Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM3923

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
360892 - FA RK 10-1791
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kinderontvoering. Ontvoering vanuit Polen. Beroep gedaan door de moeder op verzet van de minderjarige tegen de terugkeer als bedoeld in artikel 13 lid 2 HKOV. Rechtbank heeft na de minderjarige te hebben gehoord vastgesteld dat de minderjarige zich verzet tegen de terugkeer naar Polen en dat dit verzet verder strekt dan de enkele wens om bij de moeder te willen blijven. Voorts heeft de minderjarige er blijk van gegeven een zekere mate van rijpheid te hebben bereikt en de rechtbank acht haar dan ook in staat de consequenties van haar verklaringen te overzien. Verzoek tot teruggeleiding wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2010, 76 met annotatie van P. Dorhout
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats 's-Gravenhage

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer

Rekestnummer : FA RK 10-1791

Zaaknummer : 360892

Datum beschikking : 29 april 2010

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 2 maart 2010 ingekomen verzoek van:

de Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken van het Ministerie van Justitie, thans geheten de directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische zaken van het directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties, afdeling Juridische en Internationale Zaken van het Ministerie van Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Staatsblad 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Tractatenblad 1987, 139),

gevestigd te 's-Gravenhage,

verder te noemen: de Centrale Autoriteit,

optredend voor zichzelf en namens:

[de man],

hierna te noemen: de vader,

wonende te [plaats A], Polen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [plaats B],

advocaat: mr. W.W.P. Mei te Hilversum.

Procedure

Van de zijde van de vader is op 12 januari 2010 bij de Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot teruggeleiding van de minderjarige [A] naar Polen. Op 2 maart 2010 heeft de Centrale Autoriteit onderhavig verzoekschrift bij de rechtbank Amsterdam ingediend.

De rechtbank Amsterdam is bevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Bij beschikking d.d. 3 maart 2010 heeft zij, naar de rechtbank leest, echter bepaald dat de behandeling van dit verzoek op grond van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen, plaatsvindt in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de brieven met bijlagen d.d. 2 april 2010 en 7 april 2010 van de Centrale Autoriteit.

Op 19 maart 2010 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. J.A. Krab;

- de vader, bijgestaan door een tolk in de Poolse taal;

- de moeder;

- mevrouw E.K.M. Bakker namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Het betrof hier een regiezitting in het kader van de pilot crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. R.G. de Lange-Tegelaar. Partijen hebben gekozen voor het mediationtraject.

Nadat de rechtbank ervan op de hoogte is gebracht dat de mediation niet tot resultaat heeft geleid, is op 20 april 2010 de behandeling voortgezet ter terechtzitting van de meervoudige kamer. Hierbij zijn verschenen:

- de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. J.A. Krab;

- de vader, bijgestaan door een tolk in de Poolse taal;

- de moeder, bijgestaan door een tolk in de Poolse taal;

- de advocaat van de moeder;

- mevrouw J.J. de Kok namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Zowel van de zijde van de moeder als van de zijde van de Centrale Autoriteit zijn nadere stukken overgelegd.

De minderjarige [A] heeft in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt.

Feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat tussen partijen het volgende vast.

De vader en de moeder zijn op [huwelijksdatum] 1990 te [plaats A] (Polen) met elkaar gehuwd.

Uit dit huwelijk is geboren de minderjarige:

- [A], op [geboortedatum] 1997 te [plaats A] (Polen).

De vader en de moeder hebben tevens een meerderjarige dochter: [B], geboren op [geboortedatum] 1992.

Op 9 oktober 2006 is in Polen de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken.

Hierbij is de uitvoering van de ouderlijke macht over [minderjarige A] opdragen aan de vader waarbij aan beide ouders het recht op medebeslissing is voorbehouden in essentiële zaken.

Bij beslissing d.d. 3 juli 2009 van de rechtbank te Czestochowa (Polen) heeft de moeder toestemming gekregen om [minderjarige A] van 6 juli 2009 tot 20 augustus 2009 mee te nemen naar haar woonplaats in verband met de zomervakantie. [minderjarige A] is na deze vakantie in Nederland niet meer teruggekeerd naar Polen.

Bij beslissing d.d. 20 november 2009 van de kantonrechtbank te Czestochowa (Polen) is de echtscheidingsbeslissing van 9 oktober 2006 gewijzigd in die zin dat de moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige A], waarbij beide ouders het medebeslissingsrecht in voor de kinderen wezenlijke zaken behouden.

Bij beslissing d.d. 2 februari 2010 van de arrondissementsrechtbank te Czestochowa (Polen) is voormelde beslissing d.d. 20 november 2009 vernietigd en is de zaak voor hernieuwde behandeling naar de kantonrechtbank te Czestochowa (Polen) terugverwezen.

Op 15 april 2010 heeft in deze procedure een zitting plaatsgevonden in Polen. Op 20 mei 2010 zal [minderjarige A] door de Poolse rechter worden gehoord. Er is nog geen definitieve beslissing genomen.

