Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM3549

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
360606 / HA RK 10-115 Wrakingsnummer 2010/7
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. [G] is geen partij in de procedure die aan het wrakingsverzoek ten grondslag ligt, haar verzoek tot wraking is daarom niet-ontvankelijk. Wrakingsverzoek van [A] is wel ontvankelijk: [A] is partij in de procedure die aan het wrakingsverzoek ten grondslag ligt en, anders dan belanghebbende stelt, is er geen sprake van verplichte procesvertegenwoordiging in de wrakingsprocedure, aangezien ook in de hoofdzaak geen verplichte procesvertegenwoordiging voor [A] geldt. De door [A] aangevoerde feiten en omstandigheden geven geen grond te vrezen dat het rechter [X] aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van haar de schijn van partijdigheid gewekt. Het wrakingsverzoek van [A] wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2010/7

rekestnummer: 360606 HA RK 10-115

rekestnummer hoofdzaak: JE RK 10-263

zaaknummer: 358151

datum beschikking: 11 maart 2010

BESCHIKKING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in de zaak van:

1. [A],

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: [G],

en

2. [G],

wonende te [woonplaats],

gezamenlijk te noemen: verzoekers,

tegen

Mr. [X],

kinderrechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage.

Belanghebbenden:

- [B],

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. M.C. Leenhouts,

- de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.

1. Voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1 Ter zitting van 3 november 2009 heeft ten overstaan van kinderrechter mr. R.G. de Lange-Tegelaar behandeling plaatsgevonden van het verzoekschrift tot opheffing van de ondertoezichtstelling van de minderjarige [M], kind van verzoeker sub 1, [A] (hierna: [A]), en [B] (hierna: [B]). Dit verzoek is namens de minderjarige ingediend door [G] (hierna: [G]). Blijkens de beschikking van 3 november 2009 was het door [G] ingediende verzoekschrift niet mede ondertekend door de minderjarige en was door [G] ook geen volmacht overgelegd. Daarnaast heeft de kinderrechter vastgesteld dat [G] zich schriftelijk en mondeling heeft gepresenteerd als N.I.P.-geregistreerd psycholoog, maar dat zij hiervan desgevraagd geen bewijs heeft overgelegd en dat controle bij het N.I.P. heeft uitgewezen dat zij aldaar niet als psycholoog is geregistreerd. Gelet hierop, mede in het licht van het bepaalde in artikel 81 juncto artikel 280 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), heeft de kinderrechter [G] niet toegelaten als gemachtigde van de minderjarige.

1.2 Vervolgens is ter zitting van 22 februari 2010 ten overstaan van mr. [X] het verzoekschrift van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de William Schrikker Jeugdbescherming) strekkende tot vervangende toestemming voor een medische behandeling van de minderjarige behandeld. Hierbij is [G] verschenen als gemachtigde van [A]. Mr. [X] heeft bij beschikking van 22 februari 2010 [G], onder verwijzing naar de beschikking van 3 november 2009 van mr. De Lange-Tegelaar, niet toegelaten als gemachtigde van [A]. Het verzoek van de William Schrikker Jeugdbescherming is aangehouden om [A] in de gelegenheid te stellen een andere persoon als bijstandsverlener dan wel gemachtigde aan te wijzen.

1.3 Op 25 februari 2010 hebben verzoekers een verzoek tot wraking van mr. [X] ingediend.

1.4 Mr. [X] heeft schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd.

1.5 Namens [B] heeft mr. Leenhouts bij brief van 4 maart 2010 een reactie gegeven op het wrakingsverzoek.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 8 maart 2010 is het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer behandeld. Verzoekers zijn verschenen. Het wrakingsverzoek is door [G] aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen toegelicht.

Belanghebbende [B] is eveneens verschenen, bijgestaan door haar raadsvrouwe mr. M.C. Leenhouts.

Belanghebbende de William Schrikker Jeugdbescherming is na voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Mr. [X] is eveneens niet verschenen.

3. Het standpunt van verzoekers

[G] heeft mede namens [A] aangevoerd dat verzoekers zich niet aan de indruk kunnen onttrekken dat er voorafgaand aan de zitting contact is geweest tussen de William Schrikker Jeugdbescherming en de rechter. Volgens verzoekers toont dit aan dat de William Schrikker Jeugdbescherming bepaalt wie er als gemachtigde wordt toegelaten. [G] is volgens verzoekers ten onrechte als gemachtigde geweigerd omdat zij wel is ingeschreven bij het N.I.P., hoewel dit niet eens is vereist. Mr. [X] heeft geweigerd de documenten die dit aantonen in te zien. De weigering om haar als gemachtigde toe te laten, hebben zowel [G] als verzoeker [A] als beledigend ervaren. Mr. [X] heeft dit volgens verzoekers ook niet nader willen toelichten. Voorts heeft mr. [X] opgemerkt dat een kind geen rechten heeft, aldus verzoekers.

4. Het standpunt van mr. [X]

Mr. [X] heeft de wrakingskamer in haar schriftelijke reactie van 4 maart 2010 medegedeeld dat zij niet in de wraking berust. Mr. [X] stelt zich op het standpunt dat in het feit dat [G] blijkens de beschikking van 3 november 2009 niet was toegelaten als gemachtigde van de minderjarige, onder meer omdat zij zich ten onrechte had gepresenteerd als psycholoog geregistreerd bij het N.I.P., voldoende ernstige bezwaren waren gelegen in de zin van artikel 81 Rv om [G] niet alsnog toe te laten als gemachtigde. Het betrof volgens mr. [X] materieel dezelfde zaak, te weten de uitvoering van de ondertoezichtstelling van dezelfde minderjarige met dezelfde belanghebbenden. Dat [G] als gemachtigde van [A] wilde optreden en niet van de minderjarige, maakte dit voor mr. [X] niet anders, nu de ernstige bezwaren waren gelegen in de omstandigheid dat zij zich had gepresenteerd met een kwaliteit die zij niet bleek te hebben. Hierbij kwam dat mr. [X] niet was gebleken dat tegen de beslissing om [G] niet toe te laten als gemachtigde hoger beroep was ingesteld, zodat deze beslissing kracht van gewijsde had gekregen.

