Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM3374

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-05-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
09/993034-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BV3540, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De 46-jarige verdachte is door de Rechtbank tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld voor mensensmokkel, mensenhandel en het uitbuiten van illegaal in Nederland verblijvende Indonesiërs. Verdachte heeft zijn persoonlijk geldelijk gewin en dat van zijn partner uitdrukkelijk gesteld boven dat van de vrijheid en integriteit van zijn slachtoffers. Hij heeft zich niets gelegen laten liggen aan de omstandigheden waarin hij zijn slachtoffers liet wonen en werken, uitsluitend ten behoeve van zijn eigen verrijking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste vormen van uitbuiting. Daarbij heeft hij een leidende en initiërende rol gehad. De slachtoffers hebben onder mensonterende omstandigheden in de woning van verdachte verbleven. Voorts hebben zij in de vorm van moderne slavernij arbeid moeten verrichten voor verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank komen de ernst van het bewezenverklaarde en de hiervoor door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de officier van justitie gevorderde straf. Het is op deze grond dat de rechtbank een zwaardere straf zal opleggen dan door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank realiseert zich hierbij terdege dat een lange detentie voor verdachte vanwege zijn blindheid extra zwaar zal zijn en houdt daarmee rekening bij de strafbepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/993034-09

Datum uitspraak: 3 mei 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1963,

adres: [a-straat 246], 2571 PJ te 's-Gravenhage,

thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9, 12 en 19 april 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie

mrs. C.E.J. Backer en M.A.W. Mol en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte

mr. I.A. Groenendijk, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 23 oktober 2006 tot en met 28 juli 2009 (telkens) te 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (een) ander(en), (te weten een of meerdere Indonesische onderda(a)n(en),) (waaronder)

- [A.] (G/01) en/of

- [B.] (G/02) en/of

- [C.] (G/03) en/of

- [D.] (G/04) en/of

- [E.] (G/06) en/of

- [F.] (G/07) en/of

- [G.] (G/08) en/of

- [H.] (G/09) en/of

- [I.] (G/10) en/of

- [J.] (G/11) en/of

- [K.] (G/13),

(lid 1 onder 1°)

(telkens) door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of (telkens) door misbruik van de kwetsbare positie van die ander(en), heeft gehuisvest en/of heeft opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die ander(en),

en/of

(lid 1 onder 4°)

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° genoemde middel(en), te weten (telkens) door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of (telkens) door misbruik van de kwetsbare positie van die ander(en), heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten en/of onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die ander(en) zich daardoor beschikbaar stelde(n)/zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten

en/of

(lid 1 onder 6°)

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die ander(en),

waarbij

(lid 1 onder 1°)

dat uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of die kwetsbare positie van die ander(en) hieruit hebben/heeft bestaan dat:

bovengenoemde perso(o)n(en)

- onderda(a)n(en) van Indonesische afkomst waren/was en/of, na betaling van een grote som geld, vanuit Indonesië naar Nederland c.q. Europa waren/was gebracht/begeleid/gekomen, al dan niet onder valse voorwendselen, en/of (daardoor) een (grote) schuld had(den) en/of zonder legale verblijfstitel in Nederland verkeerde(n) en/of

- niet of nauwelijks de Nederlandse en/of Engelse taal sprak(en) en/of onbekend waren/was met de Nederlandse samenleving en/of,

- na aankomst in Nederland, door verdachte en/of een of meerdere van zijn mededader(s) zijn/is opgehaald en/of opgevangen en/of naar het pand [a-straat 246] te

's-Gravenhage, althans een pand van verdachte of een of meerdere van zijn mededader(s), zijn/is gebracht en/of

- verbleven/verbleef bij en/of werkzaamheden verrichtte(n) voor verdachte en/of zijn mededader(s) en/of (daardoor) afhankelijk waren/was van verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

- te weinig verdiende(n) om terugkeer naar Indonesië en/of vertrek naar een andere huisvesting en/of arbeidsplaats mogelijk te maken

en/of

(lid 1 onder 1° en/of 4° en/of 6°)

dat huisvesten en/of opnemen en/of dat bewegen van die perso(o)n(en) zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten en/of die overige handelingen en/of omstandigheden als omschreven in lid 1 onder 1° en/of 4°, en/of dat misbruik en/of

die uitbuiting hieruit hebben/heeft bestaan dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- die perso(o)n(en) tegen betaling (van een bedrag van Euro 125,- of daaromtrent, althans enig geldbedrag, per maand) onderdak/een slaapplaats (bestaande uit een matras) hebben/heeft verschaft (in het pand [a-straat 246] te 's-Gravenhage), terwijl in de ruimte(n) in het pand, waar die perso(o)n(en) verbleven/verbleef en/of sliep(en) sprake was van

* (acuut) brandgevaar en/of

* de (ruime) aanwezigheid van kakkerlakken en/of muizen en/of ander ongedierte en/of

* geen of (te) weinig ventilatie en/of vluchtwegen en/of

* (te) weinig ruimte per persoon (vanwege het huisvesten of onderbrengen van veel personen in het pand) en/of

* (te) hoge temperaturen (mede vanwege het feit dat in (een) aanpalende ruimte(n) in het pand eten(swaren) werd(en) bereid onder hoge temperaturen) en/of

- die perso(o)n(en) (om te kunnen voorzien in hun/zijn/haar eerste levensbehoeften en in de betaling van voornoemd(e) onderdak/slaapplaats) hebben/heeft bewogen, althans aangeboden, om arbeid en/of diensten te verrichten (voor verdachte en/of een of meerdere van zijn mededader(s)) en/of

- die perso(o)n(en) voor de door hen/hem/haar verrichte arbeid en/of diensten, bestaande uit het frituren en/of bakken en/of drogen en/of verpakken van voedingsmiddelen en/of de bereiding van eten(swaren), Euro 25,- of daaromtrent per werkdag, althans (heel) weinig of onvoldoende hebben/heeft betaald, in ieder geval een (aanzienlijk) lager loon hebben/heeft betaald dan verdachte en/of zijn mededader(s) aan legale werknemers had(den) moeten betalen en/of die perso(o)n(en) de opdracht hebben//heeft gegeven gedurende langere tijd (ook 's avonds en/of 's nachts) achter elkaar (gemiddeld minimaal 10 uur per dag) (nagenoeg) zonder (een) pauze(s) te werken (waarbij die perso(o)n(en) geen daglicht zag(en) en/of staand moest(en) werken en/of de werkruimte was afgesloten)

en/of

(lid 1 onder 6°)

dat opzettelijk voordeel trekken uit vooromschreven uitbuiting hieruit heeft bestaan dat verdachte en/of zijn mededader(s) veel lagere loonkosten heeft/hebben gehad dan bij het tewerkstellen van legale werknemers het geval zou zijn geweest en/of die perso(o)n(en) huur hebben/heeft laten afdragen;

art 273f lid 1 ahf/sub 4, 6 Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 3 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 23 oktober 2006 tot en met 28 juli 2009 (telkens) te 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) (een) ander(en), te weten

- [A.] (G/01) en/of

- [B.] (G/02) en/of

- [C.] (G/03) en/of

- [D.] (G/04) en/of

- [E.] (G/06) en/of

- [F.] (G/07)en/of

- [G.] (G/08) en/of

- [H.] (G/09) en/of

- [I.] (G/10) en/of

- [J.] (G/11) en/of

- [K.] (G/13) en/of

- [L.] (G/14),

en/of (een) ander(en),

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of die perso(o)n(en) daartoe (telkens) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers hebben/heeft verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens)

- voor huisvesting van genoemd(e) perso(o)n(en) gezorgd

en/of

- ervoor gezorgd dat die/dat perso(o)n(en) werk en/of inkomsten had(den), althans die/dat perso(o)n(en) arbeid doen verrichten,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf (telkens) wederrechtelijk was,

en/of

van bovenomschreven feit(en) een beroep en/of gewoonte hebben/heeft gemaakt;

art 197a lid 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 23 oktober 2006 tot en met 28 juli 2009 (telkens) te 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) (een) ander(en), te weten

- [A.] (G/01) en/of

- [B.] (G/02) en/of

- [C.] (G/03)

- [D.] (G/04) en/of

- [E.] (G/06) en/of

- [F.] (G/07)en/of

- [G.] (G/08) en/of

- [H.] (G/09) en/of

- [I.] (G/10) en/of

- [J.] (G/11) en/of

- [K.] (G/13) en/of

- [L.] (G/14),

en/of (een) ander(en),

die zich (telkens) wederrechtelijk toegang tot en/of verblijf in Nederland hebben/heeft verschaft, (telkens) krachtens overeenkomst en/of aanstelling arbeid heeft doen verrichten,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat die toegang en/of dat verblijf (telkens) wederrechtelijk waren/was,

en/of

van bovenomschreven feit(en) een beroep en/of gewoonte hebben/heeft gemaakt;

art 197c Wetboek van Strafrecht

art 197b Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 28 juli 2009 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk een bouwwerk heeft gebruikt en/of laten gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a onder 4 en/of artikel 8 lid 8 juncto lid 9 van de Woningwet, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar al dan niet opzettelijk een bouwwerk, te weten de woning aan de [a-straat 246], zijnde deze woning een gebruiksfunctie als bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2003, welke gebruiksfunctie, te weten een woonfunctie voor kamergewijze verhuur, in bijlage 1 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (BBGB) is aangewezen zonder dat sprake is van grenswaarden als bedoeld in artikel 2.2.1. onder 1, b of c van dat besluit, gebruikt of laten gebruiken, terwijl deze woning in strijd met artikel 2.2.1. lid 1 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken geen brandinstallatie had met een omvang van de bewaking en een doormelding zoals aangegeven in bijlage 1 bij het besluit, aangezien deze woning in het geheel geen brandmeldinstallatie(s) had;

art 1a lid 2 en art 2 lid 1 Wet op de Economische Delicten

art 7b lid 2 ahf/ond a Woningwet

4.

hij op of omstreeks 28 juli 2009 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk een bouwwerk heeft gebruikt en/of laten gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a onder 5 van de Woningwet, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar al dan niet opzettelijk in strijd met het verbod gesteld in artikel 7.1.1. van de Bouwverordening van de gemeente Den Haag de woning aan de [a-straat 246] bewoond met en/of toegestaan dat de woning werd bewoond door ongeveer (gemiddeld) 1,43, in ieder geval meer dan één persoon per 14 m 2 gebruiksoppervlakte;

art 1a lid 2 en art 2 lid 1 Wet op de Economische Delicten

art 7b lid 2 ahf/ond a Woningwet

3. Het bewijs

3.1 Korte weergave van het onderzoek (1)

3.1.1 Aanleiding onderzoek, doorzoekingen en illegale bewoners

Op 28 juli 2009 heeft er - naar aanleiding van binnengekomen informatie bij de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid - een doorzoeking plaatsgevonden in de woning aan de [a-straat 246] te 's-Gravenhage (hierna: HC 246) en in het bedrijfspand aan de [a-straat] 250 te 's-Gravenhage (hierna: HC 250). Volgens de gegevens van de GBA staan onder andere [verdachte] en zijn partner, [medeverdachte K.] genaamd, op het adres HC 246 ingeschreven. Volgens de gegevens uit het Kadaster is [verdachte] tevens eigenaar van dat pand.(2)

In het pand HC 250 is een toko, genaamd Toko [A.] gevestigd. Deze toko staat op naam van [partner van verdachte]. Als correspondentieadres staat HC 246 geregistreerd.(3)

Tijdens de doorzoekingen werden in deze panden elf personen aangetroffen die illegaal in Nederland verbleven; acht in het pand HC 246, twee op het dak van het pand HC 246 en één in het pand HC 250. Deze personen waren allen van Indonesische afkomst.(4) Zij bleken te zijn genaamd: [A.], [B.], [C.], [D.], [E.], [F.], [G.], [H.], [M.] (in eerste instantie als getuige gehoord, later als verdachte aangemerkt), [I.] en [J.].(5) Een aantal dagen later heeft een persoon zich vrijwillig bij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdioenst (hierna: SIOD) gemeld met de mededeling dat hij ook bewoner was van het pand aan de HC 246. Deze persoon bleek te zijn genaamd [K.].(6)

Via [K.] heeft zich nog een persoon, genaamd [L.], gemeld bij de SIOD.(7) [L.] heeft echter verklaard dat zij niet in het pand HC 246 of HC 250 heeft verbleven, maar dat zij een verblijfplaats van verdachte huurde in het pand [a-straat] 253 te Den Haag.(8)

3.1.2 Indeling van en situatie in HC 246

De voordeur van het pand HC 246 bevindt zich op de eerste verdieping. Achter de voordeur is een trap aanwezig naar de tweede verdieping. Boven aan de trap op de tweede verdieping bevindt zich een overloop. Aan de linkerkant van deze overloop is een (afsluitbare) deur. Achter deze deur was het woonverblijf van [verdachte], zijn [partner] en hun kinderen. Op deze etage is een woonkamer en twee slaapkamers aanwezig. Tevens was er een ruimte in gebruik als opslagruimte. In deze ruimte lagen circa 25 balen van 20 kg pandanrijst en tientallen dozen met daarin gedroogd rijstkroepoek.

Aan de rechterkant van de overloop op de tweede verdieping bevindt zich een trap naar de derde etage. Op de derde etage bevindt zich een overloop met een keukenblok, een toilet, een badkamer en nog vijf ruimten. Tegen en langs het plafond van de overloop waren provisorisch gas- en elektraleidingen bevestigd. Tevens zaten er diverse gaten in het plafond. Voor de doucheruimte lag een houten vloer die aan het rotten was.

In twee van de vijf ruimten stonden in totaal zes radiatoren naast elkaar geplaatst en de aan- en afvoerleidingen waren op elkaar aangesloten. Op de verwarmingselementen stonden op elkaar gestapelde roosters waarop zogenaamde brongbrong (rijstkroepoek) aan het drogen was. In deze ruimten was het extreem warm. De radiatoren stonden vol open. In deze ruimten stonden ook dozen gevuld met rijstkroepoek.

In een van de ruimten stond een verlaagde tafel met afgedopte gasleidingen en daarnaast een klein keukenblok. Boven deze tafel hing een afzuigkap, waarvan de afvoerpijp door het dak voerde. Zowel de afzuigkap als de afvoerpijp zat vol met vetaanslag. Uit onderzoek is gebleken dat in deze ruimte tot een aantal weken voor de doorzoeking de rijstkroepoek werd bereid. Recent is de productie verplaatst naar het pand HC 250.

In een andere ruimte op de derde verdieping lagen op de grond vier éénpersoonsmatrassen. In de kamer lagen of hingen kleding her en der verspreid. Op een ladekast stond een tv en in deze ladekast werden voedingsmiddelen aangetroffen.

In een andere kamer stond een halfhoog éénpersoonsbed en een tafel met daarop een tv en een waterkoker. Kledingstukken lagen en hingen aan het bed. Onder het bed stonden diverse dozen en een plastic ton.

Tijdens de doorzoeking was de laatste kamer op de derde verdieping afgesloten. Na de deur van deze kamer te hebben geforceerd, werd er in deze ruimte een opgemaakt tweepersoonsbed, een tv, een stereo, een airco, een koelkast en een ladekast aangetroffen. Deze kamer gaf een relatief verzorgde indruk.

Vanaf de derde etage voert een zelf gefabriceerde steile ladderachtige trap naar de vierde verdieping (de zolder). De zolder bevat een overloop en drie ruimten. Op de overloop lagen of hingen overal kledingstukken en waren schimmelplekken zichtbaar. In de drie ruimten waren geen dakraam of iets dergelijks aanwezig, waardoor daglicht of frisse lucht naar binnen kon komen. In deze drie ruimten lagen in totaal negen eenpersoonsmatrassen en een tweepersoonsmatras op de grond. Op de grond lagen kledingstukken, limonadeflessen, etenswaren en diverse persoonlijke eigendommen. In een van de kamers was een tv aanwezig.

Op met name de derde en de vierde etage was er sprake van een hoge (gevoels)temperatuur en was het ongedierte in groten getale aanwezig. Op de vloer en/of over de muren van de derde en de vierde etage liepen kakkerlakken. Wanneer in een willekeurige ruimte op deze etages voorwerpen of kledingstukken werden opgepakt, renden meerdere kakkerlakken daaronder vandaan.(9)

Op de derde en vierde etage lagen in kleinte ruimten matrassen op de grond. In deze ruimten liep overal ongedierte.(10)

3.1.3 Onderzoek HC 246 door de Dienst Stedelijke Ontwikkeling (DSO)

Door medewerkers van de gemeente Den Haag, Dienst Stedelijke Ontwikkeling, is geconcludeerd dat deze woning werd gebruikt voor kamergewijze verhuur. Derhalve diende deze woning te voldoen aan de brandveiligheidseisen als gesteld in het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken. Volgens dit besluit diende in het pand HC 246 een brandmeldinstallatie aanwezig te zijn. In deze woning was echter geen brandmeldinstallatie aanwezig.

Voorts dient op grond van de Bouwverordening van de gemeente Den Haag per bewoner 14m² gebruikersoppervlakte aanwezig te zijn. Het pand HC 246 te Den Haag is 156m² groot. Op 28 juli 2009 verbleven 16 personen in het pand aan de HC 246. Gemiddeld was er derhalve 9,75m² gebruikersoppervlakte per persoon beschikbaar. Hiermee is sprake van overbewoning van het pand.(11)

3.1.4 Indeling van en aangetroffen situatie in HC 250

Achter de voordeur van dit bedrijfspand is de winkelruimte in aanbouw gelegen. De verbouwing van de winkel was kennelijk nog niet afgerond. In deze ruimte stonden meerdere lege bananendozen en dozen gevuld met rijstkroepoek. Ook lagen er zakken met verpakte kroepoek/chips. Achter de winkel bevindt zich een keuken. In deze keuken stonden drie grote wokpannen opgesteld. In de keuken werden ook dozen met verpakte kroepoek/chips aangetroffen. Voor in de winkel is een trap aanwezig. Via deze trap kon men in de kelder komen. De kelder is in het geheel niet voorzien van ramen. Daardoor kon er geen daglicht binnenkomen. In deze ruimte werden verpakkingsmaterialen aangetroffen en ook dozen met verpakte bananenchips. Verder stond er een aantal kleine dozen met andere etenswaren.(12)

3.1.5 Verklaringen van getuigen

De hierboven in paragaaf 3.1.1. genoemde Indonesische illegalen zijn allen gehoord door de vreemdelingenpolitie en de SIOD. Een aantal van hen is tevens gehoord door de rechter-commissaris. Hun verklaringen komen in de kern neer op het navolgende.(13)

In Indonesië zijn de getuigen, al dan niet via kennissen, in contact gekomen met een reisagent. Deze agent fungeerde als tussenpersoon voor het regelen van een reis naar en werk in een land in Europa. De getuigen moesten hiervoor een grote som geld betalen, gemiddeld een bedrag tussen de 40 en 55 miljoen roepia (rechtbank: dit komt neer op een bedrag tussen ongeveer € 2.800,- en € 3.850,-). Soms moest bovendien na aankomst in Nederland worden betaald voor het krijgen van werk. Verscheidene getuigen hebben verklaard dat zij in Indonesië een gemiddeld maandinkomen hadden van rond de € 250,-. De getuigen hebben het geld veelal moeten lenen van familieleden of leningen moeten afsluiten bij banken om het bedrag aan de agent te kunnen betalen. Sommigen hebben zelfs hun huis of andere bezittingen in Indonesië, zoals grond, moeten verkopen. Voor dat bedrag zou de agent een visum, een vliegticket en werk regelen voor een land in Europa. Het visum bleek een toeristenvisum te zijn, waarmee de getuigen voor een korte periode in een land in Europa (vaak een ander land dan het land waar zij zouden gaan werken) als toerist mochten blijven. De agent vertelde hen dat zij in een (schoenen- of broodjes)fabriek of winkel of restaurant zouden gaan werken, waarbij zij ongeveer 10 à 15 miljoen roepia (rechtbank: € 700,- à 1.050,-) per maand zouden gaan verdienen. Tevens zou er een woning in een appartement geregeld zijn voor hen, waarvoor zij bij aankomst gelijk de huur moesten betalen. Daarvoor hadden zij zakgeld van de agent meegekregen. Sommige getuigen hadden zelf ook zakgeld meegenomen. Het zakgeld bedroeg in de meeste gevallen niet meer dan een paar honderd euro.

Enkele getuigen kregen van de agent te horen dat zij niet naar Nederland zouden gaan om te werken, maar naar een land elders in Europa, zoals Spanje, Griekenland of Portugal. Pas bij aankomst in dat desbetreffende land of in een ander tussenstation in Europa werd aan hen verteld dat zij naar Nederland moesten gaan, omdat in het land waar zij in eerste instantie naartoe zouden gaan geen werk was. De getuigen kregen dan de opdracht om naar Station Hollands Spoor te Den Haag te gaan en moesten op eigen kosten de treinreis naar Nederland betalen. Aangekomen in Den Haag werden zij opgehaald door een persoon die contact had met de agent. De getuigen [A.](14), [E.] (15), [F.] (16), [H.] (17), [I.] (18) en [K.] (19) hebben verklaard dat die persoon verdachte [M.] was. De getuigen [B.], [G.] (20) en [J.] (21) werden opgehaald door [N.] en/of voor korte tijd bij haar ondergebracht.

[F.] en [H.] hebben verklaard dat [M.] hiervoor geld heeft ontvangen.

[H.] heeft verklaard dat [M.] € 500,- voor het ophalen van hem vroeg. [H.] heeft uiteindelijk maar € 300,- betaald omdat hij niet meer geld had. Ook [E.] heeft verklaard dat [M.] voor het ophalen van mensen geld heeft ontvangen. Zij heeft tevens verklaard dat zij naar een andere pand van [verdachte] is geweest, te weten HC 253. Daar verbleef een vriendin van haar genaamd [L.]. Zij huurde in dat pand een kamer van [verdachte].

De getuigen werden door degenen die hen ophaalden gebracht naar het pand HC 246. Daar werden zij voorgesteld aan [verdachte]. [verdachte] wist dat de getuigen illegaal in Nederland verbleven en dat zij niet mochten gaan werken in Nederland. De getuigen moesten aan [verdachte] direct € 125,- huur voor de eerste maand en € 25,- sleutelgeld betalen. Voor dat bedrag konden zij een slaapplaats huren, die bestond uit slechts een matras op de grond. Zij moesten zelf een laken, een deken of een kussen aanschaffen. De getuigen hebben verklaard dat zij de woonomstandigheden zeer slecht vonden. Zij sliepen met meerdere personen in een kleine ruimte op matrassen op de grond. Het was in hun slaapruimten zeer warm en er was veel ongedierte, zoals kakkerlakken en muizen (22), aanwezig. Voorts was er maar één toilet en één badkamer in de woning. Er hebben diverse illegale mensen in de woning verbleven, die na een aantal maanden weer waren vertrokken. [M.] was degene die het langst in de woning verbleef.

De getuigen hebben ook verklaard dat zij werk voor [verdachte] verrichtten. Het werk bestond uit het koken, frituren en inpakken van rijstkroepoek en bananenchips. Dit werd in eerste instantie in HC 246 gedaan. Later werd het werk verplaatst naar het pand HC 250.

