Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM3716

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
365864 / FT-RK 10.1112
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening, art. 287 lid 4 Fw. Geen enkele poging ondernomen om met de schuldeisers tot een minnelijke regeling te komen, derhalve niet voldaan aan het wettelijke vereiste dat de schuldenaar tevergeefs pogingen moet hebben gedaan om met zijn schuldeisers tot een vergelijk te komen. Bij het verzoek om toelating is wel een met redenen omklede verklaring gevoegd dat er geen mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen; naar voorlopig oordeel moet het er echter voor worden gehouden dat verzoekers die onmogelijkheid aan zichzelf te wijten hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rekestnummer: 365864/FT-RK 10.1112 en 365864/FT-RK 10.1112

uitspraakdatum: 7 mei 2010

RECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2],

beiden wonende te [adres],

[postcode en woonplaats],

verzoekers,

hebben op 6 mei 2010 een verzoek ingediend waarin gevraagd wordt om een voorlopige voorziening als bedoeld in art. 287, vierde lid van de Faillissementswet.

Het verzoek strekt ertoe dat GGN Van Mastrigt & Partners Gerechtsdeurwaarders en Incassospecialisten, optredend namens de Stichting Vestia Groep, wordt verboden om de woning van verzoekers te ontruimen. De ontruiming staat thans gepland voor 12 mei 2010.

Voorafgaand aan de indiening van het verzoek om een voorlopige voorziening hebben verzoekers op 11 maart 2010 een verzoek ingediend om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Uit de ingediende verzoeken blijkt het volgende. Verzoekers zijn op 8 oktober 2005 gestart met een cafébedrijf, de V.O.F. Goldfinger. Deze onderneming hebben zij per 1 januari 2010 gestaakt. Verzoekers verkeren thans in de toestand dat zij hebben opgehouden te betalen. Bij het verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling hebben verzoekers een schuldenlijst gevoegd met een schuldenlast van € 113.949,22 concurrent en € 30.104,-- preferent. Daarbij is vermeld dat verzoekers de boekhouding niet op orde krijgen en dat er sinds 2006 geen belastingaangiftes zijn gedaan.

Bij brief van 30 maart 2010 heeft de rechtbank verzoekers verzocht om de jaarrekeningen 2007 tot en met 2010.

Bij ongedateerde brief, ingekomen bij de rechtbank op 14 april 2010, hebben verzoekers bericht dat er geen boekhouding is gevoerd.

In het verzoekschrift waarin gevraagd wordt om een voorlopige voorziening hebben verzoekers - via hun gemachtigde mw. M.M. Over van Zuidweg Insolventie-bemiddeling - gesteld dat hun schuldpositie niet is vast te stellen, aangezien over 2006 tot heden geen belastingaangifte is gedaan. Nu de belastingschuld en daarmee de gehele schuldpositie niet is vast te stellen, is een minnelijk traject niet mogelijk, aldus de gemachtigde. Er is dan ook geen akkoord aan de schuldeisers aangeboden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Een voorlopige voorziening op basis van artikel 287, vierde lid, van de Faillissementswet kan worden uitgesproken ter overbrugging van de periode tussen de indiening van en de beslissing op het verzoekschrift om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 284 Faillissementswet.

De rechtbank dient een belangenafweging te maken tussen enerzijds de belangen van verzoekers en anderzijds de belangen van de schuldeiser die gebruik maakt van zijn recht om de woning van verzoekers te ontruimen, dit op basis van het vonnis van de kantonrechter d.d. 8 maart 2010.

De rechtbank stelt vast dat verzoekers naar eigen zeggen geen enkele poging hebben ondernomen om met hun schuldeisers tot een minnelijke regeling te komen. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de het wettelijke vereiste dat de schuldenaar tevergeefs pogingen moet hebben gedaan om met zijn schuldeisers tot een vergelijk te komen.

Verzoekers hebben bij het verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsanering wel een met redenen omklede verklaring gevoegd dat er geen mogelijkheden zijn om tot een dergelijke buitengerechtelijke regeling te komen. Naar voorlopig oordeel moet het er echter voor worden gehouden dat verzoekers die onmogelijkheid aan zichzelf te wijten hebben. Immers, hun schuldenlast is niet vast te stellen doordat zij niet beschikken over een boekhouding van hun onderneming, terwijl zij eveneens in gebreke zijn gebleven als het gaat om het doen van belastingaangiftes over de jaren vanaf 2006 tot en met 2009.

Onder de hiervoor weergegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de belangen van de verhuurder die gebruik maakt van zijn recht om de woning te ontruimen, zwaarder moeten wegen dat de belangen van verzoekers.

Van misbruik van bevoegdheid door de verhuurder dan wel de deurwaarder is niet gebleken.

Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Op het verzoek tot van toepassing verklaring van de schuldsaneringsregeling zal separaat worden beslist. De datum waarop dit verzoek zal worden behandeld, is verzoekers reeds schriftelijk medegedeeld.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot het verlenen van een voorlopige voorziening.

Gewezen door mr. D.R. van der Meer lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 mei 2010 in tegenwoordigheid van N. Kaya, griffier.