Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM4016

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-04-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
358520 / HA RK 10-61 Wrakingnummer 2010/5
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondeling en schriftelijk verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verzoek om curator in faillissement te ontslaan bij beschikking van deze rechtbank afgewezen. Deze beschikking vervolgens door de Hoge Raad vernietigd en het geding verwezen naar deze rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. Bij brief heeft mr. [Y] van de afdeling Insolventies van de rechtbank verzoeker bericht dat het verzoek tot ontslag van de curator na verwijzing door de Hoge Raad opnieuw mondeling zou worden behandeld, en wel ten overstaan van een andere rechter, die niet verbonden is aan de afdeling Insolventies, te weten mr. [X]. Volgens verzoeker is mr. [X] niet onpartijdig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2010/5

rekestnummer: 358520 / HA RK 10-61

Insolventienummer: 08/14 F

datum beschikking: 12 april 2010

BESCHIKKING

op het mondelinge en schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de zaak van:

[verzoeker] als gemachtigde van (naar de rechtbank vaststelt thans nog):

1. [A], wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap [de B.V.] B.V., gevestigd te [plaats],

3. [B], wonende te [woonplaats],

verzoeker,

tegen

Mr. [X],

Coördinerend Vice-President van de rechtbank te ’s-Gravenhage.

1. Voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1 Bij beschikking van deze rechtbank van 14 september 2006 is aan [verzoeker] (hierna: [verzoeker]) surseance van betaling verleend. Hierbij is mr. [S] als bewindvoerder aangesteld. Op verzoek van mr. [S] is de surseance van betaling bij beschikking van deze rechtbank van 3 januari 2008 beëindigd. Hierbij is [verzoeker] in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. [S] als curator. Bij verzoekschrift ingekomen bij de rechtbank op 7 april 2008 heeft [verzoeker], in zijn hoedanigheid van gemachtigde van twaalf schuldeisers, verzocht mr. [S] als curator in het faillissement te ontslaan. Dit verzoek is bij beschikking van deze rechtbank van 29 mei 2008 afgewezen. Vervolgens heeft de Hoge Raad bij arrest van 16 oktober 2009 deze beschikking vernietigd en het geding verwezen naar deze rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

1.2 Bij brief van 5 november 2009 heeft [verzoeker] in het kader van deze ontslagprocedure verzocht om het houden van een voorlopig getuigenverhoor, waarbij hij acht personen wenste te horen. Bij brief van 7 december 2009 heeft mr. [Y] van de afdeling Insolventies van de rechtbank [verzoeker] bericht dat het verzoek tot ontslag van mr. [S] na verwijzing door de Hoge Raad opnieuw mondeling zou worden behandeld, en wel ten overstaan van een andere rechter, die niet verbonden is aan de afdeling Insolventies, te weten mr. [X]. Voorts is hierbij aan [verzoeker] meegedeeld dat het verzoek om acht getuigen te horen van belang diende te zijn voor de beoordeling van het ontslagverzoek en dat de rechter deze personen zou horen, voor zover hun verklaring in verband met dat ontslagverzoek door hem als relevant werd gezien. Met het oog daarop is [verzoeker] verzocht van elk van de acht betrokkenen een schriftelijke verklaring in te zenden, aan de hand waarvan zou worden beoordeeld in hoeverre hun verklaring voor het ontslagverzoek van belang is, respectievelijk in hoeverre zij op de zitting – die op 28 januari 2010 zou plaatsvinden – zouden worden gehoord. Bij brief van 14 januari 2010 heeft [verzoeker] verzocht de mondelinge behandeling, bepaald op 28 januari 2010, te schorsen totdat er op het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor – na behandeling daarvan conform artikel 187 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) – een eindbeslissing zou zijn genomen. Bij brief van 19 januari 2010 heeft mr. [Y] van de afdeling Insolventies [verzoeker] namens mr. [X] bericht dat nu [verzoeker] geen aandacht had besteed aan het verzoek om de getuigenverklaringen aan de rechtbank te bezorgen, de rechter geen aanleiding zag om thans een voorlopig getuigenverhoor te houden en evenmin om het verzoek van [verzoeker] tot aanhouding van de zitting van 28 januari 2010 te honoreren.

