Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM3978

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
AWB 09 - 7473
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel / ne bis in idem / Afghanistan / Wardak / Hazara / 15c Definitierichtlijn / glijdende schaal

Door eiser is een derde asielaanvraag ingediend. Eiser behoort tot de etnische minderheidsgroepering Hazara. Niet wordt betwist dat hij afkomstig is uit Wardak, Afghanistan. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat in Wardak sprake is van de uitzonderlijke geweldssituatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, waardoor hij de bedoelde ernstige bedreiging zou lopen. Vervolgens moet nog worden beoordeeld of eiser, gelet op de slechte veiligheidssituatie, tot op zekere hoogte aannemelijk heeft weten te maken dat hij specifiek wordt geraakt om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden (de zogenoemde glijdende schaal van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn). De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit uitgaat van twee feitelijke onjuistheden. Verweerder gaat er ten onrechte van uit dat de Hazara in Wardak in de meerderheid zijn en dat de feiten van eisers asielrelaas in de eerste procedure ongeloofwaardig zijn bevonden. Bovendien is verweerder ten onrechte niet ingegaan op de gecombineerde risicofactoren van het zijn van Hazara, de omstandigheid dat de Taliban in Wardak in opmars is, en de geloofwaardig geachte feiten van het oorspronkelijke asielrelaas, in combinatie met de algemene veiligheidssituatie in Centraal-Afghanistan en de omstandigheid dat eiser lang in het buitenland (in het westen) heeft verbleven. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 09 / 7473

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 april 2010

in de zaak van:

[eiser]

geboren op [geboortedatum], van Afghaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. B.D. Lit, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 2 april 2008 een (derde) aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 6 februari 2009 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 5 maart 2009 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 16 februari 2010. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tijdens deze zitting is het onderzoek geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om op grond van artikel 83, derde lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de goede procesorde schriftelijk te reageren op ingeroepen feiten en omstandigheden, die volgens eiser zijn opgekomen na het nemen van het besluit (maar voor het indienen van het verweerschrift). Verweerders gemachtigde heeft gereageerd bij brief van 23 februari 2010. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser gereageerd bij brief van 9 maart 2010. Vervolgens heeft de rechtbank, met (schriftelijke) toestemming van partijen, zonder nadere zitting, onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

2.2 Op grond van artikel 29, eerste lid, Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van de minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van de minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

2.3 Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Bij de beoordeling worden de in artikel 31, tweede lid, Vw bedoelde omstandigheden betrokken.

2.4 De rechtbank houdt bij zijn beoordeling rekening met de volgende feiten. Eiser heeft op 1 oktober 2001 een (eerste) aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij behoort tot de Hazara bevolkingsgroep. In de periode tussen 21 maart 2000 en 20 april 2000 heeft hij een conflict gehad met een dorpsbewoner omtrent het bezit van een stuk land. Om dit stuk land in zijn bezit te krijgen heeft deze dorpsbewoner zich aangesloten bij de Taliban en tegen hen verteld dat eiser met de Wahdatpartij heeft samengewerkt. Eiser heeft gesteld dat hij familie is van drie lokale leiders van de Wahdatpartij. Om voornoemde redenen heeft eiser gesteld te vrezen voor vervolging van de zijde van de Taliban. Tevens heeft eiser vanwege zijn etnische afkomst problemen ondervonden vanwege het stammenconflict in Afghanistan. Bij besluit van 25 februari 2003 is de aanvraag afgewezen, omdat verweerder, onder tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw, de feiten van eisers asielrelaas niet ongeloofwaardig heeft geacht, maar wel de aan die feiten ontleende vermoedens van vrees voor de Taliban. Verweerder heeft destijds bij zijn oordeel betrokken dat de veiligheidssituatie in Afghanistan was verbeterd na aanvang van militaire acties van de Verenigde Staten tegen de in Afghanistan verblijvende Taliban- en Al Qaida eenheden, waardoor de Taliban niet langer het gezag in Afghanistan droeg. Verweerder achtte voorts het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid niet geïndiceerd. Bij beroepschrift van 20 maart 2003 heeft eiser beroep ingesteld tegen de afwijzing van de eerste asielaanvraag. Bij uitspraak van 12 december 2003 (kenmerk: AWB 03/17714) heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, het beroep ongegrond verklaard, zodat het besluit van 25 februari 2003 in rechte is komen vast te staan.

