Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2771

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
361444 - KG ZA 10-338
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, tenuitvoerlegging vervangende hechtenis i.v.m. schadevergoedingsmaatregel. CJIB handelt niet onrechtmatig door voorgestelde betalingsregeling(en) niet te accepteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 20 april 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 361444 / KG ZA 10-338 van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M.A. van de Weerd te 's-Gravenhage,

tegen:

de Staat der Nederlanden,

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. R.W. Veldhuis te 's-Gravenhage.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 8 april 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Bij arrest van 17 september 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens het plegen van oplichting, diefstal door middel van een valse sleutel en diefstal. In datzelfde arrest heeft het hof aan eiser een schadevergoedingsmaatregel opgelegd van € 102.000,- bij gebreke aan betaling te vervangen door 364 dagen hechtenis. Het arrest is op 31 maart 2009 onherroepelijk geworden.

1.2. Eerder, bij vonnis van 11 december 2000 van deze rechtbank, is aan eiser voor andere feiten een ontnemingmaatregel opgelegd van € 6.611.58. Bij uitspraak van 11 juli 2002 van het gerechtshof 's-Gravenhage is aan eiser een schadevergoedingsmaatregel van € 100.616,70 opgelegd. Deze twee maatregelen zijn grotendeels onbetaald gebleven.

1.3. Bij vonnis in kort geding van 3 juni 2008 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank geoordeeld dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis voor de bij arrest van 11 juli 2002 opgelegde schadevergoedingsmaatregel niet onrechtmatig was.

1.4. In februari 2009 is eiser op vrije voeten gesteld. Sindsdien leeft hij van een bijstandsuitkering. In verband met de problematische schuldensituatie is eiser aangemeld bij Materieel & Juridische Dienstverlening (hierna: MJD), onderdeel van Palier (voorheen Forensische en Intensieve Zorg Parnassia). Daarnaast is eiser in verband met zijn gokverslaving onder behandeling bij Brijder Verslavingszorg (onderdeel van de Parnassia Groep).

1.5. Blijkens het door gedaagde overgelegde zaaksoverzicht van het CJIB is de tenuitvoerlegging van de onder 1.1 genoemde schadevergoedingsmaatregel (hierna: de schadevergoedingsmaatregel) op 5 juli 2009 aan het CJIB overgedragen. Bij brief van 10 juli 2009 is eiser aangeschreven voor de voldoening van de schadevergoedingsmaatregel.

1.6. Bij brief van 4 augustus 2009 heeft het MJD namens eiser het CJIB verzocht akkoord te gaan met een betalingsregeling van € 25,- per maand. In deze brief wordt verwezen naar de zeer beperkte draagkracht van eiser. Voorts meldt de brief dat eiser zeer gemotiveerd is om zijn schulden af te lossen en dat een detentie de behandeling van eiser niet ten goede zal komen. Bij brief van 10 augustus 2009 heeft het CJIB dit verzoek van de hand gewezen. In deze brief heeft het CJIB meegedeeld dat een betalingsregeling van minder dan € 3.778,78 per maand niet zal worden geaccepteerd aangezien de schadevergoedingsmaatregel op grond van de wet binnen 27 maanden dient te zijn voldaan.

1.7. Bij brief van 18 augustus 2009 heeft eiser het CJIB verzocht akkoord te gaan met een betalingsregeling van € 50,- per maand. Bij brief van 24 augustus 2009 heeft het CJIB ook dit betalingsvoorstel afgewezen.

1.8. Op 19 november 2009 heeft het CJIB een dwangbevel uitgevaardigd en de zaak ter verdere executie overgedragen aan de deurwaarder. Dit dwangbevel is op 4 december 2009 aan eiser betekend.

1.9. Bij brief van 7 december 2009 heeft eiser de deurwaarder verzocht akkoord te gaan met een betalingsregeling van € 50,- per maand. Nadat de deurwaarder dit verzoek had afgewezen heeft eiser bij brief van 5 januari 2010 een voorstel van € 250.,- per maand gedaan. Ook dat verzoek is afgewezen.

1.10. Op 11 januari 2010 heeft de deurwaarder de invordering van de schadevergoedingsmaatregel gestaakt en de zaak geretourneerd aan het CJIB.

1.11. Bij brief van 4 februari 2010 heeft het CJIB aan eiser een waarschuwing tenuitvoerlegging vervangende hechtenis (hierna: WAB) verzonden. Deze brief vermeldt dat het openstaande saldo van de schadevergoedingsmaatregel € 102.379,09 bedraagt en de vervangende hechtenis 293 dagen. Blijkens de brief is dit saldo gebaseerd op de oorspronkelijke schadevergoedingsmaatregel van € 102.000,- verminderd met de reeds geregistreerde betalingen van € 20.038,91 en vermeerderd met de wettelijke verhogingen van in het totaal € 20.418,00.