1.3 Ter zitting van 28 januari 2010 heeft [verzoeker] in zijn hoedanigheid van gemachtigde zowel mondeling als schriftelijk een verzoek tot wraking van mr. [X] gedaan. In vervolg daarop heeft [verzoeker] de rechtbank met het oog op de behandeling van het verzoek 29 producties doen toekomen. Het verzoek is ter zitting van de wrakingskamer van 1 maart 2010 behandeld, waarbij mr. [X] is gehoord. Wegens verhindering van [verzoeker] op 1 maart 2010 is een nadere zitting bepaald. Voorafgaand aan deze zitting heeft mr. [X] een nadere schriftelijke reactie gegeven op het wrakingsverzoek. [verzoeker] heeft de rechtbank nog drie producties doen toekomen.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 29 maart 2010 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. [verzoeker] is aldaar in zijn hoedanigheid van gemachtigde verschenen. Het wrakingsverzoek is door [verzoeker] aan de hand van de door hem overgelegde pleitaantekeningen toegelicht.

Mr. [X] is, na voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

De belanghebbenden bij deze procedure, mr. [S] en de rechter-commissaris, mr. [rechter-commissaris], zijn niet verschenen.

3. Het standpunt van verzoekers

Het door [verzoeker] als gemachtigde van verzoekers in deze wrakingsprocedure ingenomen standpunt komt, samengevat, op het volgende neer.

In het schriftelijke wrakingsverzoek wordt de stelling betrokken dat mr. [X] niet onpartijdig is, gezien zijn contacten met mevrouw [Y] van de afdeling Insolventies van de rechtbank, die namens mr. [X] brieven schrijft, en gelet op het feit dat hij het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor heeft afgewezen.

Ter zitting heeft [verzoeker] hieraan toegevoegd dat de vrees voor het ontbreken van objectiviteit gerechtvaardigd is, nu de afdeling Insolventies zich nadrukkelijk in de zaak heeft gemengd door bij brief van 7 december 2009 een notitie aan hem toe te zenden.

De vooringenomenheid van mr. [X] blijkt volgens [verzoeker] ook uit het feit dat hij ter zitting van de wrakingskamer van 1 maart 2010 heeft gezegd dat de afdeling Insolventies niet tegen [verzoeker] is gekeerd en eveneens uit het onderzoek dat hij kennelijk heeft gedaan, gezien zijn verklaring ter zitting dat [verzoeker] zeer regelmatig wrakingsverzoeken indient.

Voorts heeft [verzoeker] aangevoerd dat voor de nadere voorwaarden die door de afdeling Insolventies aan het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor zijn verbonden geen wettelijke grondslag bestaat en dat mr. [X] ten onrechte is voorbij gegaan aan het vereiste opgenomen in artikel 187 lid 4 Rv, waarin is bepaald dat op het verzoekschrift niet eerder wordt beschikt dan nadat een behandeling heeft plaatsgevonden. Mr. [X] heeft, aldus [verzoeker], bovendien een hogere voorziening tegen de afwijzing van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor gefrustreerd, nu die afwijzing niet is vervat in voor beroep vatbare beslissing.

4. Het standpunt van mr. [X]

Ter zitting van de wrakingskamer van 1 maart 2010 heeft mr. [X] te kennen gegeven dat hij niet in de wraking berust. Mr. [X] heeft voorts meegedeeld dat hij de afdeling Insolventies de correspondentie met [verzoeker] heeft laten verzorgen, omdat deze afdeling standaard de correspondentie ten aanzien van faillissementen op zich neemt. Het voeren van correspondentie via de afdeling Insolventies kan niet tot twijfel aan zijn onpartijdigheid leiden, aldus mr. [X].

