Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2017

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
Awb 09/46570
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / refugié sur place / loslaten continuïteitsvereiste geen relevante wijziging van het recht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Middelburg

AWB nummer: 09/46570

V-[xxx]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

inzake

[Naam],

eiser,

gemachtigde mr. Y. Tamer,

advocaat te Rotterdam,

tegen

de Minister van Justitie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. I.A.M. de Groot,

medewerkster bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

I. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 november 2009 (het bestreden besluit) waarbij zijn tweede aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen.

De zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A. Nieuwland-Helou, tolk in de Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de aanvrager gehouden, indien na een afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, die bij de vorige beschikking niet bekend waren en die van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beschikking aanleiding kunnen geven.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) – voor zover van belang – kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. (…);

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In het tweede lid van dit artikel, aanhef en onder f, is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mag niemand worden onderworpen aan foltering of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Volgens het beleid van verweerder, neergelegd in hoofdstuk C24, onderdeel 11, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) worden de christenen uit Irak aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van hoofdstuk C2, onderdeel 3.1.3, van de Vc 2000. Dit betekent dat een asielzoeker die behoort tot deze groep reeds in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd op grond van artikel 29, aanhef en onder b, van de Vw 2000, indien hij met op zichzelf beperkte individuele indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat een schending van artikel 3 van het EVRM dreigt.

Op grond van artikel 2, aanhef en onder e, van de richtlijn 2004/83 EG inzake de minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven (de Definitierichtlijn) kan in aanmerking komen voor een subsidiaire beschermingsstatus, voor zover hier van belang, een onderdaan van een derde land ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, onder c, van de Definitierichtlijn.

Ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, bestaat ernstige schade uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Artikel 5, eerste lid, van de Definitierichtlijn luidt dat een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade gegrond kan zijn op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden nadat de verzoeker het land van herkomst heeft verlaten.

Het tweede lid bepaalt dat een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade gegrond kan zijn op activiteiten van de verzoeker sedert hij het land van herkomst heeft verlaten, met name wanneer wordt vastgesteld dat de betrokken activiteiten de uitdrukking en de voortzetting vormen van overtuigingen of strekkingen die de betrokkene in het land van herkomst aanhing.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser, die stelt te zijn geboren op [1978] en de Iraakse nationaliteit te bezitten, heeft op 6 februari 2006 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 22 oktober 2007 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het beroep hiertegen is bij uitspraak van 3 maart 2009 (AWB 07/43682) van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 juli 2009 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) deze uitspraak bevestigd zodat het besluit van 22 oktober 2007 in rechte is komen vast te staan.

Vervolgens heeft eiser heeft op 29 mei 2009 voor de tweede maal een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft eiser op 29 september 2009 schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft zijn zienswijze ingediend. Bij het bestreden besluit is deze aanvraag afgewezen.

3. Eiser heeft opnieuw een asielaanvraag ingediend omdat de situatie van christenen in Irak volgens eiser blijkens diverse bronnen is verslechterd. Bovendien is eiser van mening dat er in en rondom Bagdad sprake van een binnenlands gewapend conflict.

Voorts heeft eiser een identiteitskaart, een nationaliteitsverklaring, een verklaring van de Iraakse ambassade, twee verklaringen van de Chaldese kerk en een verklaring van zijn huisarts (dat hij niet is besneden) overgelegd.

4. Eiser heeft in beroep – samengevat – aangevoerd dat er ten onrechte geen geloof wordt gehecht aan zijn verklaringen. Eiser voert aan dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte met toepassing van artikel 4:6 van de Awb heeft afgewezen. Eiser stelt dat hij, vanwege het feit dat hij christen is, heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Bovendien behoort hij tot een kwetsbare minderheidsgroep. Voorts stelt eiser dat hij uit Bagdad afkomstig is en dat het categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Centraal-Irak ten onrechte is beëindigd. Eiser heeft ter ondersteuning van het voorgaande onder meer verwezen naar een brief en een notitie van Vluchtelingenwerk van oktober 2008 en een brief van Amnesty International van 6 oktober 2008.

