft de rechtbank bij de beoordeling van het beroep gericht tegen de afwijzing van eisers eerste asielaanvraag betrokken. De door eiser in het kader van het onderhavige beroep overgelegde (vertalingen van) door hem op schrift gestelde verklaringen kunnen gezien hun vergelijkbare inhoud niet worden aangemerkt als nieuwe feiten en veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin. Voor zover eiser in het kader van het onderhavige beroep zijn eerdere verklaringen heeft gewijzigd, kunnen deze wijzigingen niet worden aangemerkt als rechtens relevante nova omdat eiser niet afdoende heeft verklaard waarom hij deze wijzigingen niet in het kader van de eerste asielprocedure heeft kunnen aanbrengen.

Verder heeft eiser gewezen op een rapport van de Verenigde Naties, Human Rights Watch en Amnesty International waarin alle personen die werkzaam waren bij de overheid, bij de veiligheidsdiensten, met naam genoemd zijn. Volgens eiser zijn er meer dan honderd pagina’s met namen en toenamen van schenders van mensenrechten. De naam van eiser komt niet in die lijst voor, terwijl mensen die met naam en toenaam door allerlei mensenrechtenorganisaties zijn genoemd in Afghanistan nog steeds vrij rondlopen. Ook dit rapport is geen nieuw feit of veranderde omstandigheid in vorenbedoelde zin, reeds omdat de inhoud van dit rapport niet kan afdoen aan de door eiser zelf afgelegde verklaringen die aan het oordeel van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 januari 2004 ten grondslag liggen, en ook geen concrete aanknopingspunten bevat voor de juistheid en onvolledigheid van de door verweerder gehanteerde ambtsberichten.

Ten aanzien van de in beroep overgelegde brief van mevrouw Klompmaker van Amnesty International van 23 december 2005, die volgens eisers gemachtigde als novum in vorenbedoelde zin moet worden aangemerkt, overweegt de rechtbank als volgt. In de brief concludeert mevrouw Klompmaker dat het moeilijk is genuanceerde uitspraken te doen met betrekking tot de verantwoordelijkheid voor gepleegde mensenrechtenschendingen in Afghanistan in de periode 1989-1992. Verder schrijft zij dat de verantwoordelijkheid voor mensenrechtenschendingen gezien het complexe verloop van de oorlog in Afghanistan en de veelheid van betrokken partijen niet eenduidig is vast te stellen en dat nader onderzoek naar de precieze bevelstructuur in het Afghaanse leger en de specifieke rol van het Directoraat van hoge bevelgeving gewenst is. Voor zover eiser zegt als generaal in de periode 1992-1998 onder president Rabbani en later onder de Taliban gediend te hebben geldt volgens mevrouw Klompmaker dat de precieze rol van het Directoraat van hoge bevelgeving nader moet worden onderzocht. Zij concludeert dat gezien de in de brief vermelde informatie, de algemene informatie over de chaotische militaire situatie in de periode 1989-1996 en de afnemende macht van de regering buiten Kabul, voorzichtigheid geboden is bij het tegenwerpen van betrokkenheid bij oorlogsmisdaden.

Naar het oordeel van de rechtbank is de inhoud van de betreffende brief onvoldoende stellig om daarin concrete aanknopingspunten te vinden voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de door verweerder aan de afwijzing van eisers eerste asielaanvraag ten grondslag gelegde ambtsberichten. Gelet hierop kan op voorhand worden uitgesloten dat deze brief aan de eerdere beslissing en de overwegingen waarop die rust, kan afdoen en kan de brief reeds daarom niet als rechtens relevant novum worden aangemerkt.

Hetgeen eiser in het onderhavige beroep heeft aangevoerd betreffende vertaalproblemen rond het begrip Algemene Rekenkamer is ondanks eerdere aankondiging niet onderbouwd en kan reeds hierom niet als een nieuw feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt.

Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij niet de persoon is op wie het door verweerder gehanteerde individuele ambtsbericht betrekking heeft, omdat hij de in dit ambtsbericht genoemde functie nooit heeft vervuld, gaat de rechtbank aan dit betoog voorbij omdat verweerder zich nooit op het standpunt heeft gesteld dat dit ambtsbericht de persoon van eiser betreft, maar een geanonimiseerd ambtsbericht heeft gebruikt uit een andere procedure.

Ook de (vertalingen van) stukken die eiser bij schrijven van 22 oktober 2009 nog in het geding heeft gebracht, zoals het verzoek van Farid Hekmat, van de plv. afdeling Algemene Zaken aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de verklaring van luitenant generaal Mier Anjamodien, die desgevraagd bevestigt dat eiser in de periode 1989 tot 1997 werd ingezet op het bureau en niet verantwoordelijk gehouden kan worden, behelzen geen concrete aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de door verweerder gehanteerde ambtsberichten.

Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder aan zijn superieur in het Afghaanse leger in Nederland wel een verblijfsvergunning heeft verleend. Verder heeft hij aangevoerd dat er verblijfsvergunningen zijn verleend aan een collega genaamd [de heer A], geboren [geboortedatum] en aan een piloot genaamd [naam piloot]. In het voornemen (van 18 april 2008) heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, nu aan [de heer B] een verblijfsvergunning is verleend in juni 1994 en aan [de heer A] in 2002, terwijl de uitspraak van de rechtbank op het beroep in eisers eerste asielprocedure dateert van 8 januari 2004, dit betoog niet als novum kan worden aangemerkt omdat niet valt in te zien waarom eiser zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet tijdens die eerste asielprocedure heeft gedaan. Verder heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van soortgelijke gevallen. In het besluit van 21 oktober 2009 heeft verweerder in de eerste plaats verwezen naar de overwegingen uit het voornemen. Ten aanzien van het later nog door eiser gestelde gelijke geval van een generaal, genaamd Noorolhaq Olumi (of Olomi), die volgens verweerder al in 1998 tot Nederlander is genaturaliseerd, heeft verweerder zich eveneens op het standpunt gesteld dat eiser dit geval al in zijn eerdere procedure had kunnen inroepen. Over het door eiser gestelde gelijke geval van [de heer C] kan volgens verweerder geen uitspraak worden gedaan omdat deze persoon in de verweerder ter beschikking staande systemen niet traceerbaar is. Tot slot heeft verweerder in aanmerking genomen dat geen asielrelaas identiek is en dat voortschrijdend inzicht is ontstaan inzake de verantwoordelijkheden van militairen bij schendingen van mensenrechten in Afghanistan, met name na het vrijgeven van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 mei 2000 en enkele andere individuele ambtsberichten in dezelfde periode.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel voldoende heeft weerlegd. Ten aanzien van het volgens verweerder niet traceerbare geval acht de rechtbank in dit kader van belang dat eiser het gestelde gelijke geval niet of nauwelijks met enig schriftelijk stuk heeft onderbouwd. Tevens neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ook in beroep niet afdoende heeft verklaard waarom hij de gestelde gelijke gevallen niet in zijn eerste procedure heeft ingeroepen. Nog afgezien daarvan ziet de rechtbank geen reden om verweerder niet te volgen in zijn standpunt dat voortschrijdend inzicht, ingegeven door het beschikbaar komen van nadere informatie over verantwoordelijkheden van militairen, verklaart waarom de door eiser gestelde gelijke gevallen niet als rechtens vergelijkbare gevallen kunnen worden aangemerkt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiser in het kader van zijn herhaalde asielaanvraag ter zake van de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin heeft aangevoerd. Hetgeen overigens is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