Het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor heeft mr. [X] afgewezen omdat hij van [verzoeker] niet de verzochte schriftelijke verklaringen van de beoogde getuigen had ontvangen. Dit kan volgens mr. [X] geen grond zijn voor wraking.

5. Beoordeling

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 3. weergegeven leveren niet een uitzonderlijke omstandigheid op die zodanige vrees ten aanzien van deze rechter kan rechtvaardigen. Daartoe is het volgende redengevend.

In het licht van de bij brief van 7 december 2009 door de rechtbank aan [verzoeker] gedane mededeling dat de zaak na verwijzing door de Hoge Raad door een andere rechter, die niet verbonden is aan de afdeling Insolventies, zou worden behandeld, acht de wrakingskamer het inderdaad minder gelukkig dat verdere brieven van de rechtbank aan [verzoeker] zijn verzonden via de afdeling Insolventies. Dit levert echter geen schijn van vooringenomenheid aan de zijde van mr. [X] op. Het feit dat de administratieve afhandeling van een zaak als deze plaatsvindt via de afdeling Insolventies wil nog niet zeggen dat ook de behandelend rechter deel uitmaakt van deze afdeling. In de brief van de rechtbank van 19 januari 2010 is bovendien uitdrukkelijk aangegeven dat de brief van [verzoeker] van 14 januari 2010 namens mr. [X] werd beantwoord, waarmee duidelijk is gemaakt dat van enige inhoudelijke betrokkenheid van de afdeling insolventies geen sprake is.

Dat bij brief van 7 december 2008 aan [verzoeker] nog een notitie van de rechter-commissaris uit het dossier is toegezonden, duidt evenmin op zodanige inmenging van de afdeling Insolventies dat mr. [X] niet onpartijdig kan worden geacht.

Ook in de mededelingen van mr. [X] ter zitting van de wrakingskamer van 1 maart 2010 vindt de wrakingskamer geen steun voor het standpunt van verzoekers dat mr. [X] jegens hen een vooringenomenheid koestert of dat de vrees van verzoekers dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Gezien de gronden van het wrakingsverzoek is de gedachte van mr. [X] dat [verzoeker] de indruk heeft dat de afdeling Insolventies zich tegen hem heeft gekeerd, niet onbegrijpelijk of prematuur. Ook de mededeling van mr. [X] dat [verzoeker] regelmatig wrakingsverzoeken indient, wijst op zichzelf niet op vooringenomenheid.

Met betrekking tot het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor overweegt de wrakingskamer het volgende. Het verzoek van mr. [X] om verklaringen van de beoogde getuigen aan hem te doen toekomen teneinde te kunnen beoordelen in hoeverre hun verklaring voor het ontslagverzoek van belang is, is een procedurele beslissing. Dergelijke beslissingen kunnen volgens vaste jurisprudentie, behoudens bijkomende feiten en/of omstandigheden, geen grond voor wraking opleveren. Zodanige feiten en/of omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. Dit geldt eveneens met betrekking tot het achterwege laten van een behandeling van het verzoek. Blijkens de brief van mr. [Y] van 19 januari 2010 is bovendien geen sprake van een definitieve weigering. Nu [verzoeker] niet heeft aangegeven welke feiten of rechten verzoekers wilden bewijzen, terwijl dit op grond van artikel 187 lid 3 onder b Rv wel vereist is, acht de wrakingskamer het te billijken dat mr. [X] het verzoek niet heeft gehonoreerd. Hierin ziet de wrakingskamer dan ook geen grond voor de vrees dat mr. [X] een vooringenomenheid jegens verzoekers dan wel [verzoeker] koestert.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 3. weergegeven geven geen grond te vrezen dat het deze rechter aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van hem de schijn van partijdigheid gewekt.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

6. Beslissing.

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• [verzoeker] in zijn hoedanigheid van gemachtigde;

• mr. [S], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [verzoeker];

• mr. [rechter-commissaris], rechter-commissaris;

• de rechter mr. [X].

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2010 door mrs J.W. du Pon, H.S. Wiarda en J.A. van Steen in tegenwoordigheid van mr. M.G. Ligthart als griffier.