De getuigen werkten gemiddeld 1 tot 4 dagen per week. Een werkdag duurde gemiddeld 10 à 15 uur en het werk moest doorgaans staand gedaan worden. Soms moesten de getuigen de hele nacht door werken. Er was slechts éénmaal een korte eetpauze. Het eten werd dan telkens gebracht door [partner van verdachte]. De getuigen kregen slechts te eten wanneer zij werkten. Voor de overige maaltijden moesten zij zelf zorgen. Ongeacht de duur van de werkdag bedroeg het salaris € 25,- per dag. Het salaris werd betaald door [verdachte]. Af en toe werd het salaris betaald door [M.].

[verdachte] bepaalde wie van de bewoners van het pand mochten gaan werken. Soms werden zij door [M.] gevraagd om te werken. De getuigen werden af en toe ook door [verdachte] gevraagd om elders te werken voor andere personen. Daar moesten zij ook lange werkdagen maken voor € 25,- per dag.

Drie getuigen vergeleken de situatie waarin zij moesten werken met slavernij. (23)

Volgens getuige [E.] kookte [partner van verdachte] ook rijst voor de productie van de rijstkroepoek. (24) [F.] heeft verklaard dat [partner van verdachte] wel eens overlegde met [M.] over hoe het werk ging. (25)

Volgens enkele getuigen was [M.] de vertrouweling van [verdachte]. Hij overlegde veel met [M.]. [M.] verdeelde af en toe ook het werk. Hij was een soort "mandor", een meewerkend voorman c.q. toezichthouder. Ook had hij een eigen kamer in de woning.

Voorts hebben de getuigen verklaard dat zij vrij waren om elders te gaan wonen en werken. Zij waren echter bang, aangezien zij illegaal in Nederland verbleven, de taal niet spraken en niemand kenden in Nederland. Ook konden zij niet ergens anders verblijven, omdat zij geen

geld hadden. Een slaapplaats elders was veel duurder dan in de woning van [verdachte]. De getuigen hebben tevens aangegeven dat zij bang waren om tegen [verdachte] te klagen over de slechte werk- en woonomstandigheden, omdat zij anders geen werk zouden krijgen van [verdachte] of door hem zouden worden weggestuurd.

3.1.6 Verklaringen van [verdachte]

[verdachte] heeft verklaard dat hij de woning aan de HC 246 in 2006 heeft gekocht (26) van een kennis van hem, genaamd [O.]. Het pand HC 250 huurden hij en zijn [partner] sinds twee maanden van zijn buurman. Het idee was om samen met [partner van verdachte] een toko te beginnen in dat pand. Zij voeren ook samen de werkzaamheden uit voor het pand. [partner van verdachte] kookte de rijst en maakte het deeg. (27) [verdachte] deed sjouwwerkzaamheden. In het pand HC 246 werden er rijstkroepoek en maïzenakoekjes gemaakt. In het pand HC 250 werden gebakken aardappelen en banenchips gemaakt.

[verdachte] heeft bekend dat hij onderdak heeft geboden aan de aangetroffen personen in de panden HC 246 en 250 die allen illegaal in Nederland verbleven. Deze mensen hebben hem op de man af verteld dat zij illegaal waren. Dit wist hij van meet af aan. Voor het verblijf in zijn woning moesten de illegalen € 125,- per maand en € 25 sleutelgeld betalen. Ook heeft hij deze mensen voor hem laten werken in de panden HC 246 en 250. De illegalen maakten werkdagen van rond de 10 uren. De werkzaamheden bestonden uit het maken van de rijstkroepoek en de bananenchips. De illegalen werkten niet allemaal tegelijk en elke dag, maar ieder werkte een aantal dagen per week. De inpakkers kregen € 25,- per dag en de bakkers kregen € 30,- per dag. [verdachte] heeft voorts verklaard dat de vorige eigenaar ook al bezig was met de opvang van illegalen. Hij heeft dit eigenlijk overgenomen van hem. De mensen bleven gemiddeld tussen de twee en de drie maanden in het huis. Voorts heeft [verdachte] verklaard dat hij toezicht hield en bepaalde wat er gebeurde. Ook was hij degene die in de gaten hield wie er wel en niet snel werkten en degene die de lonen uitbetaalde. (28) Toen hij de woning kocht, waren er 37 illegale Indonesiërs in de woning. Het waren er teveel, dus heeft hij 11 illegalen het huis uitgezet. Na de verbouwing is hij met zijn gezin en de overgebleven 26 illegalen in de woning gaan wonen.(29)

De illegalen kwamen doorgaans bij hem terecht via een vrouw genaamd [N.] en via [M.]. [N.] of [M.] vroegen dan eerst aan hem of hij ruimte had voor een aantal personen. [N.] heeft ook [M.] bij verdachte geïntroduceerd. Als er mensen weggingen uit de woning, werd hun plek weer opgevuld door andere illegalen.

Ten tijde van de inval door de SIOD verbleven er 17 illegalen in het pand HC 246. [verdachte] heeft verklaard dat [partner van verdachte] niet graag boven kwam, dat zij de illegalen en hun slaapplaatsen vies vond. Daarom heeft zij er op aangedrongen dat voor het gezin een aparte afgesloten woonruimte werd gemaakt. Ook heeft hij verklaard dat hij de illegalen zo weinig betaalde, omdat hij anders geen winstmarge meer overhield. Als hij het minimumloon zou betalen zou er geen winst overblijven. Voorts was hij op de hoogte van het feit dat de illegalen een groot bedrag hadden betaald om de reis naar Europa te maken en dat zij daarom grote schulden hadden gemaakt in Indonesië. Zij moesten wel blijven om geld te verdienen.

[verdachte] heeft aangegeven dat hij zich ervan bewust was dat de illegalen een zeer kwetsbare positie hadden en dat zij afhankelijk van hem waren voor hun inkomsten en huisvesting. De mensen konden nergens naartoe en hadden in hun eigen land grote schulden. (30) De situatie waarin de illegalen leefden was volgens [verdachte] mensonterend. (31)

Bij zijn verhoor door de rechter-commissaris in het kader van de inbewaringstelling heeft [verdachte] nogmaals bevestigd dat er al andere Indonesiërs in het pand HC 246 verbleven toen hij daar kwam wonen. Voorts heeft hij gepersisteerd in zijn verklaring bij de SIOD. (32)

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 9 april 2010 ontkende [verdachte] dat er al illegale Indonesiërs in het pand HC 246 aanwezig waren toen hij daar kwam wonen. [verdachte] heeft bekend dat er 35 illegalen in de woning waren toen hij de woning kocht, maar bij het passeren van de akte moest de woning leeg opgeleverd worden. De illegalen waren echter vertrokken toen hij de woning geleverd kreeg. Hij heeft dus geen illegalen overgenomen van de vorige eigenaar. Volgens hem is hij pas in december 2008 begonnen met het verhuren van slaapplaatsen aan illegale Indonesiërs, omdat hij financieel krap zat en omdat de illegalen hem smeekten om hulp. Uit medelijden heeft [verdachte] aan hen slaapplaatsen verhuurd en werk aangeboden.

[verdachte] heeft voorts verklaard dat geen brandmeldinstallatie aanwezig was in het pand HC 246, dat er teveel mensen in het pand verbleven en dat het pand vies was.

3.1.7 Verklaringen van [medeverdachte K.]

[partner van verdachte] heeft verklaard dat zij en haar partner [verdachte] diverse illegale Indonesiërs in huis hebben opgenomen. Voorts hebben deze mensen in wisselende samenstelling voor hen gewerkt. Met behulp van deze mensen werden per dag twee tot drie zakken rijst van 20 kg verwerkt tot rijstkroepoek. (33) Ook maakten zij bananenchips. Voor het verblijf in HC 246 moesten de illegalen huur betalen. [partner van verdachte] heeft aangegeven dat de verblijfplaatsen van de illegalen zo triest waren dat zij daar zelf niet zou willen verblijven.Voorts heeft zij verklaard dat de illegalen voor een hele dag werken € 25 tot € 30 werd betaald en dat er wel werkdagen van 12 à 13 uur waren.(34) Verder moesten de illegalen voor de huur van een matras € 100 of € 125 per maand betalen.(35)

De reden voor [partner van verdachte] en [verdachte] om dit te doen was om meer geld te verdienen. Zij konden niet van de ziekte-uitkering van [verdachte] leven. Voorts was het voor [partner van verdachte] op die manier mogelijk een toko te beginnen. Als zij legaal personeel moesten inhuren, konden zij het niet betalen. [partner van verdachte] wilde per se een toko beginnen om onafhankelijk te worden van [verdachte], omdat hij in de toekomst blind zal worden en zij de kost zal moeten gaan verdienen. Volgens haar waren de illegalen onder deze slechte woon- en werkomstandigheden in hun huis gebleven, omdat zij niet anders konden. Legale mensen zouden het werk niet hebben gedaan, aldus [partner van verdachte]. (36)

Toen aan [partner van verdachte] de foto's van de aangetroffen illegalen in de woning aan de HC246 en HC 250 werden getoond, herkende zij alle personen, met uitzondering van [D.]. Over [D.] heeft zij verklaard dat zij hem niet heeft herkend, omdat hij waarschijnlijk net nieuw in de woning was gekomen. Bij de overige foto's heeft [partner van verdachte] verklaard hoe lang de betreffende personen al in de woning verbleven, hoe vaak zij hebben gewerkt voor haar en voor [verdachte] en wat voor werk zij deden. [partner van verdachte] heeft hieromtrent over de getuigen verklaard dat zij deze personen "voor ons" werkten. Over [E.] en [A.] heeft zij verklaard dat deze twee vrouwen van het station werden opgehaald door [M.].(37)

[partner van verdachte] heeft voorts verklaard dat er al illegalen in de woning aanwezig waren sinds zij daar kwam wonen in 2007. Er woonden toen al heel veel illegale vreemdelingen in het huis en [verdachte] heeft het aantal illegalen in de loop der jaren naar beneden bijgesteld.

Op een vraag van de verbalisant wat zij van de woon- en werkomstandigheden van deze illegalen vond, antwoordde [partner van verdachte] (de rechtbank citeert): "Ik vind het slecht. Ik vind het onverantwoordelijk dat de bakkers 12 uur achter elkaar staand achter de pannen met zonnebloemolie moesten werken. Ook de hitte die van de Wadjan afkomt, is heel erg als je er uren achter moet staan. Het was er bloedheet.

Ook weet ik eigenlijk wel dat de omstandigheden waarin wij de producten maakten onverantwoordelijk was. Ik wist dat het ongedierte en kakkerlakken in grote hoeveelheden daar aanwezig waren De omstandigheden waarin iedereen moest werken was eigenlijk heel slecht.

Ook de omstandigheden waarin de illegale vreemdelingen moesten leven was heel slecht. Het waren kleine kamertjes met meer mensen op een kamertje, het was er warm en het wemelde van de kakkerlakken en ongedierte.(...) Ik zou in die situatie niet kunnen leven." (38)

Voorts heeft zij op een vraag van de verbalisant waarom de mensen niet genoeg geld verdienden om weg te kunnen geantwoord (de rechtbank citeert): "Wij willen veel mensen kort laten werken en niet minder mensen langer laten werken. Op deze wijze hebben wij veel meer inkomen uit de verhuur en kunnen mensen niet sparen om bij ons weg te gaan." (39)

Deze constructie was door [verdachte] bedacht. [partner van verdachte] heeft verklaard dat de illegalen in het huis waren gebleven, omdat zij geen keus en geen geld hadden. Zij hadden niet voldoende geld om zelfstandig bij hun weg te komen. (40)

Over [M.] heeft zij verklaard dat hij contact had met agenten in Indonesië en dat hij woonruimte bij verdachte regelde voor de illegalen uit Indonesië (.41)

[partner van verdachte] heeft voorts verklaard dat zij van [verdachte] heeft gehoord dat een persoon genaamd [N.] ook mensen naar hem toe heeft gebracht. (42)

Op 1 april 2010 is [partner van verdachte] door de rechter-commissaris gehoord als getuige. Tijdens dit verhoor is zij teruggekomen op haar eerder afgelegde verklaringen bij de SIOD. Volgens [partner van verdachte] heeft de SIOD - zakelijk weergegeven - haar onder druk gezet, woorden in haar mond gelegd en dingen opgeschreven die zij niet heeft gezegd.

