Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2674

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
AWB 09/4736 VPB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2927, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag, nieuw feit, geen ambtelijk verzuim. Aanvullende aangifte die is ingediend nadat de aanslag door de belastingdienst is geregeld maar voordat de aanslag naar de belastingplictige is verzonden, vormt in het onderhavige geval een feit op grond waarvan verweerder kan navorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1125
NTFR 2010/1450 met annotatie van mr. J.M. Sitsen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09/4736 VPB

Uitspraakdatum: 13 april 2010

Proces-verbaal van de mondelinge UITSPRAAK ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[X] Holding B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 27 mei 2009 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres voor het jaar 2007 opgelegde navorderingsaanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag € 44.751 (aanslagnummer [nummer]).

I ZITTING

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2010.

Namens eiseres zijn daar verschenen drs. [A] en [B]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [C], [D] en [E].

Ter zitting is de zaak behandeld samen met de zaken AWB 09/4737 en 09/4739 VPB.

II BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

III OVERWEGINGEN

1. Eiseres heeft op 16 augustus 2008 een aanmaning ontvangen tot het doen van aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 2007. Nadat het verzoek om uitstel daartoe door verweerder is afgewezen, heeft eiseres op 22 oktober 2008 een nihilaangifte ingediend.

Vervolgens heeft eiseres, nadat de cijfers over 2007 bekend waren, op 26 januari 2009 een aanvullende aangifte vennootschapsbelasting 2007 ingediend naar een belastbaar bedrag van € 44.751.

2. Met dagtekening 7 februari 2009 heeft verweerder aan eiseres overeenkomstig de oorspronkelijk ingediende aangifte een (definitieve) aanslag vennootschapsbelasting 2007 opgelegd naar een belastbaar bedrag van nihil, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 22.

3. Met dagtekening 7 maart 2009 heeft verweerder in verband met (en overeenkomstig) de aanvullende aangifte een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2007 aan eiseres opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 44.751.

4. In geschil is of verweerder de navorderingsaanslag aan eiseres heeft mogen opleggen. Meer specifiek is in geschil of er sprake is van een nieuw feit of van kwade trouw als bedoeld in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) op grond waarvan verweerder kan navorderen. Het bedrag van de navorderingsaanslag is verder niet in geschil.

5. Eiseres stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat er geen sprake is van een nieuw feit of van kwade trouw. Met betrekking tot (de afwezigheid van) het nieuwe feit stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder ten tijde van het vaststellen van de aanslag - zeker na ontvangst van de aanvullende aangifte - gerede twijfel had moeten hebben met betrekking tot de juistheid van de eerste ingediende aangifte en dat hij daarom de aanslag niet zonder een nader onderzoek had mogen vaststellen.

6. Verweerder meent dat wel sprake is van een nieuw feit of van kwade trouw.

7. Ingevolge artikel 16, eerste lid, AWR kan een feit, dat verweerder bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Met betrekking tot de onderzoeksplicht van verweerder bij het vaststellen van de primitieve aanslag is het uitgangspunt dat hij als regel met vertrouwen mag afgaan op de aangifte van een belastingplichtige. Verweerder is slechts gehouden een onderzoek in te stellen indien er bijzondere omstandigheden zijn die hem reden geven aan de juistheid van een ingediende aangifte te twijfelen.

8. De definitieve aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2007, gedagtekend 7 februari 2009, is conform het oorspronkelijk aangegeven belastbare bedrag opgelegd. Uit de verklaring van verweerder in samenhang met de tot de gedingstukken behorende schermprint is aannemelijk dat de aangifte die elektronisch is ingediend, op 13 januari 2007 is bekeken op de vraag of nader onderzoek nodig is danwel deze geschikt is voor doorzending naar Apeldoorn. Op 26 januari heeft die doorzending plaatsgevonden, terwijl de aanvullende aangifte van eiseres eveneens op 26 januari 2009 bij de belastingdienst is ingekomen. Hierdoor acht de rechtbank aannemelijk dat verweerder op het aanslagmoment redelijkerwijs nog geen kennis kon hebben van de aanvullende aangifte van eiseres. Mitsdien kan, anders dan eiseres bepleit, verweerder niet worden aangerekend dat hij bij het opleggen van de primitieve aanslag geen rekening heeft gehouden met de aanvullende aangifte. Dat die aanslag is gedagtekend 9 werkdagen nadat de aanvullende aangifte is ingediend, en dat tussen het aanslagmoment en de dagtekening van de aanslag 19 werkdagen zitten, maakt dit niet anders. Daarbij overweegt de rechtbank dat de belastingdienst enerzijds enige tijd moet worden gegund om na het aanslagmoment de feitelijk vastgestelde elementen van de aanslag om te zetten naar een aanslag, die te dateren en naar eiseres te verzenden, terwijl anderzijds ook een redelijke termijn moet worden gegund om een ingediende aangifte, nadat die is ontvangen, te verwerken (vergelijk o.a. HR 17 februari 1999, nr. 34 445, LJN: AA2664 en HR 27 mei 1992, nr. 28 101, BNB 1992/303). Naar het oordeel van de rechtbank kan in het onderhavige geval ook niet worden gezegd dat verweerder de aanvullende aangifte niet binnen een redelijke termijn heeft verwerkt.

9. Vervolgens is van belang of er op het aanslagmoment bijzondere omstandigheden waren die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om een nader onderzoek in te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Anders dan eiseres stelt, vormt het feit dat aan verweerder schriftelijk om uitstel voor het indienen van de aangifte was verzocht niet een zodanige bijzondere omstandigheid, ook niet in samenhang bezien met het feit dat nadat dit verzoek is afgewezen door eiseres een nihilaangifte was ingediend. Ook het enkele feit dat de aangifte een belastbaar bedrag van nihil toont, behoeft - anders dan eiseres stelt - als zodanig nog geen omstandigheid te zijn op grond waarvan verweerder gehouden is een nader onderzoek in te stellen. Dit geldt temeer nu de aangifte was verzorgd door een professioneel gemachtigde.

10. Nu eiseres niet heeft gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat er overigens contact tussen enerzijds (de gemachtigde van) eiseres en anderzijds (een medewerker van) verweerder is geweest, op grond waarvan verweerder op het aanslagmoment gehouden was een nader onderzoek naar de juistheid van de aangifte in te stellen, oordeelt de rechtbank dat verweerder bij het opleggen van de primitieve aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2007 geen ambtelijk verzuim heeft begaan. Dat eiseres behoudens in het jaar 2007, steeds opgenomen is geweest in de uitstelregeling van de belastingdienst, maakt dit niet anders. Anders dan eiseres kennelijk bepleit, is het feit dat zij in afwijking van eerdere jaren voor het jaar 2007 niet is opgenomen in die regeling niet een omstandigheid op grond waarvan verweerder gehouden was onderzoek naar de aangifte te doen. Het feit dat een verzoek om uitstel door verweerder was afgewezen, maakt dat niet anders.

11. In hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, onder meer over de keuzes van de belastingdienst om niet langer te wachten met het geautomatiseerd opleggen van de primitieve aanslag en om niet eerst een voorlopige aanslag op te leggen, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Anders dan eiseres stelt, zijn dit geen keuzes die aan de mogelijkheid tot navorderen in de weg staan.

12. Nu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een ambtelijk verzuim, vormde de aanvullende aangifte vennootschapsbelasting 2007 een nieuw feit op grond waarvan verweerder kon navorderen. Derhalve behoeft het standpunt van verweerder dat sprake is van kwade trouw als bedoeld in artikel 16 van de AWR dan ook geen behandeling.

13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Met betrekking tot het door verweerder ter zitting gedane verzoek om eiseres te veroordelen in de door verweerder gemaakte proceskosten, overweegt de rechtbank dat zij ook daartoe geen aanleiding ziet. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door eiseres. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat het eiseres en haar professionele gemachtigde duidelijk moet zijn geweest dat hun beroep volstrekt kansloos was. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiseres - naar zij zelf ook stelt - weliswaar een (kennelijk) onjuiste aangifte heeft gedaan, maar dat zij enige tijd vóórdat zij de definitieve aanslag ontving reeds een aanvullende (juiste) aangifte had gedaan.

Aldus vastgesteld door mr. R.C.H.M. Lips, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. A.J. Kwestro.

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.