Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM3488

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
AWB 09 / 31372 BEPTDN
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN8496, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. Land van eerder verblijf (artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, Vw 2000) - vrees voor refoulement vanuit land van eerder verblijf:

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet op de inhoud van voornoemde IAB-en, terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Togo niet veilig is en dientengevolge in aanmerking moet komen voor een verblijfsvergunning asiel. De door eiser overgelegde stukken zien niet op de (on)mogelijkheid van de Togolese autoriteiten om eiser te beschermen tegen de door hem gestelde bedreigingen vanuit Rwanda en evenmin op het risico van refoulement door de Togolese autoriteiten en kunnen daarom eisers stellingen dienaangaande niet onderbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-Gravenhage, zittinghoudend te MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 09 / 31372 BEPTDN

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in het geding tussen

[eiser], eiser,

en

de Minister van Justitie, als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

Datum bestreden besluit: 7 augustus 2009.

Kenmerk: [IND-nummer].

V-nummer: [V-nummer].

I. PROCESVERLOOP

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluit.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben, alsmede een verweerschrift aan de rechtbank gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2010, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde I. Wudka, advocaat te Maastricht.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door C.E.S. Clerx, werkzaam bij het Ministerie van Justitie. Als tolk is verschenen A. Abdi.

II. OVERWEGINGEN

Eiser stelt zijn land van herkomst, Rwanda, te hebben verlaten nadat daar in 1994 oorlog uitbrak. Eiser vluchtte met zijn hele schoonfamilie omdat leden van zijn schoonfamilie – waaronder zijn schoonmoeder - destijds hoge politieke functies in Rwanda bekleedden en om die reden gezocht werden door de Front Patriotique Rwandais (FPR). Eiser, als hoogopgeleide Hutu, werd eveneens gezocht. Eiser belandde in Togo en werd aldaar door de UNHCR erkend als vluchteling. In december 2004 werd eiser in Togo door drie onbekende mannen op straat gevraagd naar zijn werk als onderzoeker voor het Rwanda-tribunaal, waarop een heftige discussie ontstond en eiser door hen werd aangevallen. In het hotel waar eiser verbleef werd hem daarna medegedeeld dat drie mannen naar hem zochten. Eiser heeft Togo vervolgens verlaten en heeft andere werkzaamheden verricht in andere landen. Eiser stelt op 29 juli 2006 in Nederland te zijn aangekomen alwaar hij op 22 december 2006 een aanvraag heeft ingediend ter verkrijging van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, op grond van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij als Hutu, tevens voormalig onderzoeker voor het Rwanda-tribunaal, niet veilig is in Togo.

Verweerder heeft in het bestreden besluit, waarin de overwegingen uit het voornemen zijn overgenomen en als ingelast dienen te worden beschouwd, overwogen dat de aanvraag van eiser wordt afgewezen omdat eiser in een land van eerder verblijf, te weten Togo, zal worden toegelaten totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden. Eiser is niet rechtstreeks vanuit Rwanda naar Nederland gekomen. Voorts is uit objectieve feiten of omstandigheden gebleken dat eiser toen hij Rwanda verliet, niet de intentie had naar Nederland te reizen. Eiser heeft in het derde land, te weten Togo, verbleven onder omstandigheden die ter plaatse niet als abnormaal moeten worden aangemerkt. Verder stelt verweerder dat sprake is van de situatie dat Togo, als land van eerder verblijf, weliswaar géén partij is bij het Vluchtelingenverdrag van Genève dan wel dat Togo het verdrag niet te goeder trouw naleeft, maar dat eiser in Togo over een geldige verblijfstitel beschikt die naar zijn aard duurzame bescherming biedt tegen terugzending, of dat is gebleken dat eiser een dergelijke verblijfstitel kan krijgen. Van eiser kan dan ook worden verwacht dat hij terugkeert naar Togo.

Eiser kan zich niet verenigen met dit besluit en heeft hiertegen aangevoerd – met verwijzing naar de zienswijze – dat eiser had mogen vertrouwen op het feit dat hem een verblijfsvergunning asiel werd verstrekt gezien de duur van de procedure en het zeer uitvoerige en consistente vluchtrelaas van eiser. Eiser heeft getracht aan te tonen dat verblijf in Togo niet langer van hem kan worden gevergd. Hiertoe heeft eiser een brief uit Togo overgelegd van 28 oktober 2006, geadresseerd aan eisers echtgenote en afkomstig van een vriendin van eisers echtgenote, waarin eiser en zijn echtgenote worden gewaarschuwd dat – kort samengevat – mensen afkomstig uit Kigali, in Togo informeren naar Rwandese vluchtelingen die kennis hebben van hetgeen in Rwanda is gebeurd, ongeacht of het gaat om handelingen van de regering of van de FPR. Deze vluchtelingen worden gevaarlijk geacht voor het regime in Kigali en dienen geneutraliseerd of uitgeschakeld te worden.

