Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2697

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
AWB 10/5495
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BO1981, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 15c Definitierichtlijn / uitzonderlijke situatie / Somalië / ontheemden / 48-uurstermijn / asielverzoek

Eiseres heeft betoogd dat de melding op het AC opgevat moet worden als een asielverzoek in de zin van artikel 2, aanhef en onder b, Procedurerichtlijn en artikel 2, aanhef en onder c, Dublinverordening en dat deze melding de 48-uurstermijn doet aanvangen. De rechtbank overweegt dat, nu nadere nadere normen ten aanzien van de procedurele invulling van de versnelde procedure in deze richtlijn en verordening ontbreken, alsmede in aanmerking genomen punt 11 van de considerans van de Procedurerichtlijn, dat vermeldt dat de organisatie van de behandeling van asielverzoeken dient te worden overgelaten aan het oordeel van de lidstaten, het aan de lidstaten is om procedurele invulling te geven aan deze versnelde procedure. Derhalve geven deze richtlijn en verordening geen nadere regels omtrent de wijze waarop de Nederlandse staat de zogenaamde aanmeldcentrumprocedure, ook wel 48 uurs procedure genoemd, vorm dient te geven.

Ten aanzien van artikel 15c Definitierichtlijn overweegt de rechtbank dat het uitgangspunt van verweerder dat de vraag of sprake is van een uitzonderlijke situatie beoordeeld moet worden in de context van Zuid- en Centraal-Somalië en niet tegen de achtergrond van een stad of een gebied van beperkte omvang, de rechtbank niet onjuist voorkomt. Verweerder hanteert, ter beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie, het criterium dat het aantal doden en gewonden dient te worden afgezet tegen het inwonertal van Zuid- en Centraal-Somalië. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze maatstaf een te beperkte invulling geeft aan artikel 15c Definitierichtlijn. Immers, krachtens de tekst van deze bepaling, dient bij de beoordeling of een burger bij terugkeer naar een land te vrezen heeft voor een reëel risico op ernstige schade naast handelingen die het leven bedreigen ook betekenis toe te komen aan handelingen, die op zichzelf nog niet levensbedreigend zijn, maar wel de persoon van een burger bedreigen. De besluitvorming geeft er voorts geen blijk van dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven van de uit het ambtsbericht van oktober 2009 blijkende kwetsbare positie van ontheemden. Met de opmerking dat de vluchtelingenstromen en het grote aantal ontheemden erop duiden dat grote aantallen personen in staat zijn zich binnen Somalië te bewegen op het moment dat sprake is van gewelddadigheden naar gebieden die rustiger zijn, heeft verweerder dat in onvoldoende mate onderkend. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 10/5495

Datum uitspraak: 23 april 2010

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam eiseres],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Somalische nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr. S.D. Lugt,

tegen

de Staatssecretaris, thans de Minister van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2010, uitgereikt op 11 februari 2010, heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 4 februari 2010 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is bekendgemaakt in het aanmeldcentrum te Zevenaar.

Op 11 februari 2010 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 april 2010. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.P.G. van Bel.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit – de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Verweerder heeft de aanvraag in het aanmeldcentrum afgewezen en heeft daaraan, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, het volgende ten grondslag gelegd.

De 48-uurstermijn is aangevangen op het moment dat de asielaanvraag is ingediend, te weten op 4 februari 2010, en niet, zoals eiseres betoogt, op het moment dat zij zich bij de Nederlandse autoriteiten heeft gemeld. De stelling van eiseres dat verweerder de 48-uurstermijn heeft overschreden is dan ook niet juist.

Ten aanzien van artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn) stelt verweerder zich op het standpunt dat geen aanleiding is te oordelen dat in Zuid- en Centraal-Somalië, en de provincie Hiiran, waaruit eiseres afkomstig is, in het bijzonder, sprake is van de in deze bepaling bedoelde uitzonderlijke situatie.

3. Hiermee kan eiseres zich niet verenigen. In het navolgende zal, voor zover van belang, op haar stellingen worden ingegaan.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de gestelde overschrijding van de 48-uurstermijn

5. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 16 februari 2004 in zaak nr. 200308695/1, JV 2004/113) valt uit artikel 69, tweede lid, van de Vw 2000 af te leiden dat de 48-uurstermijn in ieder geval aanvangt op het moment, waarop de asielaanvraag wordt ingediend, dan wel, als deze nog niet is ingediend, op het moment dat enig op de in te dienen aanvraag gericht onderzoek heeft plaatsgevonden.