Deze vermindering heeft betrekking op de verrekening van een in de strafzaak tegen eiser gelegd conservatoir beslag.

1.12. Bij brief van 19 februari 2010 heeft de advocaat van eiser het CJIB voorgesteld om een betalingsregeling te treffen van € 500,- per maand. In deze brief heeft de advocaat een uitgebreide beschrijving gegeven van de persoonlijke situatie van eiser.

1.13. Bij brief van 24 februari 2010 heeft het CJIB aan de advocaat van eiser meegedeeld dat voor de schadevergoedingsmaatregel geen betalingsregeling meer kan worden getroffen aangezien reeds een WAB is verstuurd.

1.14. Tot op heden heeft eiser nog geen betalingen verricht die in mindering strekken op de onder 1.1 genoemde schadevergoedingsmaatregel.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiser vordert - zakelijk weergegeven - gedaagde te bevelen de vervangende hechtenis niet ten uitvoer te leggen en met eiser een betalingsregeling te treffen.

2.2. Daartoe voert eiser het volgende aan.

Sinds zijn vrijlating in februari 2009 heeft eiser hard gewerkt om zijn leven weer op de rails te krijgen. Hij is met hulp van MJD bezig om zijn schulden af te lossen, hij is onder behandeling voor zijn gokverslaving en hij is bovendien doende om een eigen bedrijf te starten. Aangezien eiser sinds februari 2009 een inkomen op bijstandsniveau heeft genoten, heeft hij onvoldoende draagkracht om de schadevergoedingsmaatregel binnen de termijn van 27 maanden af te lossen. Eiser is evenwel zeer gemotiveerd om het gehele bedrag te betalen. Dat blijkt onder meer uit de door hem voorgestelde betalingsregelingen.

Van gedaagde mag verwacht worden dat hij bij de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis rekening houdt met de gerechtvaardigde belangen van eiser. Dit betekent dat gedaagde (in dit geval het CJIB) akkoord moet gaan met een betalingsregeling naar draagkracht. Het CJIB heeft echter nooit inhoudelijk gereageerd op de voorstellen van eiser.

Niemand is gebaat met tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis: het zou slechts de schuldsanering en de behandeling van de gokverslaving doorkruisen, terwijl het ook nog eens het eigen bedrijf, en daarmee de betalingsmogelijkheden, van eiser tenietdoet.

Onder deze omstandigheden krijgt de tenuitvoerlegging het karakter van een straf, hetgeen niet de bedoeling is geweest van de wetgever.

De tenuitvoerlegging is dan ook onrechtmatig jegens eiser.

Gelet op de wijziging van artikel 577a lid 4 Sv (ingevolge de wet van 17 december 2009 tot wijziging van (onder meer) het Wetboek van Strafvordering), waardoor de termijn van 27 maanden komt te vervallen, staat niets eraan in de weg dat gedaagde met eiser een betalingsregeling naar draagkracht treft.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Vooropgesteld wordt dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. In opdracht van het openbaar ministerie is het CJIB belast met de executie van onder meer schadevergoedingsmaatregelen. Uit artikel 561 Sv volgt dat een vonnis zo spoedig mogelijk ten uitvoer wordt gelegd. Uit artikel 561 lid 4 Sv volgt verder dat een schadevergoedingsmaatregel in ieder geval binnen twee jaar en drie maanden (27 maanden) na de dag waarop het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, moet zijn voldaan. De wijze waarop het CJIB deze maatregelen ten uitvoer legt, is neergelegd in de 'Aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen van meerderjarigen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen, Europese geldelijke sancties en toepassing voorwaardelijke invrijheidsstelling' (Staatscourant 23 juni 2008, nr. 118, pagina 12) (hierna: de Aanwijzing). In de Aanwijzing is ten aanzien van betalingsregelingen opgenomen dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan hiervan exclusief is voorbehouden aan het CJIB, alsmede dat het CJIB in beginsel geen afbetalingsregelingen treft, tenzij een verzoek om een betalingsregeling op grond van bijzondere omstandigheden gehonoreerd kan worden.

Het CJIB heeft in deze een ruime beleidsvrijheid, wat meebrengt dat de voorzieningenrechter in kort geding deze beslissingen in beginsel slechts marginaal kan toetsen.

3.2. De stelling van eiser dat tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis verboden dient te worden aangezien geen sprake is van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht, kan niet worden gevolgd. Redengevend daarvoor is het volgende.