Aan de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn als bedoeld in eerdergenoemd arrest van het EHRM inzake Bahaddar tegen Nederland, die maken dat eiser niet aan de procedurele regels van artikel 4:6 gehouden zou zijn, komt de rechtbank niet meer toe. Verweerder heeft immers in het bestreden besluit geconcludeerd dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van eiser naar het land van herkomst. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan hetgeen eiser heeft aangevoerd betreffende de risico’s die hij loopt bij terugkeer naar Afghanistan, zoals de omstandigheden omtrent het overlijden van zijn broer, de tegen eiser uitgesproken fatwa en het tegen hem uitgevaardigde arrestatiebevel, alsmede de risico’s die hij stelt te lopen in relatie tot publicatie van door hem geschreven gedichten.

Aangezien eiser zich in de situatie bevindt dat hem als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag geen verblijfstitel wordt verleend, maar in de huidige omstandigheden evenmin kan worden uitgezet, heeft verweerder in het besluit van 21 oktober 2009 ook beoordeeld of artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst, en, zo ja, of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. Op dit deel van het besluit van 21 oktober 2009 is het toetsingskader van de herhaalde aanvraag niet van toepassing.

Verweerder heeft geconcludeerd dat artikel 3 van het EVRM zich in het onderhavige geval duurzaam verzet tegen uitzetting van eiser naar Afghanistan, maar dat eiser met de door hem aangevoerde omstandigheden niet heeft aangetoond dat het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. Op grond hiervan heeft verweerder geen aanleiding gezien eiser ‘in afwijking van staand beleid een verblijfsvergunning te verlenen’.

Volgens het ter zake gevoerde beleid, neergelegd in onderdeel C4/3.11.3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), wordt aan de hand van door de vreemdeling aangedragen elementen, waaruit blijkt dat hij zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt, beoordeeld of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. Indien de toets inderdaad tot deze conclusie leidt, en er geen andere grond is voor verblijf, wordt de vreemdeling volgens het beleid uitgenodigd een verblijfsvergunning regulier aan te vragen. Deze aanvraag wordt vervolgens ingewilligd op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Het betreft in dat geval op grond van artikel 3.5, derde lid, van het Vb 2000 een tijdelijk verblijfsrecht.

Op grond van de inhoud van het besluit van 21 oktober 2009 en de verhandelingen ter zitting stelt de rechtbank allereerst vast dat in het betreffende besluit op dit punt wordt geconcludeerd tot weigering van een verblijfsvergunning. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder de rechtbank ter zitting van 25 juni 2009 heeft verzocht de behandeling aan te houden teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om in het kader van de finale geschillenbeslechting te toetsen of het verder onthouden van een verblijfsvergunning aan eiser disproportioneel zou zijn, hetgeen zou kunnen resulteren in een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000. Naar dezerzijds oordeel kan hiermee enkel bedoeld zijn de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000, als bedoeld in onderdeel C4/3.11.3.4 van de Vc 2000. De rechtbank ziet in de processuele gang van zaken in relatie tot genoemd beleid aanleiding om te concluderen dat de vaststelling in het besluit dat niet aan het proportionaliteitsvereiste wordt voldaan de afwijzing van een reguliere verblijfsvergunning in vorenbedoelde zin behelst. Voor zover verzoeker in het kader van het onderhavige beroep is opgekomen tegen deze weigering (dit betreft dus in het bijzonder eisers beroep op zijn medische situatie) zal de rechtbank de desbetreffende gronden dan ook met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorzenden aan verweerder.

Het beroep van eiser is ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door R.J.G.H. Seerden, als voorzitter, en Y.J. Klik en E.V.L. Heuts, leden, in tegenwoordigheid van E.M.J. Clermonts, als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2010.

w.g. L. Clermonts

w.g. Seerden

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 10-05-2010

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 dient het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. In artikel 6:5 van de Awb is onder meer bepaald dat bij het beroepschrift een afschrift van de uitspraak moet worden overgelegd. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 88 van de Vw 2000 juncto artikel 8:81 van de Awb de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.