Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM3333

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
AWB 10-13431
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

AC; Somalie; 15c Dri; motivering.

Verzoeker is afkomstig uit Mogadishu. Verweerder is van mening dat beoordeling van artikel 15c Dri niet plaats moet vinden tegen de achtergrond van één stad of een gebied van beperkte omvang. Verweerder is van oordeel dat gekeken moet worden naar de situatie in het gehele gebied waarin het betreffende gewapend conflict plaats heeft; in de context van Somalie beteft dit Zuid- en Centraal-Somalie. De rechtsvraag in beroep leent zich, volgens de voorzieningenrechter, voor een behandeling door een meervoudige kamer van de rechtbank. De voorlopige voorziening is daarom toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Zaaknummer: Awb 10/13431

Uitspraak in het geschil tussen:

X,

van Somalische nationaliteit,

verzoekster,

gemachtigde: mr. I. Petkovski, advocaat te Deventer,

en

DE MINISTER VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.B.Y. Vet-Keizer, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. Op 1 april 2010 heeft verzoekster een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 9 april 2010 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2. Op 9 april 2010 heeft verzoekster hiertegen beroep ingesteld.

1.3. Bij verzoekschrift van 9 april 2010 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist. Op 15 april 2010 zijn de gronden van het verzoek ingediend. De gronden zijn aangevuld bij faxbericht van 22 april 2010.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, onder gelijktijdige verzending daarvan aan verzoekster. Op 22 april 2010 heeft verweerder nog een productie overgelegd (uitspraak d.d. 1 april 2010 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem).

1.5. Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 23 april 2010. Verzoekster is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Feiten en standpunten van partijen

2.2. Verweerder heeft in het bestreden besluit onder meer overwogen dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000. In dit kader is, onder verwijzing naar een brief van 29 maart 2010 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake de jurisprudentie over bescherming op internationale gronden en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 26 januari 2010, overwogen dat in Zuid- en Centraal-Somalië geen sprake is van een zodanige mate van geweld dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger bij terugkeer, enkel door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van ernstige schade als bedoeld in Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004, inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: Definitierichtlijn).

2.3. Verzoekster heeft zich in het verzoekschrift onder andere op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit op dit punt niet naar behoren is gemotiveerd, onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij faxbericht van 22 april 2010 heeft verzoekster nog verwezen naar het rapport van april 2010 van Human Rights Watch, getiteld: “Harsh war, Harsh peace: Abuses by al-Shabaab, the Transitional Federal Government, and AMISOM in Somalia”.

2.4. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder het standpunt van verweerder dat verzoekster aan artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn geen aanspraak op een verblijfsvergunning asiel kan ontlenen nader toegelicht. Daarbij is door de gemachtigde van verweerder onder meer verwezen naar de hiervoor, onder rechtsoverweging 2.2, vermelde brief van 29 maart 2010. Hierbij is toegelicht dat de in het bestreden besluit neergelegde motivering mede het gevolg is geweest van voortschrijdend inzicht.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat de verwijzing door verzoekster naar het rapport van april 2010 van Human Rights Watch in dit geval volstaat en dat verzoekster niet gehouden was het hele rapport in te zenden. Er is hierbij in de visie van verweerder geen sprake van schending van de goede procesorde omdat het rapport direct te vinden was in algemeen toegankelijke bronnen.

2.5. Namens verzoekster is ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd en daarbij is voorts opgemerkt dat onderhavige zaak zich niet leent voor afdoening binnen de aanmeldcentrum-procedure.

Beoordeling van het verzoek

2.6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In meervermelde brief van 29 maart 2010 is opgenomen dat bij brief van 4 februari 2010 de vaste kamercommissie voor Justitie verzocht heeft de Kamer te informeren over de consequenties van de uitspraak van de AbRS van 26 januari 2010 (200905017/1/V2, JV 2010,78) inzake een Somalische asielzoeker. Met betrekking tot deze Afdelingsuitspraak wordt in voormelde brief onder meer opgemerkt dat het geschil zich in bedoelde zaak toespitste op de vraag of in Mogadishu sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatierichtlijn (door de voorzieningenrechter hiervoor aangehaald als Definitierichtlijn). De Minister meent dat de beoordeling van dit artikel in algemene zin niet moet plaatsvinden tegen de achtergrond van één stad of een gebied van beperkte omvang. Een zo beperkte toetsing aan dit artikel is naar zijn oordeel in redelijkheid ook niet uitvoerbaar. Dit zou immers betekenen dat een aparte en actuele beoordeling nodig is van elke stad in een land van herkomst waar een asielzoeker uit afkomstig is, aldus de Minister. De Minister meent dat bij de beoordeling dan ook in beginsel gekeken moet worden naar de situatie in het gehele gebied waarin het betreffende gewapend conflict plaats heeft, voor zover zich dat binnen het grondgebied van het betreffende land van herkomst afspeelt. In de context van Somalië betreft dit Zuid- en Centraal-Somalië.

2.7. In de uitspraak van de AbRS van 26 januari 2010 is overwogen dat in het daar in geding zijnde besluit door verweerder ontoereikend was gemotiveerd waarom ten tijde van dat besluit in Mogadishu geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn.

2.8. Gelet op de motivering in het thans bestreden besluit, hetgeen ter zitting dienaangaande naar voren is gebracht en gelet op hetgeen overigens ter zitting aan de orde is geweest, acht de voorzieningenrechter het aangewezen dat het beroep dat verzoekster heeft ingesteld naar aanleiding van het bestreden besluit wordt behandeld door de meervoudige kamer van deze rechtbank.

2.9. Gezien het voorgaande ziet de voorzieningenrechter, alle betrokken belangen in aanmerking nemende, aanleiding de voorlopige voorziening toe te wijzen.

2.10. Voor een veroordeling overeenkomstig artikel 8:75, eerste lid, Awb van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat thans aanleiding. Het bedrag van de te vergoeden proceskosten moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden bepaald op € 874,- [1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting].

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening, geregistreerd onder Awb 10/13431, toe.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan verzoekster dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. R. Depping, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H. Richart als griffier op 29 april 2010.

de griffier de rechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: