Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM1551

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-03-2010
Datum publicatie
19-04-2010
Zaaknummer
AWB 10/2815 en AWB 10/2813
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Uit de resultaten van het Eurodac-onderzoek van 13 augustus 2009 blijkt dat verzoeker in Italië is geregistreerd onder referentienummer IT2AG01L7W. Daaruit volgt dat verzoeker in Italië is aangehouden in verband met illegale buitengrensoverschrijding, zodat sprake is van overname in plaats van terugname. Verweerder is derhalve ten onrechte uitgegaan van terugname als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 343/2003. Dat verweerder het voor mogelijk houdt dat verzoeker in Italië een asielverzoek heeft ingediend, zoals blijkt uit de toelichting op het terugnameverzoek van 31 augustus 2009, doet aan het voorgaande niet af.

Niet in geschil is dat het tijdstip waarop het asielverzoek van verzoeker wordt geacht te zijn ingediend is gelegen op 5 maart 2009. Nu verweerder niet binnen een termijn van drie maanden na deze datum om overname heeft verzocht (het claimverzoek van verweerder dateert immers van 31 augustus 2009), is Nederland op grond van het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van Vo 343/2003 verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek van verzoeker. Verweerder heeft derhalve ten onrechte Italië verantwoordelijk geacht voor de behandeling van het door verzoeker in Nederland ingediende asielverzoek.

Beroep met toepassing van artikel 8:86 van de Awb gegrond en vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/2815 (voorlopige voorziening)

AWB 10/2813 (beroep)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 maart 2010

inzake

[verzoeker],

geboren op [datum] 1985,

nationaliteit Somalische,

verblijvende te [plaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. R.P. van Empel-Bouman,

tegen

de minister van Justitie, voorheen: de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. D. van Laarhoven

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2010 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Tegen dit besluit heeft verzoeker op 22 januari 2010 beroep ingesteld, hetgeen is geregistreerd onder nummer AWB 10/2813.

Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 12 maart 2010, waar verzoeker is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De voorzieningenrechter kan, indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet bij kan dragen aan de beoordeling van de zaak, op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Partijen zijn bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.

3. De voorzieningenrechter stelt vast dat wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter zal toetsen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van verzoeker in afwachting van de beslissing op beroep moet worden verboden.

4. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag, ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 343/2003).

5. Uit het standaardformulier voor terugnameverzoeken (gedingstuk 24) blijkt dat verweerder op 31 augustus 2009 de autoriteiten van Italië heeft verzocht verzoeker terug te nemen op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c van Vo 343/2003. Omdat Italië niet tijdig heeft gereageerd op dit verzoek, is – aldus verweerder – Italië op grond van Vo 343/2003 verantwoordelijk voor de behandeling van de door verzoeker in Nederland ingediende asielaanvraag.

6. Verzoeker stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat sprake is van overname in plaats van terugname. Nu verweerder bovendien niet binnen drie maanden na indiening van het asielverzoek (d.d. 5 maart 2009) om overname heeft verzocht, is Nederland op grond van Vo 343/2003 verantwoordelijk voor de behandeling van zijn asielverzoek, aldus verzoeker.

7. Dienaangaande wordt als volgt overwogen

8. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d van de Verordening (EG) nr. 2725/2000 van de Raad van 11 december 2000 betreffende de instelling van "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin (hierna: Verordening 2725/2000), wordt in de centrale gegevensbank het referentienummer vastgelegd dat door de lidstaat van oorsprong wordt gebruikt.

9. Ingevolge artikel 2, derde lid van de Verordening (EG) nr. 407/2002 van de Raad van 28 februari 2002 tot vaststelling van sommige uitvoeringsbepalingen voor Verordening 2725/2000 moeten door middel van het referentienummer de gegevens ondubbelzinnig aan een persoon en aan de lidstaat die de gegevens toezendt kunnen worden gekoppeld. Voorts moet uit dat nummer kunnen worden opgemaakt of het gaat om een asielzoeker, om een vreemdeling die in verband met illegale buitengrensoverschrijding is aangehouden of om een vreemdeling die zich illegaal in een lidstaat ophoudt. Het referentienummer begint met de kenletter(s) waarmee de lidstaat die de gegevens heeft toegezonden wordt aangeduid. Na de kenletter(s) volgt de identificatie van de personencategorie. Gegevens van asielzoekers worden aangeduid met "1", gegevens van vreemdelingen die in verband met illegale buitengrensoverschrijding zijn aangehouden met "2" en gegevens van vreemdelingen die zich illegaal in een lidstaat ophouden met “3”.