Ingevolge artikel 3.108, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de asielaanvraag door de vreemdeling in persoon ingediend op een bij ministeriële regeling te bepalen plaats.

Ingevolge artikel 3.38 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000) wordt de asielaanvraag gedaan door indiening van een formulier van het in bijlage 13 bij deze regeling met de letter i aangeduide model.

Volgens paragaaf C10/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover thans van belang, vindt feitelijke opname in – en daarmee de start van – de asielprocedure alleen plaats na afspraak. Spontane melding van de vreemdeling, die aangeeft asiel te willen aanvragen, bij de vreemdelingenpolitie van het aanmeldcentrum doet dus niet de 48-uursprocedure aanvangen.

6. Eiseres heeft aangevoerd dat de 48-uurstermijn eerder is aangevangen dan op het moment van de door haar ingediende asielaanvraag, als bedoeld in artikel 3.38 van het VV 2000. Daartoe heeft zij betoogd dat zij reeds op 23 januari 2010 bij haar aanmelding op het aanmeldcentrum in Ter Apel haar wens om internationale bescherming kenbaar heeft gemaakt, en deze melding opgevat dient te worden als een asielverzoek in de zin van artikel 2, aanhef en onder b, van Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (hierna: de Procedurerichtlijn) dan wel artikel 2, aanhef en onder c, van Verordening 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening). Volgens eiseres heeft verweerder aldus de 48-uurstermijn overschreden.

7. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn wordt in deze richtlijn onder asielverzoek verstaan een verzoek van een onderdaan van een derde land dat kan worden opgevat als een verzoek om verlening van internationale bescherming door een lidstaat krachtens het Verdrag van Genève en wordt elk verzoek om internationale bescherming als een asielverzoek beschouwd, tenzij de onderdaan van een derde land uitdrukkelijk vraagt om een andere vorm van bescherming waarvoor een afzonderlijk verzoek kan worden ingediend.

Een bepaling van vergelijkbare strekking is opgenomen in artikel 2, aanhef en onder c, van de Verordening.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Verordening wordt een asielverzoek geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de asielzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Bij een niet-schriftelijk verzoek dient de termijn tussen de intentieverklaring en het opstellen van een proces-verbaal zo kort mogelijk te zijn.

Ingevolge artikel 23, vierde lid, van de Procedurerichtlijn, voor zover thans van belang, kunnen de lidstaten bepalen dat een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II wordt versneld.

8. Voornoemd artikel 23, vierde lid, van de Procedurerichtlijn biedt lidstaten de mogelijkheid om de asielprocedure zodanig in te richten dat bepaalde asielverzoeken versneld mogen worden behandeld. Nu nadere normen ten aanzien van de procedurele invulling van de versnelde procedure in de Procedurerichtlijn en in de Verordening ontbreken, alsmede in aanmerking genomen punt 11 van de considerans van de Procedurerichtlijn, dat vermeldt dat de organisatie van de behandeling van asielverzoeken dient te worden overgelaten aan het oordeel van de lidstaten, is het aan de lidstaten om procedurele invulling te geven aan deze versnelde procedure. Derhalve geven deze richtlijn en verordening geen nadere regels omtrent de wijze waarop de Nederlandse staat de zogenaamde aanmeldcentrumprocedure, ook wel 48 uurs procedure genoemd, vorm dient te geven. De in de Procedurerichtlijn en de Verordening gebruikte definitie van een asielverzoek is slechts, gelet op de tekst en de opname van de desbetreffende bepalingen in de artikelen die zien op definities, van belang voor de interpretatie van de in die richtlijn en verordening opgenomen bepalingen. Een verdere strekking hebben zij niet. Het betoog van eiseres dat de 48 uurstermijn aanvangt op het moment dat een asielverzoek, als bedoeld in die richtlijn en verordening, is ingediend, faalt derhalve omdat de betrokken bepalingen niet die strekking hebben. De in artikel 4, tweede lid, van de Verordening opgenomen bepaling ziet slechts op de aanvang van de in dat artikel bedoelde procedure en heeft aldus evenmin betrekking op de aanvang van de 48 uurstermijn.

