Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2113

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
AWB 10-3605, AWB 10-3600
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verordening (EG) 343/2003, artikel 4, tweede lid / termijn / motiveringsgebrek

Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat de termijn tussen de eerste aanmelding en de indiening en ondertekening van het asielverzoek een onredelijk lange periode is verstreken, overweegt de voorzieningenrechter dat uit het afspraakformulier asielaanvraag van Aanmeldcentrum ter Apel blijkt dat verzoekster op 22 april 2009 de intentie had een asielverzoek in te dienen. Dit asielverzoek is eerst op 6 augustus 2009 ingediend, dat wil zeggen drie en halve maand na de intentieverklaring. Verweerder heeft in het bestreden besluit, het verweerschrift en ter zitting niet verduidelijkt wat de reden is geweest voor het tijdsverloop tussen de intentieverklaring en de indiening van het verzoek. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om te motiveren dat deze termijn van drie en halve maand in dit concrete geval nog voldoet aan het vereiste in artikel 4, tweede lid, Verordening dat de termijn zo kort mogelijk dient te zijn. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 10/3605 (voorlopige voorziening) AWB 10/3600 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 april 2010

in de zaak van:

[naam verzoekster],

geboren op [geboortedatum], van Somalische nationaliteit,

verzoekster,

gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. Söylemez, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Op 6 augustus 2009 heeft verzoekster een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 27 januari 2010 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

1.2 Verzoekster heeft tegen het besluit op 27 januari 2010 beroep ingesteld. Verzoekster mag de behandeling daarvan niet in Nederland afwachten. Bij verzoek van diezelfde datum is verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot de rechtbank op het beroep heeft beslist. Het verzoek is voorzien van gronden bij brief van 17 februari 2010

1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 1 april 2010. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. I.J.M. Oomen, kantoorgenote van haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Verordening).

2.5 Italië heeft niet tijdig gereageerd op het overnameverzoek. Op grond van artikel 18, zevende lid, Verordening staat dit gelijk met aanvaarding van het overnameverzoek.

2.6 Verzoekster stelt dat zij niet kan worden overgedragen aan Italië aangezien de Verordening niet op haar van toepassing is nu in Italië aan haar een verblijfsvergunning was verleend. Ten onrechte wordt in het bestreden besluit tegengeworpen dat verzoekster hiervan geen document kan overleggen. Artikel 16, tweede lid, Verordening is niet van toepassing. Voorts stelt verzoekster dat, voor zover de Verordening wel van toepassing moet worden geacht, de termijn van drie maanden voor het indienen van het overnameverzoek was verstreken, waardoor zij niet kan worden overgedragen aan Italië. Het personaliaformulier van 22 april 2009 moet volgens verzoekster als een asielaanvraag worden aangemerkt, waardoor het claimakkoord van 26 augustus 2009 niet binnen de gestelde termijn is ingediend. Italië is hierover onjuist geïnformeerd en dient opnieuw geïnformeerd te worden om te bezien of dan alsnog het overnameverzoek wordt geaccepteerd. Indien het formulier van 22 april 2009 niet geldt als asielaanvraag, dan heeft verzoekster haar asielverzoek niet zo spoedig mogelijk na de eerste aanmelding kunnen indienen, dit heeft namelijk meer dan drie maanden geduurd. Verzoekster wijst op de termijn van 72 uur die wordt genoemd in het voorstel tot wijziging van Richtlijn 2005/85 (COM(2009)554). Verder stelt verzoekster dat zij niet kan worden overgedragen aan Italië omdat Italië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Italië schiet tekort in het bieden van opvang en rechtshulp aan asielzoekers. Verzoekster heeft in het zwaarwegend advies gewezen op de interim measures van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 12 en 16 juni 2009, getroffen tegen Finland, en de toegewezen voorlopige voorziening van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 20 juli 2009 (AWB 09/26307). Verzoekster wijst in dit verband op het rapport van Hammarberg van 4 februari 2010, het rapport van Human Rights Watch van september 2009 en twee artikelen van mr. Alessandra Ricci Ascoli in de NAV van augustus 2004 en juni 2009. Verzoekster stelt dat de overdracht naar Italië strijdig is met het solidariteitsbeginsel zoals neergelegd onder overweging 8 van de preambule van de Verordening.

In een aanvullend beroepschrift van 29 maart 2010 stelt verzoekster dat de termijn van 12 maanden in artikel 10, eerste lid, Verordening is verstreken, nu verzoekster reeds op 28 september 2008 Italië is ingereisd. Daarnaast heeft zij een fragiele gezondheid, last van duizeligheid, hartkloppingen en maagzuur. In Italië zou zij hiervoor geen medische zorg kunnen krijgen, waartoe verzoekster verwijst naar verschillende rapporten. Ook om die reden kan zij niet worden overgedragen aan Italië.

2.7 Verweerder heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Italië reeds een verblijfsvergunning aan haar is verleend. Bovendien blijft Italië op grond van artikel 16, tweede lid, Verordening verantwoordelijk. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat het model M117C ‘Aanwijzing ingevolge artikel 55 van de Vreemdelingenwet op de aanmeldcentra’ als proces-verbaal in de zin van artikel 4, tweede lid, Verordening moet worden aangemerkt. De aanvraag van 6 augustus 2009 is de asielaanvraag. Dat drie maanden zijn verstreken tussen de intentieverklaring van verzoekster en het asielverzoek, is niet in strijd met artikel 4, tweede lid, Verordening, nu deze bepaling slechts spreekt over een inspanningsverplichting. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding wordt gezien om toepassing te geven aan artikel 3, tweede lid, Verordening. Verzoekster heeft geen concrete, op haar individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden naar voren gebracht op basis waarvan de Nederlandse autoriteiten zouden moeten beslissen om haar asielverzoek onverplicht in behandeling te nemen. Verweerder wijst in dit verband op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 30 oktober 2009 (nr. 200907111/1/V3).