Zij heeft voorts bij de rechter-commissaris verklaard dat zij een paar keer in de week de rijst voor de rijstkroepoek kookte.(43)

Ter terechtzitting heeft [partner van verdachte] als getuige gepersisteerd in haar verklaring dat de SIOD haar tijdens haar verhoren onder druk heeft gezet, haar woorden in de mond heeft gelegd en passages heeft opgenomen in de processen-verbaal die zij in het geheel niet heeft uitgesproken. Dit één en ander is echter niet gebeurd, zo heeft zij uitdrukkelijk verklaard, tijdens het verhoor van 30 juli 2009, omstreeks 11.15 uur.(44)

3.1.8 Verklaringen van [M.]

[M.] heeft verklaard dat hij sinds december 2008 (45) in Nederland verblijft. Net als de andere illegale Indonesiërs aangetroffen in de woning aan de HC 246 en HC 250, is ook hij na betaling van een groot bedrag aan een agent vanuit Indonesië via Madrid en Parijs in Den Haag terechtgekomen. Om de reis te bekostigen heeft hij zijn huis in Indonesië moeten verkopen. In Den Haag werd hij opgehaald door een vrouw genaamd [N.] en zij heeft hem gebracht naar de woning aan de HC 246. (46) Omdat hij het langst in de woning verbleef, heeft hij na verloop van tijd een eigen kamer gekregen. Hij betaalde daarvoor ook € 125,-. Voorts werkte hij zeven dagen in de week voor € 30,- per dag. Zijn werk bestond uit het maken van droge rijst. Het salaris werd betaald door [verdachte]. Zijn verdiende geld maakte hij over naar zijn vrouw en kinderen in Indonesië. In totaal heeft hij € 3.500,- (15 miljoen roepia) overgemaakt naar zijn vrouw en kinderen. (47)

Tevens heeft hij een aantal malen mensen uit Indonesië die illegaal in Nederland waren, geholpen door hen op te halen op het station en aan hen onderdak te verschaffen. Dit waren [A.], [E.], [F.], [H.], [I.] en [K.]. Hij haalde hen op op verzoek van een agent, genaamd [agent P.], in Indonesië en bracht hen naar HC 246. [M.] vroeg eerst aan [verdachte] of er plek was in het pand. Voor het ophalen van de mensen heeft hij geen geld ontvangen. Hij heeft van [H.] wel € 300,- gekregen, maar dat geld heeft hij - in opdracht van [verdachte] - aan hem teruggegeven. [H.] had van zijn agent de opdracht gegeven om dat bedrag aan de persoon te geven die hem kwam ophalen.(48)

[M.] ontkent een soort toezichthouder in het pand te zijn geweest. Hij bekent wel dat hij een keer op verzoek van [verdachte] salaris heeft uitbetaald aan getuige [K.]. (49)

[M.] is ter terechtzitting als getuige gehoord. Hij heeft gepersisteerd bij hetgeen hij tegenover de SIOD heeft verklaard. Voorts heeft hij verklaard dat hij wel eens op verzoek van [verdachte] aan de bewoners van het huis heeft gevraagd wie er wilde werken. Het ophalen van mensen van het station deed hij vanaf maart 2009. Toen hij voor het eerst in het pand HC 246 kwam, verbleven er 7 illegalen in het pand, waaronder een echtpaar die in de afgesloten, redelijk nette kamer verbleef. In eerste instantie sliep hij met meer personen op een kamer, maar sinds mei 2009 kreeg hij een eigen kamer, zodat [verdachte] hem kon wekken om te werken zonder de overige bewoners te storen. (50)

3.1.9 Verklaringen van [N.]

[N.] heeft verklaard dat zij na aankomst van [M.] in Den Haag door hem werd gebeld en dat zij [M.] toen heeft opgehaald op Station Hollands Spoor. [M.] zou in eerste instantie door een kennis van [N.] opgehaald worden, maar die kennis was verhinderd en had aan [M.] het telefoonnummer van [N.] gegeven. [N.] heeft vervolgens [M.] opgehaald en naar haar huis gebracht. [M.] heeft een nacht bij haar geslapen. Na die dag heeft [N.] gebeld met [verdachte] om te vragen of hij plek had voor [M.]. [verdachte] zei dat hij plek had en [N.] heeft [M.] naar [verdachte] gebracht. [N.] wist dat [verdachte] kamers verhuurde aan illegale Indonesiërs.

Tijdens haar verhoor werden aan [N.] foto's getoond van de illegale Indonesiërs die in de woning HC 246 werden aangetroffen. Zij herkende de foto van [G.]. [G.] werd door een persoon, genaamd [Q.], opgehaald en naar haar woning gebracht. Hij is daar vervolgens door [verdachte] opgehaald en meegenomen naar de woning HC 246.

Over [B.] en [J.] heeft zij verklaard dat zij ook door [Q.] bij haar thuis zijn gebracht. Zij heeft [B.] vervolgens ondergebracht bij [verdachte] in de woning HC 246. [J.] is door [Q.] zelf naar HC 246 gebracht. Zij heeft voor het opvangen en/of brengen van de mensen naar de woning HC 246 nooit geld ontvangen. Zij heeft van [verdachte] wel geld, sieraden en een reis naar Indonesië gekregen.(51)

[N.] heeft verklaard dat [M.] ook mensen naar de woning van [verdachte] heeft gebracht, waaronder [I.], [R.], [F.], twee Chinese vrouwen en een man. Zij herkende de getuigen [E.], [H.], [A.], [F.] en [H.] als de personen die door [M.] naar de woning HC 246 zijn gebracht.(52) Voor ieder binnengebrachte persoon ontving [M.] van de agenten uit Indonesië 5.000.000 roepia. [N.] heeft voorts verklaard dat er in de woning HC 246 15 illegale Indonesiërs verbleven. De huurprijs was rond de € 100,-. Volgens [N.] waren de kamers te slecht om te verhuren en daarom was de prijs zo laag. Er waren geen ramen en het stonk er enorm, omdat er gebakken werd. Het was erg warm in het huis. Er werd gewerkt en geslapen op dezelfde verdieping. Er waren ratten en kakkerlakken aanwezig. Volgens [N.] konden de mensen niet weg, omdat zij illegaal waren. Zij waren afhankelijk van [verdachte].(53)

Volgens [N.] buitte [verdachte] de mensen vreselijk uit door ze € 25,- per dag te betalen voor het werk. Zij wist van de woon- en werkomstandigheden af in de woning van [verdachte], maar desondanks heeft zij mensen naar die woning gebracht om die mensen te helpen, omdat zij nergens naartoe konden. Zij geeft toe dat zij hiermee [verdachte] heeft geholpen met het uitbuiten van de mensen. (54)

3.2 Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben - zoals verwoord in het schriftelijk requisitoir - gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van alle hem in feit 1 ten laste gelegde varianten van mensenhandel, medeplegen van het gewoonte maken van mensensmokkel (feit 2 primair), alsmede de hem onder 3 en 4 ten laste gelegde economische delicten.

Ten aanzien van feit 1 gaat het om de periode vanaf 28 november 2008, de datum waarop [M.] zijn intrek nam in HC 246, tot aan de dag van de aanhouding van verdachte op 28 juli 2009. Ten aanzien van feit 2 betreft het de periode vanaf 26 oktober 2006, de dag dat verdachte eigenaar werd van het huis HC 246, tot zijn aanhouding.

De officieren van justitie stoelen hun conclusies ten aanzien van het bewijs van deze feiten op de bovenvermelde processen-verbaal betreffende de op 28 juli 2009 aangetroffen situatie in HC 246, de verklaringen van de illegale bewoners van dit pand, alsmede de verklaringen van verdachte en die van [partner van verdachte], [M.] en [N.].

3.3 Het standpunt van de verdediging

3.3.1 De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat de verklaringen van de partner van verdachte ([medeverdachte K.]) bij de SIOD dienen te worden uitgesloten van het bewijs, dan wel dat haar verklaringen met grote behoedzaamheid dient te worden gebruikt. Volgens de raadsvrouw heeft [partner van verdachte] haar verklaringen op essentiële punten niet begrepen en zijn haar antwoorden grotendeels "gestuurd" door de verhorende verbalisanten, waarmee die verklaringen onbetrouwbaar zijn.

De raadsvrouw heeft ter onderbouwing hiervan gewezen op een uitspraak van SIOD-directeur [directeur SIOD] in de media, waarin deze heeft gezegd: "Zij werkten zo weinig omdat zij afhankelijk moesten blijven van de personen n die zij in Nederland hadden gehaald". Deze uitspraak is blijkens een bericht van RTL4 gedaan op 4 juli 2009, dus ruimschoots voor het verhoor van [partner van verdachte] en hieruit blijkt, aldus de raadsvrouw, dat de soortgelijke passage in de processen-verbaal van verhoor van [partner van verdachte] uit de hoge hoed van de SIOD komt.

3.3.2 Ook dienen volgens de raadsvrouw de verklaringen van [verdachte] bij de SIOD uitgesloten te worden van het bewijs, nu verdachte niet in de gelegenheid is geweest om de inhoud van de processen-verbaal van zijn verhoren te lezen en op juistheid te controleren, waarmee aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen eveneens moet worden getwijfeld.

3.3.3 Met betrekking tot feit 1 heeft de raadsvrouw voorts aangevoerd dat er geen sprake was van uitbuiting. De raadsvrouw betwist dat er sprake was van een afhankelijkheidssituatie en dat de illegalen een kwetsbare positie hadden. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

3.3.4 Ten aanzien van de feiten onder 1 en 2 heeft de raadsvrouw voorts (deels subsidiair) aangevoerd dat slechts een kortere periode kan worden bewezenverklaard, te weten van december 2008 tot en met juli 2009. Naar de mening van de raadsvrouw is er in het dossier onvoldoende bewijs aanwezig dat verdachte vanaf het moment dat hij de woning aan de [a-straat 246] in zijn bezit kreeg, al bezig was met het huisvesten, laat staat het uitbuiten van illegalen in die woning.

3.3.5 De raadsvrouw heeft met betrekking tot de feiten 3 en 4 geen bewijsverweer gevoerd.

3.4 Het standpunt van de officieren van justitie met betrekking tot de bruikbaarheid van de door [verdachte] en [partner van verdachte] bij de SIOD afgelegde verklaringen

3.4.1 De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting afgelegde verklaringen van [partner van verdachte] niet geloofwaardig zijn. Zij hebben daartoe aangevoerd dat [partner van verdachte] bij de SIOD gedetailleerd heeft verklaard, dat de verhoren niet onder druk hebben plaatsgevonden, dat [partner van verdachte] tussen de verhoren met haar advocaat heeft kunnen overleggen, dat [partner van verdachte] voorafgaand aan ieder verhoor is gevraagd of zij iets had toe te voegen of op te merken over dat wat zij tot dan toe had verklaard en dat [partner van verdachte] aan het eind van ieder verhoor in de gelegenheid is gesteld om aan te vullen. De officieren van justitie hebben er voorts op gewezen dat [partner van verdachte] heeft verklaard over feiten en omstandigheden die op dat moment nog niet bij de SIOD bekend waren, zodat de SIOD daarover niets kon verzinnen of [partner van verdachte] in de mond kon leggen. Ten slotte hebben de officieren van justitie gesteld dat de verklaring van [partner van verdachte] dat zij, anders dan zij bij de SIOD heeft verklaard, niet wist dat er illegalen in haar huis woonden en dat zij niets te maken had met de werkzaamheden die werden verricht, gelet op de situatie zoals die in het pand is aangetroffen, ongeloofwaardig is.

3.4.2 Met betrekking tot de verklaringen van [verdachte] bij de SIOD hebben de officieren van justitie verwezen naar het Proces-verbaal bevindingen vragen advocatuur tbv verdachte [verdachte] (AMB/032), waarin de verbalisanten hebben aangegeven dat alle vragen aan en antwoorden van verdachte aan hem tenminste tweemaal woordelijk zijn voorgelezen, voordat het proces-verbaal werd gesloten en door verdachte werd ondertekend.

3.4.3 De officieren van justitie zijn derhalve van mening dat de verklaringen, welke door [verdachte] en [partner van verdachte] zijn afgelegd tegenover de SIOD, betrouwbaar zijn en voor het bewijs mogen worden gebruikt.

3.5 Het oordeel van de rechtbank

3.5.1 Verweer bewijsuitsluiting verklaringen van [partner van verdachte] bij de SIOD

3.5.1.1 De verklaringen van [partner van verdachte]

[partner van verdachte] is na haar aanhouding op 28 juli 2009 door de SIOD gehoord. Zij heeft toen aangegeven dat zij gebruik wenste te maken van het recht om voorafgaande aan haar verhoor een onderhoud te hebben met een raadsman.55 Vervolgens is [partner van verdachte] op 29 juli, 30 juli, 6 augustus, 12 augustus en 29 oktober 2009 door de SIOD gehoord. In de verhoren op 29 en 30 juli 2009 heeft [partner van verdachte] verklaard over de woon- en werkomstandigheden in de panden aan de [a-straat 246] en 250. [partner van verdachte] heeft aan het begin van de verhoren van 29 juli en 30 juli 2009 verklaard dat zij niets heeft toe te voegen aan de eerder afgelegde verklaringen. Tijdens het verhoor van 29 juli 2009, 16.15 uur is [partner van verdachte] door de verbalisanten geconfronteerd met de eerder door haar afgelegde verklaringen en heeft zij verklaard dat die verklaringen juist zijn.

Voorts is [partner van verdachte] op 31 juli 2009 gehoord door de rechter-commissaris. Tijdens dat verhoor heeft zij verklaard dat zij tegenover de politie (de rechtbank leest: de rechercheurs van de SIOD) had kunnen zeggen wat zij wilde en dat wat zij gezegd had de waarheid was. Verdachte heeft voorts verklaard dat de samenvatting zoals opgenomen in haar verklaring van 29 juli, 16.15 uur juist is.(56)

Tijdens de verhoren van 6 augustus 200957 en 29 oktober 200958 heeft de SIOD steeds gevraagd of [partner van verdachte] nog iets had toe te voegen aan haar eerdere verklaringen. Op 6 augustus 2009 heeft zij afstand genomen van haar eerdere verklaringen dat zij aan de in haar woning woonachtige illegalen opdrachten zou hebben gegeven. Op 29 oktober 2009 heeft zij gezegd dat zij niets had toe te voegen aan haar eerdere verklaringen. Op 6 augustus 2009 heeft zij overigens ook verklaard dat alles wat zij eerder had verklaard aan haar destijds was voorgelezen en door haar was doorgelezen.

Voorts wordt in alle processen-verbaal van de betreffende verhoren aangegeven dat [partner van verdachte] deze heeft gelezen. Verder staat vast dat zij alle verklaringen heeft ondertekend.

Op 1 april 2010 is [partner van verdachte] als getuige gehoord door de rechter-commissaris. Tijdens dat verhoor zijn de verklaringen die [partner van verdachte] bij de SIOD heeft afgelegd aan de orde geweest. [partner van verdachte] kon zich een aantal verklaringen niet meer herinneren. Uit het verhoor komt naar voren dat [partner van verdachte] kritiek had op de wijze waarop zij door de verbalisanten van de SIOD was ondervraagd. Ze zou hardhandig zijn aangepakt en onder druk zijn gezet om de verklaringen af te leggen. Ook zouden door verbalisanten van de SIOD dingen zijn opgeschreven die [partner van verdachte] niet heeft gezegd.

Naar aanleiding van dit verhoor door de rechter-commissaris hebben de bij het verhoor van 30 juli 2009 betrokken verbalisanten een proces-verbaal bevindingen opgesteld waarin de gang van zaken tijdens dat verhoor is beschreven. De verbalisanten hebben gerelateerd dat zij zich niet herkenden in de door [partner van verdachte] beschreven omstandigheden.(59)

Ter terechtzitting heeft [partner van verdachte] als getuige haar op 1 april 2010 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring gehandhaafd. De bezwaren van [partner van verdachte] zien met name op de verklaringen die zij op 29 en 30 juli 2009 heeft afgelegd. Met betrekking tot deze verklaring heeft de rechtbank ter zitting een proces-verbaal verdenking meineed opgemaakt. [partner van verdachte] is vervolgens door de SIOD naar aanleiding van dit proces-verbaal gehoord. In dit verhoor heeft zij gepersisteerd bij haar verklaring ter terechtzitting.

3.5.1.2 De beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat in het algemeen van de juistheid van een op ambtseed of -belofte opgemaakte processen-verbaal van verbalisanten dient te worden uitgegaan.

In het verhoor van 30 juli 2009, 11.15 uur, heeft [partner van verdachte] op de vraag hoeveel illegalen op 28 juli 2009 in het pand verbleven geantwoord dat zij, zoals ze al eerder had verklaard, niet precies weet hoeveel illegale vreemdelingen er in het pand sliepen, [partner van verdachte] denkt een stuk of 9 of 10, maar het kunnen er meer zijn geweest. Vervolgens is haar in dat verhoor een aantal foto's getoond van personen die bij de inval op 28 juli 2009 in het pand zijn aangehouden. [partner van verdachte] heeft alle personen herkend, met uitzondering van [D.], en heeft verklaard dat zij bij haar en [verdachte] verbleven. Zij heeft daarbij aangegeven hoe lang die personen al bij hen verbleven, dat zij voor hen werkten en welke werkzaamheden zij verrichtten.

Ter terechtzitting heeft [partner van verdachte] verklaard dat er tijdens dit verhoor niet tegen haar is geschreeuwd en dat zij niet onder druk is gezet. Dit verhoor is om 14.00 uur geëindigd.

Om 14.05 uur hebben dezelfde verbalisanten [partner van verdachte] vervolgens verder gehoord. [partner van verdachte] verklaart dan nader over degene die op foto K is afgebeeld. Vervolgens wordt ingegaan op hetgeen [partner van verdachte] eerder heeft verklaard over de woon- en werkomstandigheden in het pand. Op open vragen van de verbalisanten heeft [partner van verdachte] uitgebreid en gedetailleerd geantwoord.

De rechtbank ziet in het dossier en het verhandelde ter zitting geen enkel aanknopingspunt voor de stelling dat [partner van verdachte] tijdens dit verhoor onder druk is gezet, dan wel dat in haar verklaringen antwoorden zijn opgenomen die zij niet, al dan niet in soortgelijke bewoordingen, heeft gegeven. Zij heeft in die verhoren bijzonderheden vermeld die op dat moment nog niet bij de SIOD bekend waren. De door haar beschreven woon- en werkomstandigheden komen bovendien overeen met hetgeen is waargenomen door verbalisanten en door zowel [verdachte] als de illegalen is verklaard. Evenmin is er enig aanknopingspunt te vinden voor de stelling dat [partner van verdachte] tijdens de eerdere verhoren onder druk zou zijn gezet of dat haar woorden in de mond zouden zijn gelegd. [partner van verdachte] is op 31 juli 2009 gehoord door de rechter-commissaris. Zij heeft toen, uitdrukkelijk daarnaar gevraagd, gepersisteerd bij haar tegenover de SIOD afgelegde verklaringen. Ter terechtzitting van 9 april 2010 heeft [partner van verdachte] bovendien verklaard dat zij de door haar gestelde gang van zaken tijdens de verhoren op geen enkel moment met haar toenmalige advocaat heeft besproken, terwijl toch mag worden aangenomen dat - als het waar is wat zij zegt - dit veel indruk op haar heeft gemaakt.

Ten slotte acht de rechtbank de verklaring van [partner van verdachte] bij de rechter-commissaris op 1 april 2010 en ter terechtzitting als getuige, te weten dat zij niet meer weet hoeveel illegalen in het pand woonden en dat zij niet op de hoogte was van de woon- en werkomstandigheden, gelet op het vorenstaande, de ter plaatse aangetroffen omstandigheden en het feit dat verdachte zelf in het pand verbleef en eten gaf aan illegalen die aan het werk waren, volstrekt ongeloofwaardig.

De rechtbank heeft ter zitting van 12 april 2010 reeds opheldering gevraagd aan de raadsvrouw over haar bewering dat SIOD-directeur [directeur SIOD] reeds voor het verhoor van [partner van verdachte] enige mededeling over dit onderzoek zou hebben gedaan aan de media. De raadsvrouw heeft daarop gezegd dat zij de datum van 4 juli 2009 had gegoogeled om vervolgens het belang van haar bewering schielijk te relativeren; de uitzending zou dan wel van later datum kunnen zijn geweest, maar het bleef opvallend dat SIOD-directeur [directeur SIOD] een mededeling had gedaan die niet van [partner van verdachte] afkomstig kon zijn gelet op haar lage opleiding. Ter zitting van 19 april 2010 heeft de rechtbank gemeld dat zij

het kennelijk door de raadsvrouw bedoelde bericht (waarboven vermeld staat RTL4 juli 2009) had aangetroffen op de site van haar advocatenkantoor en dat uit dit bericht bleek dat de SIOD-directeur de betreffende mededeling aan de media minstens twee maanden na de inval in HC 246 had gedaan.

De rechtbank ziet hierin een ondeugdelijke poging van de raadsvrouw haar te misleiden, dan wel een niet opzettelijk onjuiste bewering die na zelfs maar oppervlakkige lezing van het bericht achterwege had kunnen en dus moeten blijven. In het voordeel van de verdediging houdt de rechtbank het maar op het tweede. De rechtbank stelt voorts nog vast dat de loze bewering van de verdediging over een perspublicatie op 4 juli 2009 de enige onderbouwing vormt voor de naar haar oordeel evident leugenachtige verklaring van [partner van verdachte].

Gezien het vorenstaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de door [partner van verdachte] bij de SIOD afgelegde verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

3.5.2 Verweer bewijsuitsluiting verklaringen van verdachte bij de SIOD

Uit het dossier blijkt dat tijdens de verhoren van verdachte door de verbalisanten van de SIOD alle vragen aan en antwoorden van verdachte - zowel tijdens het afnemen van het verhoor, alsmede na afloop van het verhoor - voordat er ondertekening plaatsvond, aan hem werden voorgelezen. Het document werd pas afgesloten en ondertekend, nadat verdachte met de inhoud heeft ingestemd. Alle vragen en antwoorden zijn minimaal twee keer aan verdachte woordelijk voorgelezen.60 [verdachte] heeft ter terechtzitting bevestigd dat de op schrift gestelde verklaringen aan hem werden voorgelezen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de processen-verbaal van diens verhoren door de SIOD. De rechtbank zal derhalve ook deze verklaringen als bewijs bezigen.

3.5.3 Feit 1 (mensenhandel)

Aan verdachte worden drie modaliteiten van mensenhandel verweten, kort gezegd:

a. het (in vereniging) huisvesten van de illegalen met het oogmerk van uitbuiting, waarbij misbruik is gemaakt van overwicht en van de kwetsbare positie van deze illegalen;

b. de uitbuiting (in vereniging) van deze illegalen, bestaande uit het hen door bovenvermeld misbruik bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid;

c. het (in vereniging) voordeel trekken uit deze uitbuiting.

Ad a. Artikel 273f, lid 1, sub 1 van het Wetboek van Strafrecht

Bij de beoordeling van de vraag of in casu mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, lid 1, sub 1 van het Wetboek van Strafrecht, bewezen kan worden, dient - gelet op hetgeen ten laste is gelegd - vastgesteld te worden of er sprake was van een handeling (huisvesten en opnemen), dwang (in dit geval bestaande uit misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik van de kwetsbare positie), en het oogmerk van uitbuiting.