9. Uit het vorenstaande volgt dat, nu eiseres eerst op 4 februari 2010 door middel van het daartoe bestemde formulier een asielaanvraag heeft ingediend, en gesteld noch gebleken is dat voorafgaand aan deze aanvraag enig op de in te dienen aanvraag gericht onderzoek heeft plaatsgevonden, de 48-uurstermijn niet is overschreden, zodat het betoog van eiseres niet slaagt. De rechtbank ziet geen aanleiding de door de gemachtigde in zijn pleitnota genoemde, en, naar hij stelt, binnenkort te verwachten, Afdelingsuitspraak over een kennelijk soortgelijke rechtsvraag betreffende de Verordening af te wachten.

Ten aanzien van het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn

10. Tussen partijen is voorts in geschil of eiseres recht op bescherming kan ontlenen aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

11. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan – voor zover hier van belang – een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

12. Onder artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, wordt met ingang van 25 april 2008 ingevolge het bepaalde in artikel 3.105d van het Vb 2000, voor zover hier van belang, ook begrepen ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

13. Met voornoemde bepaling heeft verweerder uitvoering gegeven aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

14. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 25 mei 2009 (nr. 200702174/2/V2, JV 2009/291), kan uit rechtsoverweging 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 17 februari 2009, in zaak C-465/07 (JV 2009/111), gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40 van dat arrest, worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging (hierna: de uitzonderlijke situatie). Volgens de Afdeling voorziet artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) worden bestreken en laatstgenoemde bepaling – gezien de daaraan door het Europese Hof voor de rechten van de mensen (hierna: het EHRM) gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008 (nr. 25904/07, N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, JV 2008/329) – ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om tot een ander dan het hiervoor weergegeven oordeel over de betekenis en de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn te komen.

15. Niet in geschil is dat eiseres afkomstig is uit de provincie Hiiran, in Centraal-Somalië. Voorts is niet in geschil dat in Centraal-Somalië sprake is van een gewapend conflict. Partijen worden verdeeld gehouden over de vraag of in Zuid- en Centraal-Somalië, en in Hiiran in het bijzonder, sprake is van vorenbedoelde uitzonderlijke situatie.

16. In het besluit van 10 februari 2010, en het daarin ingelaste voornemen, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld geen aanleiding te zien om aan te nemen dat in Zuid- en Centraal-Somalië sprake is van vorenbedoelde uitzonderlijke situatie. Bij brief van 9 april 2010, alsmede ter zitting, heeft verweerder toegelicht dat de vraag of sprake is van een uitzonderlijke situatie beoordeeld moet worden in de context van Zuid- en Centraal-Somalië en niet tegen de achtergrond van één stad of een gebied van beperkte omvang. Een zo beperkte toetsing sluit, aldus verweerder, onvoldoende aan bij de termen van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn waarin wordt verwezen naar een situatie van een gewapend conflict. Beoordeling op stadsniveau is bovendien in redelijkheid niet uitvoerbaar, omdat dit zou betekenen dat een aparte en actuele beoordeling nodig is van elke stad in een land van herkomst waar een asielzoeker uit afkomstig is.

17. De rechtbank komt deze beoordeling in algemene zin niet onjuist voor.

Immers, blijkens de in artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn gegeven definitie is een ‘persoon die voor de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt’ een onderdaan van een derde land ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15 van de Definitierichtlijn.

Daarnaast volgt uit de Afdelingsuitspraak van 15 januari 2010, LJN BL9431, dat de vreemdeling, om aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn aanspraak op bescherming te kunnen ontlenen, aannemelijk dient te maken dat in zijn land van herkomst sprake is van de in deze bepaling bedoelde uitzonderlijke situatie. In het verlengde daarvan dient verweerder dan ook, aan de hand van de door de vreemdeling aangedragen informatie, de veiligheidssituatie op landsniveau te beoordelen.

Voor het standpunt dat in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn de veiligheidssituatie in het gehele gebied dient te worden beoordeeld vindt de rechtbank bovendien steun in het eerdergenoemde arrest van het EHRM van 17 juli 2008 en het arrest van 20 januari 2009 (F.H. tegen Zweden, nr. 32621/06, JV 2009/74), waarin het EHRM, ter beantwoording van de vraag of sprake is van ‘the most extreme cases of general violence’, de algemene veiligheidssituatie in het gehele land in ogenschouw neemt.