3.3. De hoogte van de door de strafrechter opgelegde schadevergoedingsmaatregel is gebaseerd op de feitelijk geleden schade. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de draagkracht van de veroordeelde. Dit betekent dat, zoals in het geval van eiser, soms relatief hoge schadevergoedingsmaatregelen worden opgelegd aan veroordeelden met een (zeer) beperkte aflossingscapaciteit. In deze gevallen leidt de dreiging met vervangende hechtenis niet tot snellere betaling. Dat de hechtenis zo in de ogen van eiser verworden is tot een strafoplegging in plaats van een drukmiddel om tot betaling over te gaan, maakt de tenuit-voerlegging evenwel niet onrechtmatig. De regeling van de schadevergoedingsmaatregel, neergelegd in artikel 26f Wetboek van Strafrecht, behelst dat vervangende hechtenis wordt bepaald voor het geval geen of onvolledige betaling of verhaal plaatsvindt. Hieruit volgt reeds dat de hechtenis ten uitvoer gelegd wordt in situaties waarin de veroordeelde de schadevergoedingsmaatregel niet kan voldoen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 juni 2000 (NJ 2000, 634) ook geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat dit door de wetgever onder ogen is gezien.

3.4. Het betoog van eiser dat het CJIB akkoord moet gaan met een betalingsregeling naar draagkracht kan evenmin worden gevolgd. Redengevend daarvoor is het volgende.

3.5. Uitgangspunt is dat de betaling van schadevergoedingsmaatregelen zo spoedig mogelijk dient te geschieden, bij gebreke waarvan de vervangende hechtenis ten uitvoer wordt gelegd. Het beleid is erop gericht dat alleen een betalingsregeling wordt toegestaan indien dat leidt tot integrale betaling binnen 27 maanden.

De weigering van de opvolgende betalingsregeling is alleen al niet onrechtmatig, aangezien acceptatie van deze betalingsregeling ertoe zou leiden dat betaling - ook bij de hoogst voorgestelde regeling van € 500,- per maand - 17 jaar in beslag zou nemen. Deze termijn, nog daargelaten de 27- maandentermijn, kan niet als een redelijke termijn worden aangemerkt en gedaagde hoeft hier dan ook geen genoegen mee te nemen. Dat eiser nu eenmaal geen grotere draagkracht heeft doet aan dat oordeel niet af. Hetzelfde geldt voor zijn betoog dat tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis alleen maar zal leiden tot verdere vertraging van de betaling.

Nu voorts niet aannemelijk is geworden dat verhaalsmogelijkheden aanwezig zijn - hetgeen overigens strijdig zou zijn met eisers stellingen over zijn draagkracht - kan gedaagde overgaan tot de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis.

Aan eiser moet worden toegegeven dat het evident is dat hij, gelet op zijn beperkte aflossingscapaciteit niet binnen afzienbare tijd de schadevergoedingsmaatregel van € 102.000,- kan aflossen. In dat licht bezien zijn de (standaard)brieven van het CJIB met daarin betalingsvoorstellen van € 3.778,78 per maand wat ongelukkig, doch - met het oog op het hiervoor genoemde beleid - niet onbegrijpelijk.

3.6. Dat de door eiser voorgestelde betalingsregeling wel zou worden toegestaan indien de door eiser aangehaalde wijzigingswet in werking treedt, is voorshands niet aannemelijk. Blijkens de toelichting op de nota van wijziging (TK 2006/2007 30 143, nr. 19) dient na schrapping van de termijn van artikel 561 lid 4 Sv een nieuw beleid te worden ontwikkeld "waarbinnen een duidelijk, helder en volledig kader moet worden vastgesteld waarbinnen langere betalingsregelingen worden mogelijk gemaakt". Het is hoogst twijfelachtig dat op grond van dit nieuw te ontwikkelen beleid een betalingsregeling met een looptijd van 17 jaar zou worden toegestaan.

3.7. Overigens is de voorzieningenrechter van oordeel dat vooralsnog onvoldoende is gebleken van de betalingsbereidheid van eiser. Vanaf augustus 2009 heeft hij betalingsregelingen van € 25,- € 50,-, € 250,- en € 500,- per maand aangeboden, zonder ook maar een keer tot betaling te zijn overgegaan.

3.8. Ten slotte moet aan eiser worden toegegeven dat het ongelukkig is dat de vervangende hechtenis aanvangt op een moment - een jaar na zijn invrijheidstelling - dat hij stappen heeft ondernomen om tot resocialisatie te komen. Deze omstandigheid maakt de tenuitvoerlegging evenwel niet onrechtmatig. De hechtenis is het gevolg van de aan eiser opgelegde straf en hechtenis raakt nu eenmaal per definitie aan de resocialisatie van een veroordeelde. Overigens is niet gesteld of gebleken of eiser tijdens de hechtenis niet (gedeeltelijk) kan voortgaan met zijn behandelingen of dat hij deze behandelingen en zijn inspanningen voor zijn eigen bedrijf niet tijdelijk, voor de duur van de hechtenis, kan onderbreken.

3.9. Een en ander leidt tot het oordeel dat voorshands niet gebleken is dat gedaagde onrechtmatig handelt jegens eiser door de door hem voorgestelde betalingsregelingen niet te accepteren, zodat het gevorderde zal worden afgewezen.

3.10. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.079,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 263,- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2010.

WJ