Eiser heeft voorts op 8 augustus 2004 een tweede aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 11 augustus 2004, onder verwijzing naar de eerdere beschikking, met toepassing van artikel 4:6 Awb, afgewezen, omdat eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van dit artikel naar voren heeft gebracht. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat eiser zijn Taskara (ook van de rechtbank Rotterdam) in de eerdere procedure had moeten overleggen en bovendien de identiteit en nationaliteit van eiser, die hij met dit document wilde onderbouwen, in de eerste procedure, waarin zijn vrees ongegrond werd geacht, niet in twijfel zijn getrokken. Het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 25 augustus 2004 (kenmerk: AWB 04/36311) niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen gronden van beroep zijn ingediend. Het verzet dat tegen deze uitspraak is gedaan, is bij uitspraak van 5 januari 2005 ongegrond verklaard, daarmee is de uitspraak van 25 augustus 2004 onherroepelijk is geworden.

2.5 Uit het ne bis in idem beginsel vloeit voort dat indien na een eerder afwijzend besluit, waarover in beroep door de rechter onherroepelijk is geoordeeld, een herhaalde aanvraag wordt ingediend voorshands moet worden aangenomen dat het besluit daarop door de bestuursrechter niet mag worden getoetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, kunnen een besluit op een nieuwe asielaanvraag, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; JV 1998/45) voordoen.

2.6 De rechtbank beoordeelt ambtshalve of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd en bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Bij nieuwe bewijsstukken inzake niet eerder gestelde feiten is bepalend of die feiten als nova zijn aan te merken, alleen dan kunnen de bewijsstukken dat ook zijn.

2.7 Het bestreden besluit is, evenals het besluit van 11 augustus 2004, een met het besluit van 25 februari 2003 materieel vergelijkbare beslissing. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2008, 200703570/1, LJN: BND2686, ligt thans ter beoordeling voor of verzoeker nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht ten opzichte van het besluit van 25 februari 2003.

2.8 De informatie uit het algemeen ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van augustus 2007 waaruit blijkt dat de situatie in Centraal-Afghanistan is verslechterd en het overzicht van de UNHCR van onveilige gebieden in Afghanistan van 6 oktober 2008, waaruit naar voren komt dat de provincie Wardak waar eiser vandaan komt wordt gekenmerkt door onveiligheid in de hele provincie, dateren van ná het eerdere besluit van 11 augustus 2004. Nu eiser een beroep doet op artikel 3 EVRM, artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn, dan wel artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, is niet op voorhand uitgesloten dat die informatie kan afdoen aan dat eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust. Aldus is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, waardoor de rechtbank het thans bestreden besluit inhoudelijk kan toetsen.

2.9 Eiser heeft ter onderbouwing van de onderhavige aanvraag aangevoerd dat hij, gelet op de verslechterde veiligheidssituatie, bij terugkeer naar zijn herkomstgebied Day Mirdad (ook wel Daimordad) in Wardak, Afghanistan, als Hazara gevaar loopt van Pashtun en/of Kuchistamleden en/of de Taliban, die in opmars zijn en met wie de Kuchistamleden goede betrekkingen onderhouden. Toen de familie van eiser naar zijn herkomstgebied is teruggegaan zijn er gevechten uitgebroken tussen Hazara en Pashtun. Bij deze gevechten zijn doden gevallen, waaronder de broers van eiser. Eiser kan niet elders in Afghanistan verblijven, omdat het te onveilig is. Eiser vreest voorts bij terugkeer vanuit Europa te worden gezien als landverrader en als zijnde rijk en daarmee het gevaar te lopen te worden ontvoerd (en gedood). Eiser meent dat aan hem op grond van het voorgaande verblijf dient te worden toegestaan op grond van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming (de Definitierichtlijn), dan wel artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

2.10 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en daarbij – kort samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende overwogen. In de eerste procedure zijn de feiten van het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig geacht. De verklaring van eiser over de dood van zijn broers in de onderhavige procedure is ongeloofwaardig. Voorts zijn eisers verklaringen over de positie van Hazara’s (en Kuchi’s) in Wardak ongeloofwaardig. Eiser behoort weliswaar tot een kwetsbare minderheidsgroep in de zin van Wijzigingsbesluit (WBV) 2008/25 maar heeft niet met beperkte individuele indicaties aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft in de zin van artikel 3 EVRM. Zo heeft eiser zelf verklaard dat in zijn herkomstgebied de Hazara niet de etnische minderheid vormen. Dat in Afghanistan sprake is van grootschalig en wijdverbreid geweld, is onvoldoende om te spreken van ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van eiser in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Een enkel beroep op de algemene veiligheidssituatie maakt niet dat er sprake is van “special distinguishing features” waaruit een verhoogd risico op schending van art. 3 EVRM blijkt. Ondanks de verslechtering van de veiligheidssituatie wordt geen aanleiding gezien om een beleid van categoriale bescherming in te stellen.

Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er in het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen is getoetst aan de zogenoemde glijdende schaal van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en verwezen naar hetgeen is overwogen op pagina 6 van het voornemen. Eiser heeft het risico op schending van artikel 3 EVRM niet aannemelijk gemaakt. Op de vraag van de rechtbank of de verklaring van eiser dat in zijn herkomstgebied de Hazara niet de etnische minderheid vormt (ten opzichte van de Pashtun), niet feitelijk onjuist is, heeft de gemachtigde van verweerder bevestigend geantwoord.

2.14 Eiser heeft hiertegen in de gronden van zijn beroep, samengevat, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Verweerder stelt ten onrechte dat een enkel beroep op de algemene veiligheidssituatie, geen geslaagd beroep op artikel 3 EVRM kan opleveren. In dit verband verwijst eiser naar het arrest NA vs VK van het EHRM van 17 juli 2008 (25904/07, LJN: BF0248, JV 2008, 329) en op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 30 december 2009 (AWB 09 / 15991). Eiser betwist voorts dat er bij hem geen sprake is van “special distinguishing features”. De Taliban zijn bijzonder actief in Wardak en zij zijn de Hazara vijandig gezind. De Taliban heeft een permanente aanwezigheid in Wardak (in het beroepschrift is vermeld Ghazni, maar dit is door de gemachtigde van eiser ter zitting gecorrigeerd). Volgens het algemeen ambtsbericht van augustus 2007 lopen Hazara een risico op discriminatie en vervolging in gebieden waar de Taliban vertegenwoordigd zijn. In de tweede plaats is van belang dat eiser lang buiten Afghanistan in het westen heeft verbleven en ook daarom gevaar loopt. Uit (onder meer) het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Afghanistan van maart 2009 blijkt dat er in de verslagperiode meldingen zijn geweest van Afghanen die werden ontvoerd nadat zij gedwongen terugkeerden uit het buitenland, omdat de ontvoerders veronderstelden dat deze personen toegang tot geld zouden hebben (p. 103). Voorts vermeldt het algemeen ambtsbericht dat (volgens de UNHCR) een terugkerende vluchteling (veelal) voor bescherming is aangewezen op zijn sociale netwerk (p. 103). Ter zitting heeft eiser deze beroepsgrond verduidelijkt en gesteld dat, nu hij sinds december 2001 in Nederland verblijft, hij als gevolg daarvan in Afghanistan niet meer over een (voldoende) sociaal netwerk te beschikt. Het Nederlandse standpunt dat gedwongen terugkeer uitsluitend plaatsvindt naar Kabul en het de betrokkene vrij staat verder te reizen naar waar hij maar wil, wordt door de UNHCR uitdrukkelijk niet gedeeld. Ook in Kabul en andere steden is het volgens laatstgenoemde organisatie onmogelijk een bestaan op de bouwen zonder steun uit de eigen gemeenschap. Dit geldt met name voor hen die gedwongen terugkeren vanuit westerse landen. Voorts meent de UNHCR dat van een persoon niet mag worden verlangd door onveilig gebied te reizen en dat het onwenselijk om een binnenlands vestigingsalternatief te overwegen. Nu de veiligheidssituatie in Afghanistan het afgelopen jaar aanzienlijk is verslechterd, had dit voor verweerder tevens aanleiding moeten vormen om in Afghanistan een categoriaal beschermingsbeleid te voeren.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.15 Ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, in samenhang gelezen met artikel 2, aanhef en onder e, en artikel 18, van de Definitierichtlijn, verlenen de lidstaten de subsidiaire beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of een staatloze ten aanzien van wie zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade die bestaat uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2.16 Onder artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, wordt met ingang van 25 april 2008 ingevolge het bepaalde in artikel 3.105d Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), voor zover hier van belang, ook begrepen ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van de burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De rechtbank ziet dan ook aanleiding het beroep van verzoeker op artikel 15 sub c Definitierichtlijn aan te merken als een beroep op artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.