Mr. [X] betwist voorafgaand aan de zitting contact te hebben gehad met de William Schrikker Groep. Mr. [X] weerspreekt eveneens ten aanzien van de minderjarige te hebben gesteld dat hij geen rechten zou hebben.

5. Het standpunt van belanghebbenden

Namens [B] is aangevoerd dat [G] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek tot wraking, nu ingevolge artikel 36 Rv slechts een partij de bevoegdheid tot wraking heeft.

[A] dient eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek tot wraking, aangezien in dit geval ondertekening van het verzoek tot wraking door een bevoegde procesvertegenwoordiger verplicht is. Het verzoek tot wraking had door een advocaat moeten worden ondertekend, aldus [B].

Voor zover het verzoek tot wraking ontvankelijk is, dient dit volgens [B] te worden afgewezen. Van vooringenomenheid van de rechter is niet gebleken. Dat mr. [X] zou hebben gezegd dat het kind geen rechten heeft, wordt door [B] weersproken.

[B] verzoekt [A] en [G] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure.

6. Beoordeling

De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De rechtbank stelt vast dat [G] geen partij is in de procedure die aan het wrakingsverzoek ten grondslag ligt. Haar verzoek tot wraking is daarom niet-ontvankelijk. Zoals ter zitting besproken, kan [G] ingevolge artikel 81 lid 4 Rv binnen vier weken na de verzending van de beschikking van 22 februari 2010 tegen de weigering haar als gemachtigde toe te laten in beroep komen bij het gerechtshof.

Het bovenstaande geldt niet voor het wrakingsverzoek van [A]. Hij is immers wel partij in de procedure die aan het onderhavige verzoek ten grondslag ligt. Anders dan [B] stelt, is er geen sprake van verplichte procesvertegenwoordiging in de wrakingsprocedure, aangezien ook in de hoofdzaak (het verzoek strekkende tot vervangende toestemming voor een medische behandeling van de onder toezicht gestelde minderjarige) geen verplichte procesvertegenwoordiging voor [A] geldt.

De inhoudelijke beoordeling

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

De door [A] aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 3. weergegeven leveren niet een uitzonderlijke omstandigheid op die zodanige vrees ten aanzien van deze rechter kan rechtvaardigen. Ingevolge artikel 81 lid 1 Rv, dat ingevolge artikel 280 Rv in dit geval van overeenkomstige toepassing is, kan de rechter bij met redenen omklede beschikking bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan en die geen advocaat of deurwaarder is, weigeren. Deze weigering geldt voor een bepaalde zaak of voor een door de rechter te bepalen tijd. Mr. [X] heeft kennelijk de zaak die voorlag aangemerkt als dezelfde zaak waarin de beschikking van 3 november 2009 inzake de weigering van [G] als gemachtigde van de minderjarige is gegeven. De rechtbank acht dit oordeel niet onbegrijpelijk. Deze beslissing levert geen aanwijzing op voor het oordeel dat mr. [X] jegens [A] een vooringenomenheid koestert, althans dat die vrees objectief gerechtvaardigd is. [G] kan desgewenst in beroep tegen de weigering haar als gemachtigde toe te laten en aldus in appel de vraag aan de orde stellen of mr. [X] terecht heeft geoordeeld dat de zaak die voorlag dezelfde was als de zaak waarin de beschikking van 3 november 2009 is gewezen, zodat de weigering op grond van artikel 81 lid 1 Rv nog gold.

[A] heeft voorts aangevoerd dat mr. [X] zou hebben gezegd dat een kind geen rechten heeft. Nu zowel mr. [X] als [B] dit weerspreken en er van een dergelijke opmerking geen melding is gemaakt in het proces-verbaal van de zitting, acht de rechtbank het onaannemelijk dat dit door de kinderrechter zou zijn gezegd. Zij ziet hierin derhalve geen aanleiding het verzoek tot wraking gegrond te verklaren. Dit geldt eveneens voor het niet nader onderbouwde verwijt dat er voorafgaand aan de zitting contact is geweest tussen de William Schrikker Jeugdbescherming en mr. [X].

[A] heeft ter zitting medegedeeld dat het verzoek tot wraking niet ziet op het feit dat er agenten in de zittingszaal aanwezig waren, zodat dit geen bespreking behoeft.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 3. weergegeven geven geen grond te vrezen dat het deze rechter aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van haar de schijn van partijdigheid gewekt.

Proceskosten

Aangaande de door [B] gevorderde proceskosten overweegt de rechtbank dat er voor een kostenveroordeling in de wrakingsprocedure geen plaats is. De rechtbank verwijst hierbij naar het wrakingsprotocol van deze rechtbank onder nr. 9.5.

7. Beslissing

De rechtbank:

verklaart [G] niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wraking;

wijst het verzoek van [A] tot wraking van mr. [X] af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• verzoekers: [A] en [G];

• de belanghebbenden in de hoofdzaak: [B] en de William Schrikker Jeugdbescherming;

• de rechter mr. [X];

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2010 door mrs Hoekstra-van Vliet, Wijnnobel-van Erp en Mendlik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Ligthart als griffier.