Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2170

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-03-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
360337 KG ZA 10-266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; eiseres maakt bezwaar tegen het door de gedaagde genomen besluit tot intrekking van het aanstellingsbesluit van eiseres als lid van het stembureau. Dit intrekkingsbesluit valt niet onder artikel 8:4 onder d van de AWB, zodat eiseres tegen dit intrekkingsbesluit schriftelijk bezwaar kan maken bij het college van Burgemeesters en wethouders. Voorts heeft eiseres de mogelijkheid van berope. Nu de mogelijkheid van bezwaar en berope een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is, is eiseres niet-ontvankelijk in haar vorderingen. Tevens had eiseres de mogelijkheid om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter van de rechtbank, sector bestuursrecht kunnen vragen. Kort geding; eiseres maakt bezwaar tegen het door de gedaagde genomen iesluit tot intrekking van het aanstellingsbesluit van eiseres als lid van het stembureau. Dit intrekkingsbesluit valt niet onder artikel 8:4 onder d van de AWB, zodat eiseres tegen dit intrekkingsbesluit schriftelijk bezwaar kan maken bij het college van Burgemeesters en wethouders. Voorts heeft eiseres de mogelijkheid van berope. Nu de mogelijkheid van bezwaar en berope een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is, is eiseres niet-ontvankelijk in haar vorderingen. Tevens had eiseres de mogelijkheid om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter van de rechtbank, sector bestuursrecht kunnen vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 1 maart 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 360337 / KG ZA 10-266 van:

[eiseres],

wonende [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. J.A.M. Koorn-Harkema te Leiden,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon de Gemeente Leiden,

zetelende te Leiden,

gedaagde,

advocaat mr. R. Lever te Leiden.

0. Procesverloop

Eiseres heeft gedaagde doen dagvaarden tegen de zitting van 1 maart 2010. Partijen hebben ter zitting hun standpunten doen toelichten. Op 1 maart 2010 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 1 maart 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Gedaagde heeft bij brief van 18 januari 2010 aan eiseres medegedeeld dat zij is benoemd tot lid van het stembureau in [adres] te Leiden.

1.2. Op 26 januari 2010 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres en twee medewerkers van gedaagde. Tijdens dit gesprek is onder meer aan gedaagde medegedeeld dat er sprake was van commotie bij haar benoeming tot lid van het onder 1.1 genoemde stembureau en dat gedaagde voornemens was haar op een reservelijst te plaatsen.

1.3. Bij brief van 1 februari 2010 heeft gedaagde onder meer het volgende aan eiseres medegedeeld:

"Op basis van de informatie die mij nu ten dienste staat, heb ik helaas moeten concluderen dat er tussen u en de andere leden geen sprake meer kan zijn van een vruchtbare samenwerking op het stembureau op 3 maart a.s.

Dit is wel van belang voor het goed functioneren van het stembureau.

Om die reden heb ik besloten uw eerdere benoeming in het stembureau ongedaan te maken."

1.4. Op 17 februari 2010 heeft eiseres (wederom) een gesprek gehad met twee medewerkers van gedaagde over de onder 1.3 bedoelde intrekking van de benoeming van eiseres tot lid van het stembureau.

1.5. Bij brief van 19 februari 2010 heeft de burgemeester van de Gemeente Leiden onder meer aan eiseres medegedeeld dat hij van mening is dat de gang van zaken voldoende met eiseres is besproken en dat een aanvullend gesprek met hem geen meerwaarde heeft. Tevens wordt vermeld dat de burgemeester niet ingaat op het verzoek van eiseres om met hem een afspraak te maken om te spreken over de gang van zaken met betrekking tot de verkiezingen en de bemensing van de stembureaus.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiseres vordert - zakelijk weergegeven - primair: te bepalen dat het benoemingsbesluit van eiseres gehandhaafd dient te blijven en subsidiair: te bepalen dat aan eiseres een schadevergoeding dient te worden voldaan van € 1.100,-- bij wijze van smartengeld, alsmede gedaagde te veroordelen in de proceskosten.

2.2. Daartoe voert eiseres - samengevat - het volgende aan. Eiseres heeft op 18 januari 2010 een bericht van benoeming van gedaagde ontvangen. Op 1 februari 2010 ontvangt eiseres opeens een brief van gedaagde waarin haar eerdere benoeming ongedaan wordt gemaakt. Gedaagde motiveert het ongedaan maken van deze benoeming nauwelijks en eiseres is daarom van mening dat haar eerdere benoeming gehandhaafd dient te worden. Het intrekken van de benoeming zonder dat daarvoor tussentijds aanleiding is gegeven door eiseres en zonder dat daarvoor een deugdelijke motivering wordt gegeven, is onrechtmatig jegens eiseres. Eiseres stelt zich subsidiair op het standpunt dat zij door de intrekking van haar benoeming in haar eer en goede naam is geschaad dan wel dat de intrekking op andere wijze een aantasting in haar persoon is in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Nu eiseres aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd dat gedaagde jegens haar onrechtmatig handelt, is de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - bevoegd kennis te nemen van de vorderingen.

3.2. Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag of eiseres ontvankelijk is in haar primaire vordering.

3.3. Ingevolge artikel 8:4 onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit tot benoeming of aanstelling. Een besluit tot intrekking van het aanstellingsbesluit van eiseres als lid van een stembureau valt niet onder de uitsluiting van beroep op grond van voormeld artikel, nu dit besluit is gegeven in het kader van een ambtelijke rechtsverhouding die wel aan rechterlijke toetsing onderhevig is. Het gaat hier immers om de intrekking van een besluit waarbij eiseres per een in de toekomst gelegen datum werd aangesteld als lid van een stembureau. Nu de primaire vordering van eiseres zich richt tegen het onder 1.3 bedoelde intrekkingsbesluit, is artikel 8:4 onder d Awb niet van toepassing en kan eiseres tegen dit intrekkingsbesluit schriftelijk bezwaar maken bij het college van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Leiden. Voorts heeft zij de mogelijkheid van beroep. De vraag of gedaagde niet in redelijkheid tot meergenoemd intrekkingsbesluit heeft kunnen komen kan en dient beoordeeld te worden in deze bestuursrechtelijke rechtsgang.

3.4. Niet in geschil is dat de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen het intrekkingsbesluit een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is. Hieruit volgt dat eiseres in beginsel niet-ontvankelijk is in haar vordering bij de burgerlijke rechter, indien en voor zover de mogelijkheid van bezwaar respectievelijk beroep openstaat. Dit zou wellicht anders kunnen liggen als eiseres niet binnen een redelijk korte termijn een uitspraak in bezwaar of beroep had kunnen krijgen (en hij daarbij wel een spoedeisend belang zou hebben), maar eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit geval zich voordoet. Nu eiseres vanaf de onder 1.3 genoemde brief van 1 februari 2010 bezwaar had kunnen maken tegen het intrekkingsbesluit, maar zij dat niet heeft gedaan, dient dit in het kader van dit kort geding voor haar risico te blijven.

Voorts geldt dat de mogelijkheid van een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank, sector bestuursrecht, eveneens een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is, wat eiseres evenmin heeft betwist.

3.5. Ten aanzien van de subsidiaire vordering wordt overwogen dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij hierbij een spoedeisend belang heeft.

3.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiseres niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vorderingen. Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar vorderingen;

- veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.079,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 263,-- aan griffierecht;

- verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2010.

Adz