Tevens heeft eiser overgelegd een e-mail van een zekere Gakwaya J. Batiste van

11 februari 2003, doorgezonden op 20 februari 2003. Volgens eiser werkt Batiste bij het Rwandees documentatiecentrum voor West-Afrika en blijkt uit zijn e-mail dat ook Togo last heeft van de voor Hutu-intellectuelen zeer gevaarlijke infiltratie door FPR-soldaten, en dat intellectuelen van Hutu afkomst op de dodenlijst staan.

Verder heeft eiser diverse stukken op 11 februari 2010 aan de rechtbank doen toekomen, waaronder publicaties op internet, op grond waarvan eiser heeft gesteld dat hij als schoonzoon van een van oorlogsmisdaden verdachte politica en tevens als voormalig medewerker van het Rwanda-tribunaal nog immer wordt gezocht door de regering van Kigali (Rwanda) en de procureur-generaal in Rwanda, Martin Ngoga en derhalve niet veilig is in Togo. Togo is bovendien niet aangesloten bij het Vluchtelingenverdrag van Genève. Er bestaat volgens eiser geen enkele waarborg dat de autoriteiten van Togo eiser niet zullen terugsturen naar Rwanda. Togo biedt geen duurzame bescherming tegen serieuze bedreigingen die eiser te vrezen heeft van de autoriteiten van Rwanda. Eiser verzoekt de rechtbank de bestreden beschikking te vernietigen en hem in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alsmede verweerder te veroordelen in de kosten.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel nu hij terug kan keren naar Togo als land van eerder verblijf. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover verweerder aannemelijk te maken.

Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling in een land van eerder verblijf zal worden toegelaten totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden.

Volgens paragraaf C4/3.9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) kan een aanvraag op grond van deze bepaling worden afgewezen, indien:

– de asielzoeker niet rechtstreeks naar Nederland is gekomen en voor zijn komst in een ander land genoegzame bescherming genoot of had kunnen genieten tegen refoulement; en

– hij naar het oordeel van de Minister in dat land verbleef of had kunnen verblijven onder ter plaatse niet als abnormaal aan te merken omstandigheden; en

– gebleken is dat dit land hem zal toelaten totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden.

Een derde land, waar de vreemdeling heeft verbleven, wordt volgens paragraaf C4/3.9.3 van de Vc 2000 aangemerkt als een land van eerder verblijf indien de volgende situaties cumulatief van toepassing zijn:

a. De vreemdeling is vanuit zijn land van herkomst niet rechtstreeks naar Nederland gekomen;

b. Uit objectieve feiten of omstandigheden is gebleken dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had om naar Nederland te reizen; en

c. De vreemdeling verbleef in het derde land of had aldaar kunnen verblijven onder omstandigheden die ter plaatse niet als abnormaal moeten worden aangemerkt.

Met betrekking tot de objectieve feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had om naar Nederland te komen wordt – voor zover van belang – de volgende stelregel gehanteerd dat een verblijf van twee weken of meer in een derde land erop wijst dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had naar Nederland te reizen, tenzij uit objectieve feiten en/of omstandigheden (zoals overgelegde documenten) blijkt dat hij die intentie in het land van herkomst wél had.

Vastgesteld moet worden dat, indien sprake is van een land van eerder verblijf, dit land duurzame bescherming tegen refoulement moet bieden. Als dat het geval is, kan de door de vreemdeling ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden afgewezen.

Van duurzame bescherming kan worden gesproken als één van de volgende gevallen van toepassing is:

a. het land van eerder verblijf is partij bij het Vluchtelingenverdrag én leeft dit verdrag te goeder trouw na;

b. het land van eerder verblijf is géén partij bij het Vluchtelingenverdrag of leeft dit verdrag niet te goeder trouw na, maar de asielzoeker beschikt in het land van eerder verblijf over een geldige verblijfstitel die naar zijn aard duurzame bescherming biedt tegen terugzending, of er is gebleken dat hij een dergelijke verblijfstitel kan verkrijgen.