Handeling

Uit de hiervoor onder 3.1.5 genoemde verklaringen van de getuigen en uit de verklaringen van verdachte, [partner van verdachte], [M.] en [N.], blijkt dat de onder feit 1 genoemde illegale Indonesiërs na aankomst op Station Hollands Spoor te 's-Gravenhage werden opgehaald door een persoon die in contact stond met agenten in Indonesië. Deze persoon heeft de illegale Indonesiërs vervolgens in contact gebracht met verdachte, dan wel hen rechtstreeks naar het huis van verdachte aan de HC 246 gebracht.

Vast staat dat verdachte vervolgens de illegale Indonesiërs in zijn huis heeft opgenomen en gehuisvest. Hij heeft daarvoor huur (€ 125,- per maand) en sleutelgeld (eenmalig € 25,-) ontvangen.

Hiermee staat vast dat verdachte een handeling heeft verricht als bedoeld in artikel 273f, lid 1, sub 1.

Dwang

Uit de verklaringen van de illegale Indonesiërs (zie hierboven onder 3.1.5) blijkt dat:

- zij onder valse voorwendselen via een agent naar Nederland/Europa zijn gekomen, waarbij door de agenten werk in een fabriek, restaurant of winkel, een (naar Indonesische maatstaven) aanzienlijk inkomen en een appartement als woning werd beloofd;

- zij voor de reis naar Nederland/Europa grote schulden in Indonesië hebben opgebouwd;

- zij illegaal in Nederland waren;

- zij de Nederlandse of Engelse taal niet spraken;

- zij bij aankomst in Nederland slechts beschikten over weinig eigen financiële middelen, waarvan zij bovendien direct een deel aan verdachte moesten afstaan;

- zij niet legaal werk konden verrichten in Nederland;

- zij sociaal geïsoleerd waren, omdat ze in Nederland niemand kenden.

Verdachte heeft erkend (zie hierboven onder 3.1.6) dat hij op de hoogte was van al deze omstandigheden. Voorts is gebleken dat hij aan de illegale Indonesiërs hoge huren vroeg en hen liet werken tegen een zeer lage vergoeding. Verdachte was zich er naar eigen zeggen van bewust dat de illegalen een zeer kwetsbare positie hadden en dat zij afhankelijk van hem waren voor hun inkomsten en huisvesting. De mensen konden nergens naartoe en hadden in hun eigen land grote schulden. Door de constructie die door verdachte is bedacht, te weten "veel mensen kort laten werken en niet minder mensen langer laten werken", kon verdachte meer geld verdienen en konden de illegalen niet sparen om weg te gaan bij verdachte. Zij verdienden net genoeg om de huur aan verdachte en hun eten te kunnen betalen.

Verdachte heeft aldus deze illegalen bewust in een positie gebracht en doen blijven, waarin zij in hun beleving, maar ook in de beleving van verdachte geen andere keuze hadden dan om in het huis van verdachte te blijven en werk voor hem te verrichten. De illegale Indonesiërs durfden ook niet te klagen bij verdachte, omdat zij bang waren om geen werk te krijgen of om uit het huis gestuurd te worden door verdachte.

Uit het vorenstaande volgt derhalve dat de illegalen door verdachte bewust in een situatie zijn gebracht, die ver verwijderd is van de omstandigheden waarin een mondige huurder of werknemer in Nederland pleegt te verkeren. Daarmee heeft verdachte misbruik gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht.

Verdachte heeft tevens misbruik gemaakt van de kwetsbare positie, nu hij de illegalen hoge huren liet betalen en lage lonen betaalde, waarbij hij bovendien volledig op de hoogte was van de achtergrond en de feitelijke omstandigheden waarin de illegalen verkeerden en waarvan hij wist dat ze daaraan niet eenvoudig zouden kunnen ontsnappen.

Oogmerk van uitbuiting

De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van "uitbuiting" in de zin van artikel 273f lid 1, sub 1 van het Wetboek van Strafrecht, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verwerven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor betrokkene meebrengt, en het economische voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Daarbij komt bij dat voor de vervulling van deze delictsomschrijving niet nodig is dat het slachtoffer daadwerkelijk wordt uitgebuit. (61)

Uit de hiervoor onder 3.1.1 tot en met 3.1.9 vermelden processen-verbaal van bevindingen en verklaringen blijkt dat de aangetroffen illegale Indonesiërs in de woning van verdachte werkdagen van 10 tot 15 uren maakten, waarbij soms de hele avond of nacht werd doorgewerkt. Voor het werk kregen zij € 25,- per dag, ongeacht het aantal gewerkte uren. Zij werkten gemiddeld 1 tot 4 dagen per week. De werkomstandigheden waren slecht en zwaar. In de werkruimte was het extreem warm en het werk moest meestal staand gedaan worden. Zij hadden slechts eenmaal een korte eetpauze. Verdachte was behalve werkgever tevens de verhuurder van de slaapplaatsen van de illegale Indonesiërs. Voor € 125,- per maand konden zij in de woning van verdachte een slaapplaats huren, die bestond uit een matras op de grond. De kamer werd gedeeld met meerdere personen. In hun slaapruimtes was het zeer warm en er was veel ongedierte aanwezig. Een aantal slaapruimtes grensde aan de ruimte waar werd gefrituurd.

Gelet op vorenstaande omstandigheden - in onderlinge samenhang bezien - is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een zeer ernstige vorm van uitbuiting. De illegale Indonesiërs hebben in de woning van verdachte gewoond en gewerkt onder omstandigheden die ver onder de Nederlandse samenleving geldende maatstaven waren. De werkdagen waren extreem lang met weinig pauzes. Het werk was zwaar. De werk- en woonomstandigheden van de illegale Indonesiërs waren ronduit deplorabel te noemen. De vergoeding die zij kregen, was ver onder het minimumloon dat bij legale werknemers zou moeten worden betaald. Verdachte heeft de situatie zelf mensonterend genoemd. Drie illegalen te weten, [G.], [J.] en [C.], hebben hun toestand vergeleken met slavernij.(62) Verdachte heeft hiermee een groot voordeel behaald. Hij had goedkoop personeel en hij liet zijn personeel lange werkdagen maken, waardoor de productieomvang hoog was.

Zowel verdachte als zijn partner [partner van verdachte] hebben verklaard dat zij voor deze constructie hadden gekozen, zodat zij meer winst konden maken en omdat zij met legale personeel te weinig winst maakten om hun zaak draaiende te houden. Daarbij werd er bewust voor gekozen om de aanwezige illegalen ieder slechts een aantal dagen per week te laten werken, zodat zij - mede gezien de huur die moesten afdragen - niet genoeg zouden kunnen verdienen om weg te komen.

Nu verdachte de illegalen, zoals hiervoor reeds vastgesteld, willens en wetens en met dit doel in deze situatie heeft gebracht, is daarmee het oogmerk op de uitbuiting van de illegale Indonesiërs gegeven.

b. Artikel 273f, lid 1, sub 4 van het Wetboek van Strafrecht

Hoewel artikel 273f, lid 1, onder 4 Sr niet expliciet 'uitbuiting' noemt, dient, wil aan de delictsomschrijving zijn voldaan, gelet op de strekking van deze strafbepaling wel sprake te zijn van het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van arbeid in een situatie die als uitbuiting kan worden gekenschetst.

Gelet op hetgeen hiervoor onder a. is overwogen heeft verdachte de illegale Indonesiërs door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van hun kwetsbare positie, werk laten verrichten en zich daarbij schuldig gemaakt aan uitbuiting. De illegale Indonesiërs bevonden zich in een dermate zwakke en afhankelijke positie, dat zij in hun beleving redelijkerwijs geen andere keuze hadden dan om in het huis van verdachte werk voor hem te verrichten. Verdachte heeft met die wetenschap de illegalen bewust en bij herhaling in deze uitbuitingssituatie heeft gebracht, daarbij wetende dat zij zich beschikbaar zouden stellen tot het verrichten van arbeid.

c. Artikel 273f, lid 1, sub 6 van het Wetboek van Strafrecht

Vast staat dat verdachte voordeel uit de uitbuiting van de illegale Indonesiërs heeft getrokken.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank alle onder 1. aan verdachte ten laste gelegde modaliteiten van mensenhandel wettig en overtuigend bewezen.

Periode

De rechtbank acht - evenals de officieren van justitie blijkens het requisitoir - evenwel een aanmerkelijk kortere periode bewezen dan is ten laste gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is weliswaar (zoals hieronder zal blijken) wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte vanaf 23 oktober 2006, de datum dat hij eigenaar werd van HC 246, illegalen in die woning heeft gehuisvest, maar er is onvoldoende bewijs voorhanden dat verdachte vanaf die datum zich heeft schuldig gemaakt aan een van de ten laste gelegde varianten van mensenhandel. De rechtbank zal derhalve als begindatum aanhouden de dag dat [M.] in het huis van verdachte is komen wonen (1 december 2008). Uit de verklaringen van [M.] kan immers worden opgemaakt dat toen hij in het huis van verdachte kwam wonen, de hiervoor omschreven situatie aanwezig was, die door de rechtbank als een uitbuitingssituatie is aangemerkt en dat toen al meerdere personen (waaronder [M.] zelf) werden uitgebuit door verdachte.

In vereniging

De rechtbank merkt [partner van verdachte] als medepleger aan van alle aan verdachte ten laste gelegde modaliteiten. Tussen verdachte en haar was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking: zij beiden huisvestten de illegalen in hun eigen huis, beiden hadden tot doel daarmee (vanwege de oogziekte van verdachte in korte tijd) grof geld te verdienen, wat geïnvesteerd zou worden in de toko van [partner van verdachte]; [partner van verdachte] leverde daarenboven een bijdrage aan het productieproces door de rijst te koken, die tot kroepoek werd verwerkt.

Hoewel [M.] tot diegenen behoorde in ook door verdachte werd uitgebuit, heeft hij op zijn beurt anderen bewust in een situatie van uitbuiting gebracht. Hij zorgde er immers - middels zijn contacten met de agent in Indonesië voor - dat [verdachte] regelmatig werd voorzien van goedkope illegale arbeidskrachten. En dit, terwijl hij tot in detail op de hoogte was van de woon- en werksomstandigheden in het pand HC 246. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank worden gesproken van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en verdachte, dat [M.] als medepleger van de eerste aan verdachte ten laste gelegde modaliteit van mensenhandel kan worden aangemerkt. Er is echter geen bewijs voorhanden dat [M.] een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het misbruik van het overwicht, dat [verdachte] had, en van de kwetsbare positie van de illegalen waardoor zij werden bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid. Evenmin is bewijs voorhanden dat hij op enigerlei wijze voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting, nog daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd.

Ten aanzien van [N.] geldt dat zij voor wat betreft de drie illegalen die zij na 1 juli 2009 heeft ondergebracht in HC 246 op gelijke wijze als [M.] medepleger was bij de eerste modaliteit en geen betrokkenheid had bij de tweede en derde modaliteit.

Derhalve zal de rechtbank wettig en overtuigend bewezen verklaren dat verdachte alle onder feit 1 ten laste gelegde varianten van mensenhandel tezamen en in vereniging met anderen, dan wel een ander heeft begaan.

3.5.4 Feit 2 (mensensmokkel)

Uit de verklaringen van de illegale Indonesiërs, alsmede uit de verklaringen van verdachte, en die van [partner van verdachte], [M.] en [N.] blijkt dat verdachte en zijn partner [partner van verdachte] Indonesiërs, waarvan zij wisten dat ze illegaal waren, in hun woning hebben laten verblijven en dat verdachte daarvoor huur en sleutelgeld heeft ontvangen. Deze illegalen werden naar hun woning gebracht door diverse personen. Verdachte was ervan op de hoogte dat deze personen illegaal in Nederland verbleven. Vervolgens werden deze illegalen door hem tewerkgesteld en daarmee voorzien van (overigens minimale) inkomsten.

