Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM4015

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-03-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
362313 HA RK 10-148 Wrakingsnummer 2010/09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank heeft op de voet van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering afgezien van het oproepen van twee niet-verschenen getuigen. Het wrakingsverzoek is alleen gericht tegen een procedurele beslissing, hetgeen behoudens grote uitzonderingen, die zich hier niet voordoen, geen wrakingsgrond kan vormen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

rekestnummer: 362313 HA RK 10-148

parketnummer: 09/925854-09

datum beschikking: 18 maart 2010

uitspraak

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:

[verzoeker]

verblijfplaats Penitentiaire Inrichting “Rijnmond” te Krimpen aan den IJssel,

verzoeker,

raadsman: mr. B.J. Visser;

tegen

mr. [X],

mr. [Y]

mr. [Z]

vice-president van, respectievelijk rechters in de rechtbank te ’s-Gravenhage

1. Voorgeschiedenis en het procesverloop.

1.1 Verzoeker is opgeroepen om op 18 maart 2010 te 13:30 uur ter terechtzitting te verschijnen voor de meervoudige strafkamer van deze rechtbank. Op 12 januari 2010 was het onderzoek ter terechtzitting geschorst in verband met door de verdediging ingediende onderzoekswensen.

1.2 Op 18 maart 2010 heeft mr. Visser namens verzoeker ter terechtzitting een verzoek tot wraking gedaan.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

2.1 Op 18 maart 2010 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker [verzoeker], bijgestaan door zijn raadsman mr. B.J. Visser, is verschenen. Het wrakingsverzoek is door de raadsman toegelicht.

2.2 Ter zitting zijn eveneens verschenen de leden van de meervoudige strafkamer, de officier van justitie mr. M.A. Van der Laan en een tolk in de Litouwse taal, mevrouw [tolk].

3. Het standpunt van verzoeker.

3.1 Namens verzoeker heeft de raadsman gesteld dat de rechtbank blijk heeft gegeven van (de schijn van) vooringenomenheid door eerder toegewezen verzoeken tot het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] af te wijzen. De raadsman is van mening dat de rechtbank daarmee de belangen van de verdediging heeft geschaad. De raadsman voert - samengevat - aan, dat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om de getuigen te horen en dat de rechtbank door haar beslissing vooruit is gelopen op de inhoud van de verklaringen van de getuigen. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de officier van justitie ter terechtzitting van 18 maart 2010 een kort proces-verbaal van bevindingen heeft overgelegd, waaruit blijkt dat getuige [getuige 1] door de politie is gehoord. De verdediging is echter zelf niet in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen aan deze getuige. De officier van justitie heeft ter terechtzitting medegedeeld dat de getuige [getuige 2] niet is te traceren. De verdediging heeft geen proces-verbaal van bevindingen ontvangen waaruit blijkt wat er is ondernomen om getuige [getuige 2] te traceren. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de getuigenverklaringen van [getuige 1] en van [getuige 2] niets kunnen toevoegen aan het dossier en het verzoek van de verdediging afgewezen.

4. Het standpunt van de meervoudige kamer.

4.1 Ter zitting van de wrakingskamer heeft mr. [X] mede namens de andere gewraakte rechters meegedeeld dat de leden van meervoudige strafkamer niet in de wraking berusten.

4.2 Mr. [X] heeft aangevoerd dat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen. Op de terechtzitting van12 januari 2010 was de meervoudige kamer anders samengesteld. De huidige samenstelling van de meervoudige kamer heeft een eigen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van door de verdediging eerder gedane verzoeken tot het horen van (niet verschenen) getuigen. De verzoeken zijn door de rechtbank in tweede instantie afgewezen, hetgeen een inhoudelijke beslissing van de rechtbank is, waarmee geen blijk is gegeven van vooringenomenheid.

4.3 Ten tweede heeft mr. [X] aangevoerd dat de getuigenverzoeken op de zitting van 12 januari 2010 zijn toegewezen in de zaak van een medeverdachte. De raadsman van verdachte heeft zich op de vorige zitting bij deze verzoeken aangesloten. De advocaat van de medeverdachte heeft thans haar verzoek tot het horen van de getuigen niet langer gehandhaafd.

5. Het standpunt van de officier van justitie.

5.1 De officier van justitie heeft zich aangesloten bij het standpunt van leden van de strafkamer. Zij heeft daaraan toegevoegd dat de afwijzing van de verzoeken op inhoudelijke gronden berust. De getuige [getuige 1] kan niet over de onderhavige zaak verklaren omdat hij ten tijde van het delict niet ter plaatse was. Dit blijkt ook uit het vandaag ter terechtzitting overgelegde proces-verbaal van bevindingen. De getuige [getuige 2] was pas ter plaatse nadat het delict was gepleegd, reden waarom ook hij niets kan verklaren over de inhoud van de zaak.

6. Beoordeling.

6.1 Na onderbreking voor beraad heeft de wrakingskamer mondeling uitspraak gedaan.

6.2 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.3 De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden, zoals hiervoor onder 3. weergegeven, geven geen grond te vrezen dat het de voorzitter en de leden van deze kamer van de rechtbank aan onpartijdigheid ontbreekt. Tevens heeft de rechtbank niet de schijn van partijdigheid gewekt. Daartoe is het volgende redengevend.

6.4 De rechtbank heeft op de voet van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering afgezien van het oproepen van de niet-verschenen getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Zij heeft daartoe overwogen dat de verklaring van deze getuigen niet van belang kan zijn voor enige door de rechtbank op de voet van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing. Aldus is de rechtbank niet vooruitgelopen op de inhoud van de door de getuigen af te leggen verklaringen, maar heeft zij in tegendeel op juiste wijze tot uitdrukking gebracht dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het niet horen van de getuigen de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad (zie HR 1 december 1992, NJ 1993, 631, r.o. 5.3). Daarbij is tevens redengevend dat enerzijds na de toewijzing van deze getuigen ter zitting van 12 januari 2010 is gebleken dat deze getuigen geen van beiden tijdens de aan verzoeker ten laste gelegde overval ter plaatse aanwezig zijn geweest, terwijl anderzijds de raadsman van verzoeker niet heeft kunnen aangeven welke vragen hij aan de getuige [getuige 2] wenste te stellen. Het wrakingsverzoek is aldus alleen gericht tegen een procedurele beslissing, hetgeen behoudens grote uitzonderingen, die zich hier niet voordoen, geen wrakingsgrond kan vormen.

6.5 Het verzoek tot wraking zal derhalve worden afgewezen.

7. Beslissing.

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

* de verzoeker [verzoeker] p/a zijn raadsman mr. B.J. Visser

* mr. [X]

* mr. [Y]

* mr. [Z]

* de officier van justitie mr. M.A. van der Laan

Aldus ter terechtzitting van deze rechtbank uitgesproken op 18 maart door mrs E. Rabbie, G.P. van Ham en J.E.M.G. van Wezel, in tegenwoordigheid van mr. N.S.M. Lubbe als griffier.