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.8 De stelling van verzoekster dat op haar de Verordening niet van toepassing is nu zij in Italië een verblijfstitel heeft gehad, volgt de voorzieningenrechter niet. Uit de codering van Eurodac is gebleken dat verzoekster de grens met Italië illegaal heeft overschreden. Niet valt in te zien waarom verweerder niet van deze Eurodac-treffer zou mogen uitgaan. Verweerder heeft op grond van artikel 10, eerste lid, Verordening een claim kunnen indienen bij Italië.

2.9 Nu Italië op grond van artikel 10, eerste lid, juncto artikel 18, zevende lid Verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, bestaat geen aanleiding voor een toetsing aan artikel 16, tweede lid, Verordening.

2.10 Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat verweerder niet heeft voldaan aan de termijnen uit de Verordening, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

2.11 Ingevolge artikel 10, eerste lid, Verordening berust, wanneer is vastgesteld, aan de hand van bewijsmiddelen of indirect bewijs, zoals omschreven in de twee in artikel 18, lid 3, genoemde lijsten, inclusief de gegevens zoals bedoeld in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 2725/2000, dat een asielzoeker op illegale wijze de grens van een lidstaat heeft overschreden via het land, de zee of de lucht of komende vanuit een derde land, de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek dan bij die lidstaat. Deze verantwoordelijkheid eindigt twaalf maanden na de datum waarop de illegale grensoverschrijding heeft plaatsgevonden.

2.12 Ingevolge artikel 5, tweede lid, Verordening wordt de verantwoordelijkheid van de lidstaat vastgesteld op grond van de situatie op het tijdstip waarop de asielzoeker zijn verzoek voor de eerste maal bij een lidstaat indient.

2.13 Ingevolge artikel 17, eerste lid, Verordening wordt een verzoek om overname zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen drie maanden na de indiening van het asielverzoek gedaan, bij gebreke waarvan de lidstaat waarbij het asielverzoek is ingediend verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

2.14 Ingevolge artikel 4, tweede lid, Verordening wordt een asielverzoek geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de asielzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Bij een niet-schriftelijk verzoek dient de termijn tussen de intentieverklaring en het opstellen van een proces-verbaal zo kort mogelijk te zijn.

2.15 Verzoekster heeft op 6 augustus 2009 het aanvraagformulier voor een verblijfsvergunning ondertekend, zodat het asielverzoek, op grond van artikel 4, tweede lid, Verordening, op die datum wordt geacht te zijn ingediend. De bijzondere aanwijzing van de Politie Groningen, waaruit blijkt dat verzoekster op 22 april 2009 te kennen heeft gegeven asiel te willen aanvragen, is geen asielverzoek in de zin van artikel 4, tweede lid, Verordening. De indiening van het asielverzoek vond plaats door het ondertekenen van de asielaanvraag op 6 augustus 2009.

2.16 Het tijdstip, bedoeld in artikel 5, tweede lid, Verordening, is in dit geval 6 augustus 2009, de datum waarop verzoekster haar asielverzoek in Nederland heeft ingediend. Ingevolge die bepaling, gelezen in samenhang met artikel 10, eerste lid, Verordening, dient op dat tijdstip te worden beoordeeld of de asielzoeker in de twaalf maanden daaraan voorafgaand illegaal de grens van een lidstaat heeft overschreden.

Niet in geschil is dat verzoekster op 28 september 2008 op illegale wijze de grens met Italië heeft overschreden, zodat de termijn bedoeld in artikel 10, eerste lid, Verordening eindigt op 28 september 2009. Nu verzoekster haar asielverzoek op 6 augustus 2009, derhalve voor de datum waarop de verantwoordelijkheid van Italië voor de behandeling van het asielverzoek eindigde, heeft ingediend, is de verantwoordelijkheid van Italië niet geëindigd. Deze grond faalt derhalve.

2.17 Verweerder heeft op 26 augustus 2009, dus binnen de termijn van drie maanden na indiening van het asielverzoek, om overname verzocht. Ook deze beroepsgrond faalt.

2.18 Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat de termijn tussen de eerste aanmelding en de indiening en ondertekening van het asielverzoek een onredelijk lange periode is verstreken, overweegt de voorzieningenrechter dat uit het afspraakformulier asielaanvraag van Aanmeldcentrum ter Apel blijkt dat verzoekster op 22 april 2009 de intentie had een asielverzoek in te dienen. Dit asielverzoek is eerst op 6 augustus 2009 ingediend, dat wil zeggen drie en halve maand na de intentieverklaring. Verweerder heeft in het bestreden besluit, het verweerschrift en ter zitting niet verduidelijkt wat de reden is geweest voor het tijdsverloop tussen de intentieverklaring en de indiening van het verzoek. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om te motiveren dat deze termijn van drie en halve maand in dit concrete geval nog voldoet aan het vereiste in artikel 4, tweede lid, Verordening dat de termijn zo kort mogelijk dient te zijn.

2.19 Het bestreden besluit is dus in strijd met artikel 3:46 van de Awb en komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Het beroep zal gegrond worden verklaard.

2.20 De overige grieven van verzoekster behoeven, gelet op bovenstaand oordeel van de voorzieningenrechter, thans geen bespreking.

2.21 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.22 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de door verzoekster gemaakte kosten. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 437,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1). Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, worden deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en € 437,- in verband met het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, voorzieningenrechter, en op 7 april 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M.A.J. van Beek, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.