2.17 De rechtbank stelt voorop dat verweerder niet betwist dat eiser afkomstig is Wardak, Afghanistan.

2.18 In het arrest van 17 februari 2009 (C-465/07, Elgafaji, punt 32-39) heeft het Europese Hof van Justitie, voor zover hier van belang, als volgt geoordeeld.

“De in artikel 15, sub a en b, van de richtlijn gebruikte termen „doodstraf”, „executie” en „foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker”, hebben betrekking op situaties waarin degene die om subsidiaire bescherming verzoekt, specifiek wordt blootgesteld aan het risico op een bepaald soort schade.

De in artikel 15, sub c, van de richtlijn gedefinieerde schade, namelijk een „ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon” van de verzoeker, heeft daarentegen betrekking op een algemener risico op schade.

Er wordt immers ruimer gedoeld op een „bedreiging van het leven of de persoon” van een burger, en niet op bepaalde gewelddadigheden. Die bedreiging is bovendien inherent aan een algemene situatie van een „internationaal of binnenlands gewapend conflict”. Tot slot is het geweld dat de oorzaak is van die bedreiging, „willekeurig”. Dit houdt in dat het geweld gericht kan zijn tot personen ongeacht hun persoonlijke omstandigheden.

In die context moet het begrip „individueel” aldus worden opgevat dat het ook betrekking heeft op schade die wordt toegebracht aan burgers ongeacht hun identiteit, wanneer de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapende conflict […] dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico op de in artikel 15, sub c, van de richtlijn bedoelde ernstige bedreiging zou lopen.

Aan die uitlegging, die artikel 15, sub c, van de richtlijn een eigen werkingssfeer kan bezorgen, wordt niet afgedaan door de bewoordingen van punt 26 van de considerans van deze richtlijn, volgens hetwelk „[g]evaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld, [...] normaliter op zich geen individuele bedreiging [vormen] die als ernstige schade kan worden aangemerkt”.

Bedoeld punt houdt immers weliswaar in dat de enkele objectieve vaststelling van een gevaar dat verband houdt met de algemene situatie van een land, in beginsel niet volstaat om aan te tonen dat een bepaalde persoon de voorwaarden van artikel 15, sub c, van de richtlijn vervult, maar het gebruik van de term „normaliter” wijst erop dat zich een uitzonderlijke situatie kan voordoen waarin er een dermate hoog risico is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat die persoon individueel het betrokken risico zou lopen.

De uitzonderlijkheid van die situatie wordt ook bevestigd door de omstandigheid dat de bedoelde bescherming subsidiair is en door de opzet van artikel 15 van de richtlijn, voor zover de in dat artikel sub a en sub b bedoelde schade een duidelijke mate van individualisering veronderstelt. Hoewel collectieve elementen stellig een belangrijke rol spelen bij de toepassing van artikel 15, sub c, van de richtlijn, in die zin dat de betrokkene evenals andere personen behoort tot een groep mogelijke slachtoffers van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict, moet die bepaling niettemin systematisch worden uitgelegd in verhouding tot de twee andere in artikel 15 bedoelde situaties en moet die individualisering dan ook nauw bij die uitlegging worden betrokken.

Hoe meer de verzoeker eventueel het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden, hoe lager de mate van willekeurig geweld zal zijn die vereist is opdat hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.”

2.19 Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat in Wardak sprake is van een uitzonderlijke situatie, waarin er een dermate hoog risico is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Wardak louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging zou lopen, heeft eiser dit betoog onvoldoende onderbouwd. Eiser refereert aan de update van de ICRC van november 2008 en de rapporten van de VN Veiligheidsraad van maart en juli 2008 en van 28 december 2009, het jaarrapport van Human Rights Watch over 2008, het worldreport van Human Rights Watch van 2010, het rapport van UNAMA van januari 2009, en de UNHCR Eligibility Guidelines van juli 2009. Uit deze stukken blijkt dat de veiligheidssituatie in Afghanistan in 2008 is verslechterd en dat de gevechten in west Afghanistan even erg zijn als in het zuiden, zuidoosten en oosten. Ook blijkt uit de stukken dat het aantal burgerslachtoffers in 2008 is toegenomen ten opzichte van andere jaren. Ten aanzien van Wardak blijkt uit genoemde stukken dat de invloed van de Taliban in Wardak in 2008 is toegenomen ten opzichte van 2007 en dat het geweld in Wardak eveneens is toegenomen.