10. Uit de resultaten van het Eurodac-onderzoek van 13 augustus 2009 blijkt dat verzoeker in Italië is geregistreerd onder referentienummer IT2AG01L7W. Daaruit volgt dat verzoeker in Italië is aangehouden in verband met illegale buitengrensoverschrijding, zodat sprake is van overname in plaats van terugname. Verweerder is derhalve ten onrechte uitgegaan van terugname als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 343/2003. Dat verweerder het voor mogelijk houdt dat verzoeker in Italië een asielverzoek heeft ingediend, zoals blijkt uit de toelichting op het terugnameverzoek van 31 augustus 2009, doet aan het voorgaande niet af.

11. Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat verweerder niet binnen drie maanden na indiening van zijn asielverzoek om overname heeft verzocht en dat Nederland daarom op grond van Vo 343/2003 verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, overweegt de voorzieningenrechter vervolgens als volgt.

12. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, van Vo 343/2003 wordt onder asielverzoek verstaan een verzoek van een onderdaan van een derde land dat kan worden opgevat als een verzoek om verlening van internationale bescherming door een lidstaat krachtens het verdrag van Genève en wordt elk verzoek om internationale bescherming als een asielverzoek beschouwd, tenzij de onderdaan van een derde land uitdrukkelijk vraagt om een andere vorm van bescherming waarvoor een afzonderlijk verzoek kan worden ingediend.

13. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Verordening wordt een asielverzoek geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de asielzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen en dient bij een niet-schriftelijk verzoek de termijn tussen de intentieverklaring en het opstellen van een proces-verbaal zo kort mogelijk te zijn.

14. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van Vo 343/2003 kan de lidstaat waarbij een asielverzoek is ingediend en die van mening is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek, deze lidstaat zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen drie maanden na de indiening van het verzoek in de zin van artikel 4, tweede lid, om overname verzoeken en is de lidstaat waarbij het asielverzoek is ingediend, verantwoordelijk voor de behandeling ervan indien binnen drie maanden geen verzoek tot overname van de asielzoeker wordt ingediend.

15. Uit het samenstel van deze bepalingen, neergelegd in een verordening naar communautair recht, volgt dat de in artikel 17, eerste lid, van de Verordening gestelde termijn van drie maanden waarbinnen de lidstaat waarbij het asielverzoek is ingediend aan een andere lidstaat om overname van de behandeling daarvan kan verzoeken, aanvangt op het in artikel 4, tweede lid, van de Verordening aangegeven tijdstip waarop een asielverzoek als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, geacht wordt te zijn ingediend en dat indien niet binnen die termijn een verzoek om overname wordt ingediend, de lidstaat, waarbij het asielverzoek is ingediend, verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

16. Voornoemde bepalingen bieden geen aanknopingspunten voor de door verweerder gegeven uitleg volgens welke de termijn van artikel 17, eerste lid, eerst aanvangt, nadat verweerder ervan op de hoogte is geraakt dat de desbetreffende vreemdeling gegevens die van belang zijn voor beantwoording an de vraag welke lidstaat voor de behandeling van de asielaanvraag verantwoordelijk is, heeft verzwegen. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 februari 2005 (200407407/1, LJN: AS8541).

17. Niet in geschil is dat het tijdstip waarop het asielverzoek van verzoeker wordt geacht te zijn ingediend is gelegen op 5 maart 2009. Nu verweerder niet binnen een termijn van drie maanden na deze datum om overname heeft verzocht (het claimverzoek van verweerder dateert immers van 31 augustus 2009), is Nederland op grond van het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van Vo 343/2003 verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek van verzoeker. Verweerder heeft derhalve ten onrechte Italië verantwoordelijk geacht voor de behandeling van het door verzoeker in Nederland ingediende asielverzoek.

18. Gelet op het vorenstaande is de beschikking van 20 januari 2010 in strijd met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en ontbeert deze een draagkrachtige motivering. Omdat nader onderzoek niet tot een andere uitkomst zal leiden, zal de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86 van de Awb het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en verweerder opdragen opnieuw te besluiten met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak.

19. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

20. Nu het beroep gegrond wordt verklaard acht de voorzieningenrechter termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

21. Aangezien ten behoeve van verzoeker geen toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag te geschieden aan verzoeker.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 20 januari 2010;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan verzoeker;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. L.C. Michon als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van H.J. Renders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2010.

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover daarbij in de hoofdzaak is beslist, hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: