Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2557

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
AWB 09/4266
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep van ex-cadet Nederlandse Defensie Academie tegen de datum van het haar verleende gevraagde ontslag i.v.m. het om medische redenen niet kunnen vervolgen van haar opleiding als officier. Tijdens haar plaatsing in het Individueel Begeleidingspeloton zijn met haar commandant afspraken gemaakt, onder meer over de datum van indiening van haar ontslagverzoek en over de ontslagdatum (1 april 2009). Vervolgens is ontslag verleend met ingang van 4 maart 2009, zijnde een maand na de datum van indiening van het ontslagverzoek. De datum van het ontslagverzoek is bepaald door de veronderstelling dat de proeftijd van eiseres korte tijd daarna zou aflopen, in feite gold ook tijdens de plaatsing bij het Individueel Begeleidingspeloton nog een (verlengde) proeftijd. Verweerder is van oordeel dat de commandant van eiseres geen rechtens te honoreren toezegging omtrent de ontslagdatum heeft kunnen doen.

Er is sprake geweest van dwaling bij eiseres, zowel ten aanzien van de datum van indiening als ten aanzien van de ontslagdatum. Eiseres heeft zich daarop wensen te beroepen met haar verzoek (via haar commandant) om alsnog 1 april 2009 als ontslagdatum aan te houden. Ook een beroep op dwaling van een ontslagen ambtenaar kan aanleiding geven terug te komen van een reeds verleend ontslag, indien het nadere besluit nog vóór de aanvankelijke ontslagdatum kan worden genomen en bekendgemaakt (vergelijk: CRvB 24 oktober 1996, TAR 1997, 19, LJN: ZB6412). Beroep gegrond, herroeping van het ontslagbesluit ten aanzien van de ingangsdatum van het ontslag, verplichting voor verweerder tot nabetaling van salaris en vergoeding van premie voor ziektekostenverzekering eiseres over maart 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/4266 MAW

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A], wonende te [plaats], eiseres,

gemachtigde mr. [B],

en

de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Bij rekest van 4 februari 2009 heeft eiseres, soldaat der derde klasse bij de Koninklijke Landmacht en cadet aan de Nederlandse Defensie Academie, verweerder verzocht haar ontslag te verlenen.

Bij besluit van 11 februari 2009 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat haar met ingang van 4 maart 2009 eervol ontslag is verleend.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 12 maart 2009 bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 mei 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 14 juni 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 16 november 2009 ter zitting behandeld.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [B].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [C].

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, het vooronderzoek hervat en verweerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op door de rechtbank opgeworpen vragen.

Bij brief van 7 december 2009 heeft de gemachtigde van verweerder gereageerd. Bij brief van 20 december 2009 heeft eiseres hierop haar commentaar gegeven.

Nadat partijen daarvoor schriftelijk toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank bepaald dat verder onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. In geschil is de vraag of verweerder op goede gronden 4 maart 2009 als ingangsdatum van het aan eiseres op haar verzoek verleende ontslag heeft gehandhaafd.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is met ingang van 13 augustus 2008 aangesteld bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht. Zij volgde als cadet de officiersopleiding aan de Nederlandse Defensie Academie (NLDA).

Als gevolg van een hersenschudding en later andere medische mutaties heeft eiseres verscheidene onderdelen van de opleiding moeten missen, waardoor over haar geen volledige eindbeoordeling kon worden opgemaakt. Op advies van de Vaste Commissie Examens, die had vastgesteld dat eiseres niet aan de voorwaarden van het examenreglement kon voldoen, is eiseres bij verweerders besluit van 8 januari 2009 ontheven uit de reguliere opleiding, is haar proeftijd verlengd en is zij geplaatst in het Individueel Begeleidings-peloton (IBP) met de bedoeling na herstel op een later moment de opleiding te vervolgen.

Na overleg met de arbo-arts heeft eiseres in januari 2009 besloten te stoppen met de opleiding en ontslag te nemen. Op 26 januari 2009 heeft gesprek plaatsgevonden tussen eiseres, haar pelotonscommandant en een bedrijfsmaatschappelijk werkende. In dat gesprek zijn afspraken gemaakt over de afwikkeling van de medische begeleiding van eiseres, waarna zij met ingang van 1 april 2009 de dienst zou verlaten. Met ingang van genoemde datum had eiseres een andere baan aanvaard. Hiertoe heeft zij op 4 februari 2009 een ontslagrekest ingediend, waarna haar met ingang van 4 maart 2009 eervol ontslag is verleend. Eiseres heeft via haar commandant bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van haar ontslag, waarna deze de afdeling P&O heeft verzocht genoemde datum te wijzigen in

1 april 2009, waartoe evenwel niet is overgegaan.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met de ingangsdatum van haar ontslag. Eiseres voert hiertoe aan dat in overleg met majoor [D], de commandant Individueel Begeleidingspeloton, is besloten dat eiseres in februari haar ontslag zou indienen en dat zij dan per 1 april 2009 de dienst zou verlaten. Deze afspraak is tijdens een gesprek met [E], de bedrijfsmaatschappelijk werkende, nog eens bevestigd. Eiseres beroept zich op artikel 47, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Verweerder heeft de regelgeving onjuist toegepast. Een juiste toepassing leidt, bij een ontslagaanvraag op 4 februari 2009, tot een ingangsdatum van het ontslag van 1 april 2009. Verweerder geeft voorts een te beperkte uitleg aan het vertrouwensbeginsel. Eiseres mocht vertrouwen op de gedane toezegging en mocht er ook op vertrouwen dat degene die de toezegging deed deze ook mocht doen. Eiseres is van mening dat zij recht heeft op uitbetaling van het salaris tot 1 april 2009 en vergoeding van de gemaakte kosten voor een ziektekostenverzekering voor de maand maart 2009.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit op goede gronden is gebaseerd. Verweerder overweegt dat eiseres in haar ontslagrekest niet heeft verzocht om de ingangsdatum 1 april 2009 en niet heeft verwezen naar eventueel gedane toezeggingen. Volgens verweerder is het een door Defensie toegepaste bestendige gedragslijn om een ontslag op aanvraag tijdens de proeftijd in te laten gaan nadat een maand is verstreken sedert het tijdstip waarop de aanvraag om ontslag is ingediend.

5. Ingevolge artikel 47, eerste lid, van het AMAR wordt ontslag in het algemeen verleend met ingang van de eerste dag van een kalendermaand.

Ingevolge het derde lid van dit artikel gaat een ontslag op aanvraag tijdens de proeftijd niet eerder in dan nadat ten minste een maand is verstreken sedert het tijdstip waarop de aanvraag om ontslag is ingediend.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 12bis van de Militaire ambtenarenwet is het bevoegd gezag verplicht zich als een goed werkgever te gedragen. Deze algemeen geformuleerde norm leidt in het concrete geval van eiseres tot het toepassen van een zorgvuldige begeleiding na haar plaatsing in het Individueel Begeleidingspeloton (IBP). De taak van het IBP bestaat, kort weergegeven en beperkt tot de situatie van eiseres, in het faciliteren en begeleiden van cadetten met medische en/of sociale problemen bij hun herstel op basis van een herstelplan, waarna zij hun opleiding kunnen vervolgen dan wel in het overdragen van cadetten aan (thans) het Dienstencentrum Re-integratie (DCR), indien re-integratie niet op redelijke termijn kan worden verwacht.

6.2 Eiseres is in overleg met haar arbo-arts lkol-arts [F] tot de conclusie gekomen dat op medische gronden hervatting van de opleiding niet haalbaar was, zodat zij de militaire dienst zou moeten verlaten. Blijkens een e-mail aan de commandant van eiseres van 26 januari 2009 achtte deze arts eiseres blijvend niet militair opleidbaar. Eiseres restte daardoor slechts een ontslagverzoek.

6.3 Over die situatie heeft eiseres op dezelfde datum overleg gehad met de majoor [D], commandant IBP, en de bedrijfsmaatschappelijk werkende, mevrouw [E]. Daarbij zijn afspraken gemaakt over het afwikkelen van de medische begeleiding van eiseres (zij had nog een afspraak bij de medisch specialist in het Centraal Militair Hospitaal) en over het indienen van een ontslagrekest, waarna ontslagverlening met ingang van 1 april 2009 zou volgen. Per die datum had eiseres tijdelijk werk gevonden, in afwachting van een studie, die zij in augustus-september 2009 wilde beginnen. In het licht van het (vermeend) aflopen van de proeftijd van eiseres op 11 februari 2009 is haar daarbij geadviseerd haar ontslagrekest voor die datum in te dienen, opdat er geen discussie zou kunnen ontstaan over een eventuele terugbetaling van opleidingskosten. Dat aspect was evenwel niet aan de orde, aangezien de proeftijd van eiseres bij besluit van 8 januari 2009 was verlengd met de tijd dat zij bij het IBP in begeleiding was. Eiseres heeft niettemin, in goed vertrouwen op de met haar commandant gemaakte afspraken, op 4 februari 2009 haar ontslagrekest ingediend, in de verwachting dat haar daarop met ingang van 1 april 2009 ontslag zou worden verleend. Met toepassing van artikel 47, derde lid, van het AMAR is het ontslag evenwel met ingang van 4 maart 2009 verleend.

6.4 Verweerder heeft aangevoerd dat de commandant van eiseres ingevolge het Mandaat- besluit uitvoerende bevoegdheden AMAR en de mandaatbeschikking Personeelscommando niet bevoegd was tot het doen van toezeggingen als hier aan de orde, omdat het bevoegd gezag, de Commandant NLDA, geen ondermandaat heeft verleend binnen de NLDA. Daarom faalt het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel, omdat de uitlatingen van de majoor [D] niet afkomstig waren van een tot beslissen bevoegd orgaan en niet bestonden in ten aanzien van eiseres gedane uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen, die bij haar gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 januari 2009, LJN: BH1665. Verder heeft verweerder aangevoerd dat artikel 47, derde lid, van het AMAR op correcte wijze is toegepast en dat eiseres door genoemde bepaling wordt beschermd tegen een direct ingaand ontslag tijdens de proeftijd. Ook heeft verweerder aangevoerd dat de ontslagdatum 4 maart 2009 voor eiseres financieel gunstiger was in verband met een anders mogelijk ontstane terugbetalingsverplichting ten aanzien van de opleidingskosten.

6.5 Naar het oordeel van de rechtbank kan dit verweer geen stand houden.

De rechtbank is van oordeel dat de norm van goed werkgeverschap meebrengt dat in het IBP zeer zorgvuldig wordt gehandeld en dat ten aanzien van de bij dat peloton ingedeelde cadetten maatwerk wordt toegepast. Het gaat immers om relatief jonge mensen, die veelal buiten hun schuld worden geconfronteerd met een situatie waarin blijkt dat de beoogde loopbaan als beroepsmilitair niet langer mogelijk is en die zich in een kwetsbare positie bevinden. Zij zijn dan feitelijk genoodzaakt om ontslag te verzoeken, waarmee hun dienstverband bij Defensie definitief wordt beëindigd. Het vereiste maatwerk brengt dan met zich dat de betrokkene goed wordt voorgelicht omtrent zijn rechtspositie en dat binnen redelijke grenzen rekening wordt gehouden met de wensen en mogelijkheden van betrokkene. De majoor [D] heeft blijk gegeven zich daarvan bewust te zijn geweest door met eiseres afspraken te maken over de modaliteiten waaronder het dienstverband van eiseres zou worden beëindigd. Dat het hier niet gaat om bevoegdelijk gedane toezeggingen waaraan verweerder rechtens gebonden is, acht de rechtbank niet van doorslaggevende aard. Verweerder was gehouden om genoemde majoor als commandant IBP te voorzien van deskundigheid op rechtspositioneel gebied teneinde uitglijders als hier aan de orde te voorkomen. Bij het ontslaggesprek op 26 januari 2009 had dus een P&O-functionaris aanwezig moeten zijn om de commandant bij het maken van zijn afspraken met eiseres met rechtspositionele adviezen terzijde te staan. Nu dat niet is gebeurd, is eiseres er onnodig toe gebracht haar ontslagverzoek op korte termijn in te dienen in het zicht van het vermeend aflopen van haar proeftijd op 13 februari 2009, terwijl haar proeftijd inmiddels was verlengd met de tijd dat zij bij het IBP geplaatst was. Voor de indiening van het ontslagrekest in februari 2009 bestond uit rechtspositioneel opzicht geen enkele noodzaak. Bovendien had deskundig advies vanuit de P&O-discipline kunnen voorkomen dat afspraken zouden worden gemaakt die ten aanzien van de ontslagdatum in strijd waren met de bestendige gedragslijn waarop verweerder zich beroept om artikel 47, derde lid, van het AMAR strikt toe te passen en de opzegtermijn tot één maand te beperken.

Het verwijt van verweerder dat eiseres in haar ontslagrekest geen melding heeft gemaakt van de gemaakte afspraak ten aanzien van de ontslagdatum acht de rechtbank misplaatst. Eiseres had immers geen enkele aanleiding voor de veronderstelling dat haar met ingang van een andere datum dan 1 april 2009 ontslag zou worden verleend.