De vader, de moeder en de minderjarige hebben de Poolse nationaliteit.

Verzoek en verweer

De Centrale Autoriteit heeft verzocht de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Polen te bevelen, althans te bevelen dat de terugkeer van de minderjarige vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum zal geschieden, met dien verstande dat - indien de moeder nalaat de minderjarige binnen de bepaalde termijn terug te brengen naar Polen - de moeder de minderjarige met een geldig reisdocument aan de vader dient af te geven zodat hij haar kan meenemen naar Polen.

Hiertoe is door de Centrale Autoriteit - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

* De vader heeft geen toestemming gegeven voor een definitief verblijf in Nederland noch daarin berust.

* Nu de minderjarige in Polen is geboren en tot aan de ongeoorloofde overbrenging naar Nederland in Polen heeft gewoond, dient Polen als staat van het gewone verblijf van de minderjarige te worden aangemerkt.

* De vader oefent naar Pools recht het gezag over de minderjarige uit.

Gelet op het voorgaande meent de Centrale Autoriteit dat er sprake is van ongeoorloofde overbrenging als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag), zodat ingevolge artikel 12 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Polen dient te volgen. De Centrale Autoriteit is van mening dat zich in de onderhavige zaak geen van de in het Verdrag voorziene uitzonderingen voordoet op grond waarvan teruggeleiding van de minderjarige naar Polen achterwege zou moeten blijven.

De Centrale Autoriteit heeft aanvullend verzocht om betaling van de gemaakte kosten van vader door moeder conform artikel 26 lid 4 van het Verdrag.

De moeder heeft verweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht het verzoek van de Centrale Autoriteit af te wijzen, kosten rechtens.

Volgens de moeder staat onvoldoende vast dat aan de voorwaarden van artikel 3 van het Verdrag is voldaan. Voorts heeft zij aangevoerd dat er sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag.

Beoordeling

Bevoegdheid

Het verzoek van de Centrale Autoriteit is gebaseerd op het Verdrag. Nederland en Polen zijn beide partij bij het Verdrag.

Ingevolge artikel 11 lid 1a van de Uitvoeringswet bij het Verdrag is de kinderrechter van de rechtbank binnen wier rechtsgebied het kind zijn werkelijke verblijfplaats heeft, bevoegd tot kennisneming van alle zaken met betrekking tot de toepassing van - onder meer - het Verdrag.

Nu de minderjarige haar werkelijke verblijfplaats in het arrondissement Amsterdam heeft, is de rechtbank Amsterdam bevoegd om van het verzoek van de Centrale Autoriteit kennis te nemen. De behandeling van de zaak vindt plaats in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage.

Inhoudelijke beoordeling

Het Verdrag heeft - voor zover hier van belang - tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Gelet op het voorgaande dient de rechtbank allereerst te beoordelen of de minderjarige ten tijde van de door de Centrale Autoriteit gestelde vasthouding haar gewone verblijfplaats in Polen had.

Nu de minderjarige vanaf haar geboorte tot aan haar vasthouding in Nederland in augustus 2009 in Polen woonachtig was - hetgeen overigens tussen partijen niet in geschil is - staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige onmiddellijk vóór haar vasthouding in Polen was.

Voorts staat vast dat op het moment van niet terugkeren van de minderjarige naar Polen op 20 augustus 2009, de vader ingevolge de echtscheidingsbeschikking d.d. 9 oktober 2006 het gezag over de minderjarige [A] uitoefende. Gelet op de procedures die nadien zijn gevoerd in Polen, zoals geschetst onder de feiten, oefent de vader op dit moment nog steeds op grond van deze beschikking het gezag uit over de minderjarige [A].

De vader heeft onmiddellijk na het niet terugkeren van de minderjarige telefonisch aangegeven hier niet mee akkoord te zijn, hetgeen de moeder heeft erkend.

Nu de moeder de minderjarige na 20 augustus 2009 zonder toestemming van de vader in Nederland heeft vastgehouden, komt de rechtbank tot het oordeel dat deze vasthouding in strijd met het gezagsrecht van de vader is geschied.

Derhalve dient de vasthouding van de minderjarige in Nederland aangemerkt te worden als ongeoorloofd als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag. Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van de minderjarige in Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, dient ingevolge artikel 12 van het Verdrag in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de uitzonderingen zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Beoordeeld moet worden of de moeder heeft aangetoond dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarige door haar terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad brengen doel en strekking van het Verdrag mee dat voormelde weigeringsgrond restrictief moet worden toegepast en dat de rechter van de aangezochte staat de in de bepaling van artikel 13 lid 1 sub b gestelde strenge voorwaarden niet reeds vervuld mag achten louter op grond van zijn oordeel dat het belang van het kind in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter.

De moeder heeft aangevoerd dat de man wegens zijn alcoholproblematiek gewelddadig is jegens de kinderen. Zij heeft hiertoe een medische verklaring overgelegd welke betrekking heeft op [B], de meerderjarige dochter van partijen. Voorts heeft zij gesteld dat er onderzoek heeft plaatsgevonden door de Poolse jeugdzorg.