18. Ten betoge dat zij bij terugkeer naar Zuid- en Centraal-Somalië een risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn heeft eiseres in de bestuurlijke fase verwezen naar de meest recente algemene ambtsberichten inzake Somalië van de Minister van Buitenlandse Zaken, en een aantal rechterlijke uitspraken. Voorts heeft zij benadrukt dat het Hof in eerdergenoemd arrest van 17 februari 2009 heeft overwogen dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, een bepaling is, waarvan de inhoud verschilt van die van artikel 3 van het EVRM en waarvan de uitlegging dan ook autonoom dient te geschieden.

19. Verweerder heeft zich in het besluit van 10 februari 2010, en het daarin ingelaste voornemen, op het standpunt gesteld dat om tot een conclusie te komen over de vraag of al dan niet sprake is van een uitzonderlijke situatie het aantal doden en gewonden dient te worden afgezet tegen het inwonertal van Zuid- en Centraal-Somalië. In het licht van deze cijfers heeft verweerder geen aanleiding gezien te oordelen dat in Zuid- en Centraal-Somalië sprake is van deze uitzonderlijke situatie. Bij deze beoordeling heeft verweerder het algemene ambtsbericht inzake Somalië van de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: het ambtsbericht) van maart en oktober 2009 betrokken.

20. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met vorenbedoelde maatstaf een te beperkte invulling geeft aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Immers, krachtens de tekst van deze bepaling, dient bij de beoordeling of een burger bij terugkeer naar een land te vrezen heeft voor een reëel risico op ernstige schade naast handelingen die het leven bedreigen ook betekenis toe te komen aan handelingen, die op zichzelf nog niet levensbedreigend zijn, maar wel de persoon van een burger bedreigen. Zo valt, mede gelet op de in rechtsoverweging 14 genoemde Afdelingsuitspraak die ertoe lijkt te strekken dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn in het licht van artikel 3 van het EVRM dient te worden bezien, niet in te zien waarom in deze context bijvoorbeeld geen betekenis zou toekomen aan het risico om slachtoffer te worden van verkrachting of van willekeurige arrestatie of detentie, welke handelingen door artikel 3 van het EVRM zijn verboden. Dit klemt te meer nu het ambtsbericht van oktober 2009 vermeldt dat in de verslagperiode in geheel Somalië groepsverkrachtingen hebben plaatsgevonden, met name vrouwen en meisjes in nederzettingen van ontheemden vaak het slachtoffer zijn geworden van verkrachting en ontheemden ook tijdens hun vlucht kwetsbaar zijn en het risico lopen verkracht te worden. Voorts blijkt uit het ambtsbericht dat tijdens de verslagperiode in geheel Somalië willekeurige arrestaties en detenties door diverse groeperingen voorkwamen.

21. Daarnaast acht de rechtbank nog het volgende van belang. In zijn brief van 9 april 2010 heeft verweerder opgemerkt dat hij in het kader van de beoordeling van de situatie in Zuid- en Centraal-Somalië de vluchtelingenstromen in ogenschouw heeft genomen. De besluitvorming geeft er evenwel geen blijk van dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven van de uit het ambtsbericht van oktober 2009 blijkende kwetsbare positie van deze ontheemden, die, bezien in de context van de straffeloosheid en het gebrek aan overheidsgezag dat gedurende de verslagperiode in grote delen van Somalië heerste, en het ontbreken van een politie-apparaat buiten Mogadishu, een hoog risico lopen om zowel tijdens hun vlucht als in de ontheemdenkampen, het slachtoffer te worden van bedreigingen, mishandelingen en verkrachtingen. Voorts blijkt ook dat grote aantallen vluchtelingen Zuid- en Centraal-Somalië verlaten en naar de buurlanden trekken. Met de opmerking in de brief van 9 april 2010 dat de vluchtelingenstromen en het grote aantal ontheemden erop duiden dat grote aantallen personen in staat zijn zich binnen Somalië te bewegen op het moment dat sprake is van gewelddadigheden naar gebieden die rustiger zijn, heeft verweerder het voorgaande in onvoldoende mate onderkend.

22. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder ontoereikend heeft gemotiveerd dat in Zuid- en Centraal-Somalië, ten tijde van belang, geen sprake was van een zodanige mate van geweld dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liep op ernstige schade, als vorenbedoeld. Het besluit van 10 februari 2010 is dan ook in strijd met artikel 3:46 van de Awb genomen. Aan de bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet toe.

23. Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 437,- per punt en wegingsfactor 1). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 10 februari 2010;

veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft gemaakt tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzitter, en mr. C. van Linschoten en mr. E.C. Ruinaard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

De griffier,

De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).