6.6 Naar het oordeel van de rechtbank is het ontslagverzoek van eiseres, in het licht van het voorafgaande, onder dwaling ingediend, zowel ten aanzien van het moment van indiening als ten aanzien van de verwachte ontslagdatum, 1 april 2009. Toen eiseres zich, na ontvangst van het ontslagbesluit van 11 februari 2009, via haar commandant op de gemaakte afspraken beriep en de commandant, gelet op die afspraken, de afdeling P&O verzocht om wijziging van de ontslagdatum in 1 april 2009, had verweerder moeten begrijpen dat eiseres zich op dwaling wenste te beroepen, ook als dat woord niet is gevallen. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep verzet geen rechtsregel zich ertegen dat een besluit waarbij met ingang van een in de toekomst gelegen datum ontslag wordt verleend, wordt ingetrokken bij een besluit dat vóór die datum is genomen en bekend gemaakt (CRvB 24 oktober 1996, TAR 1997, 19, LJN: ZB6412). Hoewel het in de casus van de genoemde uitspraak ging om aan de zijde van het bestuursorgaan opgekomen nieuwe omstandigheden die aanleiding vormden tot intrekking van het ontslagbesluit vóór de effectuering daarvan, moet uit het weergegeven oordeel van de Centrale Raad van Beroep worden afgeleid dat het mogelijk is van een reeds verleend ontslag terug te komen, indien het nadere besluit nog vóór de aanvankelijke ontslagdatum kan worden genomen en bekendgemaakt. Die situatie lag hier voor. Ook een beroep op dwaling van de ontslagen ambtenaar kan tot een zodanig terugkomen aanleiding geven. Nu eiseres er door een (ongewild) verkeerde voorstelling van zaken door de majoor [D] ertoe is gebracht op een te vroeg moment haar ontslagrekest in te dienen, welke omstandigheid aan verweerder moet worden toegerekend doordat hij de commandant niet adequaat heeft geadviseerd ten aanzien van de rechtspositie van eiseres, had verweerder het ontslagbesluit moeten intrekken danwel moeten wijzigen ten aanzien van de beoogde ontslagdatum, 1 april 2009. Nu dat, ook in bezwaar, niet is gebeurd, kan het bestreden besluit geen stand houden. Het beroep moet dus gegrond worden verklaard.

7. De rechtbank ziet aanleiding, in het belang van een definitieve geschilbeslechting, zelf in de zaak te voorzien. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Doende hetgeen verweerder in bezwaar had behoren te doen, herroept de rechtbank het primaire besluit van 11 februari 2009 ten aanzien van de datum van ingang van het ontslag, die nader wordt gesteld op 1 april 2009. Deze herroeping brengt, gelet op het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb, met zich dat verweerder wordt veroordeeld aan eiseres haar salaris en vakantie-uitkering over de periode 4 maart 2009 - 1 april 2009 na te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van betaling. Voorts wordt verweerder veroordeeld aan eiseres tegen bewijs van betaling, over te leggen door eiseres, een bedrag van € 106,-- aan premie voor de ziektekostenverzekering van eiseres over maart 2009 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van betaling. Daartoe wordt overwogen dat eiseres per datum ontslag niet langer aanspraak had op medische zorg vanwege Defensie, zodat zij ingevolge de Zorgverzekeringswet zich zelf moest verzekeren voor ziektekosten. Deze schade is dus een rechtstreeks gevolg van de beëindiging van de aanstelling van eiseres met ingang van 4 maart 2009.

8. Aangezien de vader van eiseres haar rechtsbijstand heeft verleend en gesteld noch gebleken is dat deze rechtsbijstand beroepsmatig is verleend, komt eiseres ingevolge het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder a., van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding van proceskosten in aanmerking.

III. BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 6 mei 2009;

Herroept het primaire besluit van 11 februari 2009 ten aanzien van de datum van ingang van het ontslag, die nader wordt gesteld op 1 april 2009;

Veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van

- salaris en vakantie-uitkering over de periode 4 maart 2009 - 1 april 2009;

- een bedrag van € 106,-- (eenhonderdenzes euro) aan premie voor de ziektekostenverzekering van eiseres over maart 2009, tegen overlegging door eiseres van een bewijs van betaling;

welke beide posten worden vermeerderd met de wettelijke rente tot de dag van betaling;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden en het primaire besluit;

Bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 150,--, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.W. Sentrop, in tegenwoordigheid van de griffier

C.A.Y. Morison-Libourel.

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.