De vader heeft betwist dat hij alcohol gebruikt en gewelddadig zou zijn richting de kinderen. Ten aanzien van het onderzoek heeft de vader gesteld dat dit is uitgevoerd in verband met de gezagsprocedure die liep bij de rechtbank in Polen en dat geen sprake was van zorgen over de gezinssituatie.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder, gelet op de betwisting door de vader, haar stellingen niet (voldoende) heeft onderbouwd. De overgelegde medische verklaring van [B] maakt dat niet anders nu een verband met geweld door de vader daaruit niet blijkt.

De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag

De rechtbank zal thans ingaan op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Verdrag. Ingevolge dit artikel kan de rechtbank weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn of haar mening rekening wordt gehouden.

De rechtbank overweegt dat de minderjarige [A], die thans twaalf jaar oud is, er tijdens het kinderverhoor op 20 april 2010 blijk van heeft gegeven een zekere mate van rijpheid te hebben bereikt. Dit gelet op het feit dat de minderjarige haar gevoelens en gedachten goed onder woorden kon brengen en op consistente en oprechte wijze haar verhaal heeft verteld. Zij heeft er blijk van gegeven zich terdege bewust te zijn van de problemen die spelen tussen haar ouders en de invloed die dat heeft op haar. Van belang in dit verband acht de rechtbank dat de minderjarige heeft verklaard dat als zij een wens mocht doen, zij het liefste rust wil. De juridische procedures tussen haar ouders zijn, aldus de minderjarige, begonnen toen zij klein was en zij wil dat dit ophoudt. Voorts acht de rechtbank van belang dat de minderjarige heeft verklaard dat zij haar vader wel mist, maar dat zij niettemin in Nederland wil blijven en omgang met haar vader wil.

De rechtbank acht de minderjarige dan ook in staat de consequenties van haar verklaringen te overzien.

De minderjarige heeft tijdens het verhoor stellig en op consistente wijze te kennen gegeven in Nederland te willen blijven en niet terug te willen keren naar Polen. De rechtbank is van oordeel dat dit verzet verder strekt dan de enkele wens om bij de moeder te willen blijven. De rechtbank heeft begrepen dat de grond van het verzet van de minderjarige is gelegen in de omstandigheid dat zij mede vanwege het werk van de vader in Polen vaak alleen thuis is, dat de vader vaak boos is en hij onvoldoende aansluit bij haar behoeften als meisje van twaalf en dat haar oudere zus [B] (thans achttien jaar) weer buitenshuis zal gaan wonen. De minderjarige heeft tevens verklaard dat zij reeds voordat zij naar Nederland ging met [B] heeft gesproken over een langer verblijf in Nederland en dat het initiatief om in Nederland te blijven van haar is uitgegaan en niet van de moeder.

De rechtbank stelt hiermee vast dat de minderjarige zich verzet tegen haar terugkeer. Het Verdrag vereist niet dat sprake is van een ernstig verzet, zodat de rechtbank voorbij gaat aan deze stelling van de Centrale Autoriteit.

Conclusie

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er op grond van het bepaalde in artikel 13 lid 2 van het Verdrag aanleiding is de teruggeleiding te weigeren. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de Centrale Autoriteit tot teruggeleiding van de minderjarige naar Polen afwijzen.

Omgang

Partijen hebben ter terechtzitting het volgende afgesproken over contact tussen de minderjarige en de niet-verzorgende ouder:

- er zal contact zijn via skype al naar gelang de behoefte van de minderjarige en de niet-verzorgende ouder;

- omstreeks 20 mei 2010, wanneer de minderjarige in Polen door de rechter zal worden gehoord, zal de minderjarige enkele dagen bij de vader verblijven;

- partijen zullen in onderling overleg de zomervakantie van 2010 verdelen en zij hebben de intentie om na de zomervakantie omgang met de niet-verzorgende ouder te laten plaatsvinden tijdens de overige vakanties.

De rechtbank gaat er vanuit dat partijen in het belang van [minderjarige A] de door hen gemaakte afspraken met betrekking tot de omgang zullen nakomen.

Proceskosten/Reiskosten

De rechtbank zal het verzoek van de Centrale Autoriteit tot betaling van de gemaakte kosten van vader door moeder conform artikel 26, lid 4, van het Verdrag afwijzen, nu voorwaarde voor een dergelijke kostenveroordeling is dat de terugkeer van het kind wordt gelast, hetgeen thans niet het geval is.

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn en het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige:

[A], geboren op [geboortedatum] 1997 te [plaats A] (Polen),

naar Polen;

wijst af het verzoek tot betaling van de gemaakte reiskosten door moeder;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F.J. Verbeek, S.J. Hoekstra-van Vliet en M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, kinderrechters, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 april 2010.

Van deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet verdragen internationale ontvoering van kinderen) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Amsterdam. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.