De rechtbank acht de gehele ten laste gelegde periode wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat in het dossier onvoldoende bewijs aanwezig is dat verdachte vanaf het moment dat hij de woning in zijn bezit kreeg (23 oktober 2006), al bezig was met het huisvesten van illegalen. Dit is immers in tegenspraak met hetgeen verdachte daarover bij de SIOD heeft verklaard. Hoewel verdachte ter terechtzitting op deze verklaring is teruggekomen, ziet de rechtbank geen reden om verdachte niet aan deze eerdere verklaring te houden, temeer nu deze wordt ondersteund door de hierover door [partner van verdachte] bij de SIOD afgelegde verklaring. Voorts bevindt zich in het dossier een mutatie van de politie Hollands Midden, waaruit blijkt dat reeds op 29 januari 2008 - derhalve ver voor de komst van [M.] - in Gouda tijdens een verkeerscontrole een bestelauto op naam van [S.] B.V. (een afnemer van de producten en van de illegale werknemers van verdachte) met daarin een aantal illegale Indonesische personen werd aangehouden.63 Verdachte heeft daarover verklaard dat deze personen bij hem woonden.64 Niet valt in te zien waarom verdachte met die illegalen anders zou zijn omgegaan dan met de op 28 juli 2009 aangetroffen illegalen, nu verdachte niet heeft aangegeven enige andere reden te hebben voor de huisvesting van illegalen dan (mede) om er zelf beter van te worden. De rechtbank acht derhalve bewezen dat gedurende de gehele bewezenverklaarde periode een winstoogmerk aanwezig is geweest. Gezien de verklaringen van verdachte, [partner van verdachte], [M.] en [N.] omtrent de wijze waarop en de frequentie waarmee de illegalen arriveerden, alsmede de omvang van de bewezenverklaarde periode, is de rechtbank van oordeel dat tevens bewezen kan worden verklaard dat verdachte en zijn mededader(s) van de huisvesting en het te werk stellen van illegalen een gewoonte hebben gemaakt.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 primair ten laste gelegde tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft begaan.

3.5.4 Feiten 3 en 4.

In de Woningwet worden bijzondere eisen op onder meer het gebied van (brand)veiligheid en mate van bewoning gesteld aan het gebruik van een woning, indien sprake is van kamergewijze verhuur. Gelet op de wijze waarop de woning van verdachte HC 246 werd gebruikt en bewoond en op grond van de bevindingen en conclusies naar aanleiding van een onderzoek door de DSO van de gemeente Den Haag, als omschreven onder 3.1.3, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat van een dergelijke verhuur sprake is. Uit dit zelfde onderzoek komt naar voren dat verdachte als eigenaar van de woning niet heeft voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen, nu is geconstateerd dat in de woning geen brandmeldinstallatie aanwezig was, waar dit wel is voorgeschreven. Voorts is - op grond van het aantal m2 van de woning in relatie tot het aantal illegalen dat in de woning verbleef - geconstateerd dat sprake is geweest van overbewoning.

Op grond daarvan acht de rechtbank het onder 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.6 De bewezenverklaring

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij in de periode van 1 december 2008 tot en met 28 juli 2009 te 's-Gravenhage , tezamen en in vereniging met anderen, anderen, te weten Indonesische onderdanen,

- [A.] en

- [B.] en

- [C.] en

- [D.] en

- [E.] en

- [F.] en

- [G.] en

- [H.] en

- [I.] en

- [J.] en

- [K.],

door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van de kwetsbare positie van die anderen, heeft gehuisvest en heeft opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die anderen,

en

met de onder 1° genoemde middelen, te weten door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van de kwetsbare positie van die anderen, heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en onder de onder 1° genoemde omstandigheden handelingen heeft ondernomen waarvan hij en zijn mededaders wisten dat die anderen zich daardoor beschikbaar stelden tot het verrichten van arbeid

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die anderen,

waarbij

dat uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en die kwetsbare positie van die anderen hieruit hebben bestaan dat:

bovengenoemde personen

- onderdanen van Indonesische afkomst waren en, na betaling van een grote som geld, vanuit Indonesië naar Nederland c.q. Europa waren gebracht, al dan niet onder valse voorwendselen, en daardoor een grote schuld hadden en zonder legale verblijfstitel in Nederland verkeerden en

- niet of nauwelijks de Nederlandse en/of Engelse taal spraken en onbekend waren met de Nederlandse samenleving en,

- na aankomst in Nederland, door een van zijn mededaders zijn opgehaald en opgevangen en naar het pand [a-straat 246] te

's-Gravenhage zijn gebracht en

- verbleven bij en werkzaamheden verrichtten voor verdachte en daardoor afhankelijk waren van verdachte en/of zijn mededaders en

- te weinig verdienden om terugkeer naar Indonesië en/of vertrek naar een andere huisvesting en/of arbeidsplaats mogelijk te maken

en

dat huisvesten en opnemen en dat bewegen van die personen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en die overige handelingen en/of omstandigheden als omschreven in lid 1 onder 1° en 4°, en dat misbruik en die uitbuiting hieruit hebben bestaan dat verdachte en/of zijn mededaders

- die personen tegen betaling van een bedrag van Euro 125,- of daaromtrent per maand een slaapplaats bestaande uit een matras hebben verschaft in het pand [a-straat 246] te 's-Gravenhage, terwijl in de ruimten in het pand, waar die personen verbleven en sliepen sprake was van

* de ruime aanwezigheid van kakkerlakken en/of muizen en/of ander ongedierte en

* geen of te weinig ventilatie en vluchtwegen en

* te weinig ruimte per persoon vanwege het huisvesten of onderbrengen van veel personen in het pand en

* te hoge temperaturen mede vanwege het feit dat in ruimten in het pand etenswaren werden bereid onder hoge temperaturen en

- die personen om te kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften en in de betaling van voornoemde slaapplaats) hebben bewogen om arbeid te verrichten voor verdachte en

- die personen voor de door hen verrichte arbeid, bestaande uit het frituren en/of bakken en/of drogen en/of verpakken van voedingsmiddelen en/of de bereiding van etenswaren, Euro 25,- of daaromtrent per werkdag, , in ieder geval een aanzienlijk lager loon hebben betaald dan verdachte aan legale werknemers had moeten betalen en die personen de opdracht hebben gegeven gedurende langere tijd, (ook 's avonds en/of 's nachts, achter elkaar , gemiddeld minimaal 10 uur per dag, nagenoeg zonder pauzes te werken waarbij die personen geen daglicht zagen en/of staand moesten werken en/of de werkruimte was afgesloten

en

dat opzettelijk voordeel trekken uit vooromschreven uitbuiting hieruit heeft bestaan dat verdachte en zijn mededader veel lagere loonkosten hebben gehad dan bij het tewerkstellen van legale werknemers het geval zou zijn geweest en die personen huur hebben laten afdragen

2.

hij in de periode van 23 oktober 2006 tot en met 28 juli 2009 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, anderen, te weten

- [A.] en

- [B.] en

- [C.] en

- [D.] en

- [E.] en

- [F.] en

- [G.] en

- [H.] en

- [I.] en

- [J.] en

- [K.] en

- [L.],

en/of anderen,

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland , immers hebben verdachte en/of zijn mededaders

- voor huisvesting van genoemde personen gezorgd

en/of

- ervoor gezorgd dat die personen werk en/of inkomsten hadden, althans die personen arbeid doen verrichten,

terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat dat verblijf wederrechtelijk was,

en

van bovenomschreven feiten een gewoonte hebben gemaakt;

3.

hij op 28 juli 2009 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een bouwwerk heeft gebruikt of laten gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a onder 4 en artikel 8 lid 8 juncto lid 9 van de Woningwet, immers hebben verdachte en/of zijn mededaders toen en daar opzettelijk een bouwwerk, te weten de woning aan de [a-straat 246], zijnde deze woning een gebruiksfunctie als bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2003, welke gebruiksfunctie, te weten een woonfunctie voor kamergewijze verhuur, in bijlage 1 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (BBGB) is aangewezen zonder dat sprake is van grenswaarden als bedoeld in artikel 2.2.1. onder 1, b of c van dat besluit, gebruikt of laten gebruiken, terwijl deze woning in strijd met artikel 2.2.1. lid 1 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken geen brandinstallatie had met een omvang van de bewaking en een doormelding zoals aangegeven in bijlage 1 bij het besluit, aangezien deze woning in het geheel geen brandmeldinstallaties had

4.

hij op 28 juli 2009 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een bouwwerk heeft gebruikt of laten gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a onder 5 van de Woningwet, immers hebben verdachte en zijn mededader toen en daar opzettelijk in strijd met het verbod gesteld in artikel 7.1.1. van de Bouwverordening van de gemeente Den Haag de woning aan de [a-straat 246] bewoond met en toegestaan dat de woning werd bewoond door meer dan één persoon per 14 m 2 gebruiksoppervlakte

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft met betrekking tot de strafmaat de rechtbank verzocht rekening te houden met de navolgende persoonlijke omstandigheden.

Verdachte is nagenoeg blind en een lange detentie is voor hem extra zwaar. Hij heeft geen strafblad. Recidivegevaar is, mede gelet op zijn handicap, uitgesloten. Voorts wordt verdachte financieel alles afgenomen. Zijn gezin is hij wellicht ook kwijt.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt in dit verband in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan mensenhandel.

In min of meer georganiseerd verband heeft verdachte gedurende langere tijd een groot aantal illegale Indonesiërs op schaamteloze wijze uitgebuit. Zij verbleven onder erbarmelijke omstandigheden in zijn woning en werkten tegen een zeer lage vergoeding. Daarbij schroomde hij niet tevens hoge huren te incasseren voor de verhuur van een enkele matras, waardoor het geld dat hij de illegalen betaalde weer voor een groot deel naar hem terugvloeide. Verdachte was volledig op de hoogte van de kwetsbare en afhankelijke positie van de slachtoffers en hij heeft op grove wijze misbruik daarvan gemaakt. De slachtoffers waren immers - naar verdachte wist - voor hun huisvesting en inkomsten in hoge mate van hem afhankelijk. Bovendien heeft verdachte de lonen planmatig niet alleen bewust laag gehouden om zijn verdiensten te vergroten, maar tevens om ervoor te zorgen dat hij de illegalen niet te snel kwijt zou raken, zodat hij hen op deze wijze langer kon uitbuiten.

Met zijn handelen heeft verdachte schade aan de lichamelijke en geestelijke integriteit aan deze mensen toegebracht en hun persoonlijke vrijheid in zeer ernstige mate geschaad.

Verdachte heeft zijn persoonlijk geldelijk gewin en dat van zijn partner uitdrukkelijk gesteld boven de vrijheid en integriteit van zijn slachtoffers. Hij heeft zich niets gelegen laten liggen aan de omstandigheden waarin hij zijn slachtoffers liet wonen en werken, uitsluitend ten behoeve van zijn eigen verrijking.

Voorts heeft verdachte zich samen met anderen gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan mensensmokkel.

Door mensensmokkel wordt niet alleen het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland doorkuist, maar wordt ook bijgedragen aan het in standhouden van een illegaal circuit, waardoor het maatschappelijk verkeer wordt of kan worden gefrustreerd en gecorrumpeerd. Verdachte beging deze feiten niet uit menslievendheid, zoals hij de rechtbank wilde doen geloven, maar puur uit winstbejag.

Verdachte heeft zich ten slotte samen met zijn partner schuldig gemaakt aan twee economische delicten, waarbij de Woningwet is overtreden en waarmee de (brand)veiligheid in het geding is geweest. Gelukkig is geen brand uitgebroken in de overvolle woning waarin volop gekookt en gefrituurd werd. Indien dit wel zou zijn gebeurd, zouden vermoedelijk veel illegalen daar de dood hebben gevonden. Verdachte heeft hier kennelijk geen moment bij stilgestaan.