Hierbij wordt van belang geacht dat een verblijfstitel die naar zijn aard tijdelijk is, over het algemeen onvoldoende bescherming oplevert tegen terugzending, tenzij er vooruitzicht is op verlenging of wijziging van de beperking. Als uit de voorliggende stukken niet aanstonds blijkt of de asielzoeker een verblijfstitel heeft en er is sprake van een langdurig verblijf in het land van eerder verblijf, dient per individueel geval te worden bezien of onderzoek moet plaatsvinden in het land van eerder verblijf.

Voorts geldt als voorwaarde dat de vreemdeling in het land van eerder verblijf geen in rechte onaantastbaar negatieve beslissing heeft gekregen in het kader van een asielprocedure.

Naar aanleiding van eisers stelling dat hij niet terug kan keren naar Togo omdat hij daar gezocht en bedreigd zal worden door Rwandese autoriteiten, en Togo daartegen geen bescherming biedt, heeft verweerder op 7 mei 2007 het Ministerie van Buitenlandse Zaken verzocht nadere informatie hieromtrent te verstrekken. Op 8 augustus 2008 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een individueel ambtsbericht (IAB) met kenmerk DPV/AM-U070515.0100 uitgebracht. Verweerder heeft vervolgens op 14 augustus 2008 een zogeheten REK-check gedaan en is tot de conclusie gekomen dat het IAB qua inhoud en qua procedure zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is, met uitzondering van het antwoord op vraag 3b, dat onvoldoende inzichtelijk is. Vervolgens heeft de minister van Buitenlandse Zaken op 20 augustus 2008 een aanvullend IAB opgesteld met kenmerk DPV/AM-U070515.0100/2.

Op 5 september 2008 heeft verweerder met betrekking tot dit IAB een REK-check gedaan en geconcludeerd dat het IAB qua inhoud en qua procedure zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is. Uit beide voornoemde IAB-en is verweerder gebleken dat eiser niet wordt gezocht door de Rwandese autoriteiten. Daarnaast heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij geen bescherming kan krijgen van de Togolese autoriteiten nu hij geen aangifte heeft gedaan van de door hem gestelde mishandeling en daarmee niet geprobeerd heeft bescherming van de autoriteiten aldaar te verkrijgen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet op de inhoud van voornoemde IAB-en, terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Togo niet veilig is en dientengevolge in aanmerking moet komen voor een verblijfsvergunning asiel. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser met zijn verklaring dat hij in Togo door drie mannen werd ondervraagd en aangevallen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Togo geen bescherming krijgt van de Togolese autoriteiten nu eiser geen aangifte heeft gedaan van deze aanval en daarmee niet gepoogd heeft bescherming van de Togolese autoriteiten te verkrijgen. Ook de door eiser overgelegde stukken van de vriendin van eisers echtgenote en Gakwaya J. Batiste kunnen niet dienen ter staving van eisers vrees voor achtervolging en bedreiging door Rwandese autoriteiten in Togo nu beide stukken afkomstig zijn uit niet-objectief verifieerbare bronnen.

De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juli 2005 (LJN AU 0378).

De door eiser bij brief van 11 februari 2010 overgelegde stukken hebben enkel betrekking op eisers voormalige werk, de positie van zijn schoonmoeder en zijn eigen positie in Rwanda dientengevolge. De stukken zien niet op de (on)mogelijkheid van de Togolese autoriteiten om eiser te beschermen tegen de door hem gestelde bedreigingen vanuit Rwanda en evenmin op het risico van refoulement door de Togolese autoriteiten en kunnen daarom eisers stellingen dienaangaande niet onderbouwen.

De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn stelling dat hij gelet op de lange duur van de procedure mocht vertrouwen op inwilliging van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel, reeds omdat eiser rechtsmiddelen ter beschikking staan ingevolge de Awb om op te komen tegen het uitblijven van een beslissing. Dat eiser zulks heeft nagelaten komt voor zijn rekening en risico en kan niet leiden tot inwilliging van zijn aanvraag.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank tot ongegrondverklaring van het beroep. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslist wordt daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door R.A.M.M. Gijselaers, rechter, in tegenwoordigheid van

A.J.H. Bosgoed, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2010.

w.g. A. Bosgoed w.g. R. Gijselaers

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:7 mei 2010

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 dient het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. In artikel 6:5 van de Awb is onder meer bepaald dat bij het beroepschrift een afschrift van de uitspraak moet worden overgelegd. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 88 van de Vw 2000 juncto artikel 8:81 van de Awb de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.