2.20 Voor zover de stukken waarnaar eiser verwijst betrekking hebben op de veiligheidssituatie in Afghanistan in zijn geheel, kan daaruit weliswaar worden opgemaakt dat in Afghanistan sprake is van een verslechtering van de algemene veiligheidssituatie, een toename van het aantal veiligheidsincidenten en conflictgerelateerde slachtoffers en dat het conflict is geïntensiveerd in 2008, maar kan daaruit, gelet op de consistente jurisprudentie van de Afdeling met betrekking tot Afghanistan (en andere provincies in Afghanistan), niet worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van het door eiser gestelde gewapend conflict ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 6 februari 2009 dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger in de provincie Wardak louter door zijn aanwezigheid in die provincie, op dat moment een reëel risico liep op ernstige schade, als vorenbedoeld. Voor zover de stukken betrekking hebben op de situatie in Wardak, is de inhoud van de stukken zodanig beperkt dat ook hieruit niet kan worden afgeleid dat bedoelde situatie zich in Wardak voordoet.

2.21 Vervolgens moet nog worden beoordeeld of, nu er sprake is van een lagere mate van willekeurig geweld dan hiervoor in 2.20 bedoeld, eiser tot op zekere hoogte aannemelijk heeft weten te maken dat hij specifiek wordt geraakt om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden.

2.22 Eiser heeft in dit verband de volgende, volgens hem, gevaarzettende (individuele) kenmerken naar voren gebracht:

- hij behoort tot de etnische minderheidsgroepering de Hazara;

- de Taliban zijn in de regio waaruit hij afkomstig is in opmars;

- door zijn lange verblijf in het westen heeft eiser geen (voldoende) sociaal netwerk meer en

- tevens loopt hij door zijn verblijf in het westen een groter risico te worden ontvoerd.

2.23 Verweerder is op grond van artikel 83 Vw (en de goede proces-orde) in de gelegenheid gesteld, schriftelijk te reageren op de stelling van eiser, dat hij door zijn lange verblijf in het westen, in Afghanistan extra gevaar loopt.

2.24 In het bestreden besluit (het daarin ingelaste voornemen) en zijn schriftelijke reactie van 23 februari 2010 concludeert verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een risico loopt in de zin van artikel 3 EVRM (en artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn) omdat (kort samengevat):

- het enkele behoren tot de Hazara daarvoor ontoereikend is;

- eisers asielrelaas in de eerdere procedure ongeloofwaardig is geacht;

- de stelling van eiser (onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht van 15 april 2009) dat er meldingen waren van Afghanen die werden ontvoerd na terugkeer uit het buitenland eveneens onvoldoende is en dat

- in het stuk van de UNHCR waarnaar eiser in dit kader verwijst enkel staat dat er ontvoeringen plaatsvinden, maar niet dat specifiek teruggekeerde Afghanen een risico lopen.

2.25 De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit uitgaat van twee feitelijke onjuistheden. Verweerder gaat er ten onrechte van uit dat de Hazara in Wardak in de meerderheid zijn, en in de tweede plaats gaat verweerder er ten onrechte van uit dat de feiten van eisers asielrelaas in de eerdere procedure ongeloofwaardig zijn bevonden. In het besluit van 25 februari 2003 is immers overwogen dat de feiten van eisers asielrelaas niet ongeloofwaardig worden geacht, maar wel de aan die feiten ontleende vermoedens van vrees voor de Taliban. Verweerder heeft bij dit oordeel betrokken dat de Taliban, na interventie van Amerikaanse troepen, niet langer het gezag in Afghanistan droegen, hetgeen in de regio waar eiser vandaan komt thans anders lijkt te zijn.

2.26 Bovendien is verweerder bij zijn de beoordeling van het beroep van eiser op artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn ten onrechte niet ingegaan op de gecombineerde risicofactoren van het zijn van Hazara, de omstandigheid dat de Taliban in Wardak in opmars is, en de geloofwaardig geachte feiten van het oorspronkelijke asielrelaas, in combinatie met de algemene veiligheidssituatie in Centraal-Afghanistan en de omstandigheid dat eiser lang in het buitenland (in het westen) heeft verbleven.

2.27 De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb.

2.28 De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.29 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt dit bedrag op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

2.30 Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met in achtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 644,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.I. de Vreese-Rood, rechter, en op 22 april 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S.S. de Groot, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.