Naar het oordeel van de rechtbank kan hierop niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.

De rechtbank heeft acht geslagen op een Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte d.d. 30 juli 2009. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie voor soortgelijke feiten.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf overweegt de rechtbank het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste vormen van uitbuiting. Daarbij heeft hij een leidende en initiërende rol gehad. De slachtoffers hebben onder mensonterende omstandigheden in de woning van verdachte verbleven. Voorts hebben zij in de vorm van moderne slavernij arbeid moeten verrichten voor verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank komen de ernst van het bewezenverklaarde en de hiervoor door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de officier van justitie gevorderde straf. Het is op deze grond dat de rechtbank de hierna te vermelden zwaardere straf zal opleggen dan door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank realiseert zich hierbij terdege dat een lange detentie voor verdachte vanwege zijn blindheid extra zwaar zal zijn en houdt daarmee rekening bij de strafbepaling.

De rechtbank acht na te melden straf passend en geboden.

De rechtbank merkt op dat de wettelijke strafmaxima in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht per 1 juli 2009 zijn verhoogd. Er is dus sprake van een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van de in dit artikel strafbaar gestelde gedragingen. De rechtbank zal, op grond van het bepaalde in artikel 1, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, ten aanzien van de periode tot 1 juli 2009 de voor verdachte gunstigste bepalingen toepassen.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 47, 57, 273f, 197a van het Wetboek van Strafrecht;

- 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 7b en 8 van de Woningwet;

- 1.1 van het Bouwbesluit 2003;

- 2.2.1. van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken en bijlage I van dat besluit;

- 7.1.1. van de Bouwverordening van de gemeente Den Haag.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1 eerste cumulatief/alternatief, tweede cumulatief/alternatief en derde cumulatief/alternatief, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 eerste cumulatief/alternatief:

mensenhandel in vereniging, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 1 tweede cumulatief/alternatief:

mensenhandel in vereniging, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 1 derde cumulatief/alternatief:

mensenhandel in vereniging, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 primair:

het een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een gewoonte maakt, en terwijl het feit wordt begaan door meerdere personen;

ten aanzien feit 3 en feit 4:

medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 7b van de Woningwet, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. R. Elkerbout, voorzitter,

R. Brand en B. Bastein, rechters,

in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 mei 2010.

Mr. Bastein is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Waar hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit de pagina's van ambtsedige processen-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst Regio Zuid, met het nummer 6640-2009-000208, alsmede van de geschriften die als bijlagen bij dit dossier zijn opgenomen.

2 AMB/000, proces-verbaal bevindingen start proces-verbaal, p. 168-169 en AMB-002, proces-verbaal van bevindingen [a-straat 246] te Den Haag, p. 173

3 Een geschrift, te weten een kopie van een uittreksel uit het Handelregister van de Kamer van Koophandel, V/01, p. 603

4 AMB/002, proces-verbaal van bevindingen [a-straat 246] te Den Haag, p. 173

5 AMB/040, proces-verbaal van bevindingen foto's personen [a-straat], p. 299-301

6 AMB/007, proces-verbaal van bevindingen slachtoffers mensenhandel, p. 192 en 193

7 AMB/013, proces-verbaal van bevindingen slachtoffer [L.], p. 208

8 G/14-01, proces-verbaal van verhoor [L.], p. 1946

9 AMB/002, proces-verbaal van bevindingen [a-straat 246] te Den Haag, p. 174-177

10 Doc/053, proces-verbaal; van bevindingen, p. 3266 en 3267

11 Doc/053, proces-verbaal van bevindingen, p. 3264-3266

12 AMB/003, proces-verbaal van bevindingen [a-straat] 250 te Den Haag, p. 181-183

13 Alle getuigen hebben verklaard over hun illegale status, hun contact met een reisagent in Indonesië, hun reis naar Europa, de geldbedragen die daarmee gemoeid waren, het feit dat zij niet of nauwelijks Nederlands en/of Engels spraken, hun onbekendheid met de Nederlandse samenleving, hun aankomst in Den Haag en het vinden van onderdak in het pand HC 246, de omstandigheden waarin zij daar werden gehuisvest, de prijs die zij daarvoor verschuldigd waren, de werkzaamheden die zij daar verrichtten en het loon dat zij daarmee verdienden.

De rechtbank verwijst hierbij in het bijzonder naar de navolgende paragrafen van de verklaringen van de getuigen [E.], [F.], [I.] en [H.], alle afgelegd tegenover de rechter-commissaris:

- Proces-verbaal van verhoor van getuige [E.], d.d. 4 augustus 2009, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris, de punten 6, 8, 10, 11, 13, 14, 15, 16, 17, 23, 24, 25, 26, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 41, 42, 50, 51, 54, 57, 58;

- Proces-verbaal van verhoor van getuige [F.], d.d. 15 maart 2010, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris, de punten 9, 11, 12, 14, 18, 28, 32, 33, 34, 35, 39, 40, 42, 43, 45, 47, 49, 50, 51, 54, 56, 57, 58, 60, 64, 65, 66, 68, 71;

- Proces-verbaal van verhoor van getuige [I.], d.d. 18 maart 2010, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris, de punten 8, 9, 10, 11, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 22, 23, 24, 26, 27,28, 29, 30, 31, 33, 34, 35, 36, 37, 44, 46, 58;

- Proces-verbaal van verhoor van getuige [H.], d.d. 19 maart 2010, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris, de punten 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 18, 19, 20, 21, 23, 24, 25, 27, 28, 29, 33, 34, 38.

14 G/01-02, proces-verbaal, p. 1700

15 Proces-verbaal van verhoor van getuige [E.], d.d. 4 augustus 2009, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris, de punten 24 en 25

16 Proces-verbaal van verhoor van getuige [F.], d.d. 15 maart 2010, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris, de punten 29 en 30

17 Proces-verbaal van verhoor van getuige [H.], d.d. 19 maart 2010, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris, de punten 13 en 14

18 Proces-verbaal van verhoor van getuige [I.], d.d. 18 maart 2010, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris, punt 18

19 G/13-01. proces-verbaal verhoor getuige [K.], p. 1919, 1923, 1924

20 V/11-03, proces-verbaal van verhoor verdachte [N.], p. 1095 en 1096

21 Proces-verbaal van verhoor van getuige [J.], d.d. 4 november 2009, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris, de punten 9, 10 en 11

22 G/01-vp1, proces-verbaal, p. 1697

23 G/08-01, proces-verbaal verhoor getuige [G.], p. 1849, G/11-02, proces-verbaal van aangifte [J.], p. 1902, G/03-02, proces-verbaal van aangifte [C.], p. 1739

24 Proces-verbaal van verhoor van getuige [E.], d.d. 4 augustus 2009, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris, punt 50

25 G/07-02, proces-verbaal, p. 1842

26 Uit Doc/053-36, een geschrift, te weten een uitdraai uit het kadaster, blijkt dat verdachte op 23 oktober 2006 eigenaar is geworden van het pand HC 246

27 V/02-02, proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 686

28 V/02-02, proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], d.d. 29 juli 2009, omstreeks 10.15 uur, p. 685-688 en V/02-03, proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], d.d. 30 juli 2009, omstreeks 11.15 uur, p. 692

29 V/02-09, proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], d.d. 11 augustus 2009, omstreeks 11.25 uur, p. 717

30 V/02-03, proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], d.d. 30 juli 2009, omstreeks 11.15 uur, p. 691-695

31 V/02-06, proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], d.d. 10 augustus 2009, omstreeks 10.35 uur, p. 703

32 Proces-verbaal van verhoor verdachte gerechtelijke vooronderzoek en inbewaringstelling, d.d. 31 juli 2009, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris, punt 2 en 6.

33 V/01-02, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte K.], d.d. 29 juli 2009, omstreeks 10.10 uur, p. 621-622

34 V/01-03, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte K.], d.d. 29 juli 2009, omstreeks 13.30 uur, p. 624

35 V/01-06, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte K.], d.d. 30 juli 2009, omstreeks 14.05 uur, p. 631

36 V/01-04, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte K.], d.d. 29 juli 2009, omstreeks 16.15 uur, p. 626

37 V/01-05, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte K.], d.d. 30 juli 2009, omstreeks 11.15 uur, p. 628 en 629

38 V/01-06, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte K.], d.d. 30 juli 2009, omstreeks 14.05 uur, p. 631

39 V/01-06, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte K.], d.d. 30 juli 2009, omstreeks 14.05 uur, p. 632

40 V/01-06, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte K.], d.d. 30 juli 2009, omstreeks 14.05 uur, p. 631-632

41 V/01-05, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte K.], d.d. 30 juli 2009, omstreeks 11.15 uur, p. 625 en V/01-06, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte K.], d.d. 30 juli 2009, omstreeks 14.05 uur, p. 630-631

42 V/01-07, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte K.], d.d. 6 augustus 2009, omstreeks 14.00 uur, p. 635

43 Proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte K.], d.d. 1 april 2010, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris, de punten 12, 27, 29, 32, 33

44 Verklaring van getuige [medeverdachte K.] ter terechtzitting van 12 april 2010

45 V/03-05, proces-verbaal van verhoor verdachte [M.], d.d. 10 augustus 2009, omstreeks 13.45 uur, p. 776

46 V/03-01, proces-verbaal van verhoor verdachte [M.], d.d. 30 juli 2009, omstreeks 19.30 uur, p. 757

47 V/03-03, proces-verbaal van verhoor verdachte [M.], d.d. 7 augustus 2009, omstreeks 8.25 uur, p. 767, 769

48 V/03-02, proces-verbaal van verhoor verdachte [M.], d.d. 4 augustus 2009, omstreeks 8.25 uur, p. 761-764 en V/03-07, proces-verbaal van verhoor verdachte [M.], d.d. 11 augustus 2009, omstreeks 13.20 uur, p.796/797

49 V/03-07, proces-verbaal van verhoor verdachte [M.], d.d. 11 augustus 2009, omstreeks 13.20 uur, p. 793

50 Eigen verklaring van getuige [M.] ter terechtzitting van 9 april 2010

51 V/11-03, proces-verbaal van verhoor verdachte [N.], p. 1095 en 1096

52 V/11-03, proces-verbaal van verhoor verdachte [N.], p. 1095 en 1096

53 V/11-02, proces-verbaal van verhoor verdachte [N.], p. 1087, 1088, 1091, 1092

54 V/11-03, proces-verbaal van verhoor verdachte [N.], p. 1097 en 1908

55 V/01-01, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte K.], d.d. 28 juli 2009, omstreeks 17.30 uur, p. 618

56 Proces-verbaal van verhoor verdachte gerechtelijke vooronderzoek en inbewaringstelling, d.d. 31 juli 2009, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris

57 V/01-07, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte K.], d.d. 6 augustus 2009, omstreeks 14.00 uur, p. 634

58 V/01-09, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte K.], d.d. 29 oktober 2009, omstreeks 9.30 uur, p. 642

59 AMB/085, proces-verbaal van bevindingen

60 AMB/032, Proces-verbaal van bevindingen vragen advocatuur tbv verdachte [verdachte], p. 261

61 HR 27 oktober 2009, LJN: BI7099

62 G/08-01, proces-verbaal verhoor getuige [G.], p. 1849: "Ik heb het gevoel dat ik net als een slaaf ben.",, G/11-02, proces-verbaal van aangifte [J.], p. 1902: "Ik vond het lijken op slavernij", G/03-02, proces-verbaal van aangifte [C.], p. 1739: "Ik voelde mij als slaaf behandeld"

63 2/OPV, proces-verbaal, blz. 91

64 V/02-03, proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], blz. 692