Eiser heeft zich beroepen op de UNHCR eligibility guidelines for assessing the international protection needs of Iraqi asylum seekers van april 2009 (Guidelines 2009), de algemene ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van mei 2009 en januari 2010, een citaat, vermeld in het ambtsbericht van de Britse Minister van Buitenlandse Zaken van 16 september 2009, afkomstig uit het USSD International Religious Freedom report 2008, alsmede een uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2009 (kenmerk 200702174/2).

Ter zitting heeft hij zich, ter ondersteuning van zijn eerdere betoog dat hij als een refugié sur place in de zin van artikel 5 van de Definitierichtlijn dient te worden aangemerkt, beroepen op een uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2010 (LJN:BL0267).

5. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb onder verwijzing naar de eerdere, rechtens onaantastbare, afwijzende beschikking van 22 oktober 2007. De rechtbank heeft verweerder in het kader van artikel 83 van de Vw 2000 in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke reactie in te dienen op de stukken die in beroep zijn overgelegd. Bij brief van 15 maart 2010 heeft verweerder een reactie ingediend. Verweerder stelt dat de documenten die eiser bij zijn onderhavige aanvraag heeft overgelegd en het overige dat hij naar voren heeft gebracht, niet zijn aan te merken als nieuwe feiten en omstandigheden. Voorts heeft eiser naast zijn identiteit en geloofsovertuiging, zijn herkomst evenmin aannemelijk gemaakt, zodat hij niet met vrucht kan stellen dat hij heeft te vrezen voor vervolging in hierbedoelde zin en dat verweerder het categoriaal beschermingsbeleid met betrekking tot Centraal-Irak ten onrechte zou hebben beëindigd.

In voornoemde brief van 15 maart 2010 en ter zitting heeft verweerder zich primair op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij christen is. Subsidiair heeft verweerder gesteld, voor zover moet worden aangenomen dat eiser christen is, dat zijn verklaring dat hij is teruggekeerd naar Irak en aldaar problemen heeft ondervonden, ongeloofwaardig is. Dit leidt voor verweerder tot de conclusie dat eiser weliswaar tot een kwetsbare minderheidsgroepering behoort, maar dat dit geen schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. Ten aanzien van het beroep op artikel 5 van de Definitierichtlijn heeft verweerder zich primair op het standpunt gesteld dat dit tardief is en subsidiair dat dit beroep niet kan slagen. Het enkele feit dat eiser stelt dat hij een christen is uit Irak, is niet voldoende.

Het beroep op artikel 15c van de Definitierichtlijn kan, gelet op het voorgaande, evenmin slagen.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser voor de tweede maal een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb onder verwijzing naar de eerdere rechtens onaantastbare afwijzende beschikking van 22 oktober 2007. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het standpunt van verweerder dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, en geen sprake is van een relevante wijziging van het recht, houdbaar is.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser afkomstig is uit Irak. Ten aanzien van de overgelegde identiteitskaart is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat deze niet is te kwalificeren als een novum, nu deze blijkens een verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 20 augustus 2009 vals is bevonden. Nu eiser deze conclusie niet door middel van een contra-expertise heeft betwist, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser zijn identiteit niet heeft aangetoond en dat het niet-overleggen van identiteits- en nationaliteitsdocumenten nog immer aan eiser toegerekend kan worden.

7. Met betrekking tot de verklaringen van de kerk en de huisarts overweegt de rechtbank dat verweerder heeft kunnen besluiten dat deze evenmin als nova kunnen worden aangemerkt. De reden hiervoor dient echter een andere te zijn dan die welke verweerder als uitgangspunt heeft genomen. In tegenstelling tot verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder de geloofsovertuiging van eiser in de eerste asielprocedure in twijfel heeft getrokken. De rechtbank verwijst daartoe naar de twee laatste inhoudelijke rechtsoverwegingen in de hiervoor aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, van 3 maart 2009, het voornemen en het bestreden besluit.

Het primaire standpunt van verweerder dat eiser zijn geloofsovertuiging niet aannemelijk heeft gemaakt, wordt derhalve door de rechtbank niet gevolgd.

8. Vervolgens overweegt de rechtbank of verweerder heeft kunnen concluderen dat het relaas ook thans positieve overtuigingskracht ontbeert. De vraag is of de problemen die eiser, als christen uit Irak, na zijn terugkeer naar Irak volgens zijn verklaring heeft ondervonden, nova zijn. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar de overwegingen hieromtrent in voornoemde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, op het standpunt kunnen stellen dat hiervan geen sprake is. Immers, dit onderdeel van het asielrelaas is destijds reeds als ongeloofwaardig aangemerkt. Het enkele feit dat eiser christen is, leidt niet tot het oordeel dat er sprake is van groepsvervolging. De bronnen die eiser ter onderbouwing van zijn standpunt heeft aangehaald, zoals de Guidelines 2009, een citaat uit een ambtsbericht van de Britse Minister van Buitenlandse Zaken van 16 september 2009, zijn in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van januari 2010 verwerkt en vormen derhalve geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

9. Met betrekking tot de stelling van eiser dat hij ingevolge artikel 5 van de Definitierichtlijn als refugié sur place dient te worden beschouwd, waartoe eiser zich beroept op de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2010, overweegt de rechtbank allereerst dat dit beroep niet tardief is zoals verweerder stelt, nu het reeds in de beroepsgronden is opgenomen.

Verder wordt overwogen dat uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat het in het beleid van verweerder neergelegde continuïteitsvereiste - de eis volgens hoofdstuk C2 onderdeel 2.6 van de Vc 2000, dat bij de vreemdeling, om te worden aangemerkt als refugié sur place, sprake dient te zijn van voorzetting van activiteiten die hij in het land van herkomst heeft ontplooid of een overtuiging die reeds in het land van herkomst bestond - zich niet verdraagt met artikel 5 van de Definitierichtlijn. Dit levert voor eiser evenwel geen relevante wijziging van het recht op. Eiser heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij enkel vanwege zijn geloof heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

10. De rechtbank overweegt dat verweerder christenen uit Irak ook ten tijde van het eerdere afwijzende besluit reeds heeft aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep. Beoordeeld moet worden of de in dit kader door eiser aangehaalde bronnen met betrekking tot de situatie van christenen in Irak kunnen leiden tot het aannemen van nieuw gebleken feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat het enkele behoren tot een kwetsbare minderheidgroep thans ten aanzien van eiser evenmin schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. Daarvoor zijn volgens het beleid, zoals hiervoor onder 1 aangehaald, beperkte individuele indicaties nodig. Nu eisers asielrelaas met betrekking zijn problemen in Irak als ongeloofwaardig is aangemerkt, is ook naar het oordeel van de rechtbank van de bedoelde beperkte indicaties geen sprake en kan de door eiser in dit verband aangehaalde landeninformatie ook in dit opzicht niet leiden tot het aannemen van nova.

11. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser op grond van de recente landeninformatie over Irak evenmin in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Zoals eerder is overwogen, staan zijn identiteit en herkomst immers, nog steeds, niet vast.

12. Voor wat betreft het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn overweegt de rechtbank als volgt. Een vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend en afkomstig is uit een land waar zich, naar zijn zeggen, een binnenlands gewapend conflict voordoet, valt eerst onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, indien hij heeft aangetoond dat ten tijde van de totstandkoming van het besluit sprake was van een binnenlands gewapend conflict in het deel van het land, van waaruit hij afkomstig is, dan wel dat op dat moment in dat deel sprake was van gevolgen voor hem van een elders in dat land bestaand gewapend conflict.

De omstandigheid dat Irak het land van herkomst van eiser is, brengt niet reeds mee dat eiser onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn valt, aangezien niet kan worden gesteld dat in alle delen van Irak sprake is van een zodanig conflict dan wel van gevolgen in de hiervoor bedoelde zin.

13. Nu er geen sprake is van nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet, en voorts niet is gesteld of gebleken dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (LJN: AG8817), heeft verweerder de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen onder verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit.

14. Het beroep is ongegrond.

15. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. Uitspraak

De rechtbank ‘s-Gravenhage

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier en op 22 april 2010 in het openbaar uitgesproken.

Afschrift verzonden op: 22 april 2010