Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM1517

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
19-04-2010
Zaaknummer
AWB 09-4049
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN5900, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudelijke beoordeling herhaalde aanvraag / situatie Irak en toepasselijk beleid gewijzigd

Verweerder heeft het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig kunnen achten en in redelijkheid kunnen concluderen dat eiser geen verdragsvluchteling is.

Uit recente Afdelingsjurisprudentie kan niet worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld ten tijde van belang dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger in Mosul, louter door zijn aanwezigheid, een reëel risico loopt op ernstige schade, als vorenbedoeld. Eiser heeft zulks ook niet onderbouwd gesteld. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich aldaar de situatie voordeed, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG. De rechtbank is voorts van oordeel dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van een lagere mate van willekeurig geweld dan het geval zal zijn in de hiervoor bedoelde uitzonderlijke situatie, waarin eiser mogelijk specifiek wordt geraakt om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden.

Eiser heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat hij, om redenen die zijn gelegen in zijn persoonlijke situatie, een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Richtlijn 2004/83/EG en daarom in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.

Uit de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in Irak van februari en juni 2008 blijkt dat de veiligheidssituatie in het grootste deel van het KRG (Kurdistan Regional Government-)gebied tamelijk stabiel is. Het geweld dat zich in Irak voordoet is multi-dimensionaal (etnisch, religieus, politiek en/of crimineel en soms willekeurig). De verantwoordelijkheid van het geweld wordt toegeschreven aan onder meer voorstanders van het voormalige Irakese bewind van Saddam Hoessein. Daarnaast wordt een groot deel van het geweld toegeschreven aan de verschillende, maar met name sji’itische, milities en daaraan gerelateerde doodseskaders. In KRG-gebied is de ordehandhaving in handen van de lokale politie en peshmerga’s, militaire eenheden die onder de KRG vallen. Verschillende bronnen hebben aangegeven dat de peshmerga’s de drie KRG-provincies strak onder controle hebben. De veiligheidsorganisaties in het KRG-gebied zijn doorgaans in staat om een zekere bescherming te bieden aan de burgers. De Tweede Kamer heeft op 9 oktober 2008 ingestemd met de voorgestelde beleidswijziging (TK 19637, nr. 1233). Bij besluit van 10 november 2008, nummer 2008/28 is het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Irak beëindigd.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder, gegeven de hem toekomende ruime beoordelingsmarge, terecht geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als verdragsvluchteling in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 09 / 4049

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 31 maart 2010

in de zaak van:

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum], van gestelde Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. E. Arslan, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. T. Nauta, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 17 augustus 2007 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 13 januari 2009 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 9 februari 2009 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 17 februari 2010. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 4:6 Awb, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

2.3 Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld.

2.4 Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend op de in artikel 29 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) genoemde gronden.

2.5 Ingevolge artikel 31 Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Bij de beoordeling worden de in artikel 31, tweede lid, Vw bedoelde omstandigheden betrokken.

2.6 In C3/3.6.3 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is met betrekking tot de beoordeling van de toerekenbaarheid van het niet beschikken door de vreemdeling over documenten inzake zijn reis, onder meer, het volgende opgenomen. Wanneer is vastgesteld dat op één of meer elementen op grond waarvan de beoordeling van de asielaanvraag plaatsvindt (identiteit/nationaliteit/reisroute/asielrelaas) documenten ontbreken, wordt onderzocht of het aannemelijk is dat het ontbreken van documenten niet aan de betreffende asielzoeker is toe te rekenen. In het kader van de beoordeling worden beantwoord de vragen of de verklaringen omtrent het betreffende element en het ontbreken van de documenten consistent en geloofwaardig zijn en of de verklaringen overeenkomen met hetgeen overigens bekend is. Is het antwoord op een van de vragen of beiden ‘nee’ dan is het aannemelijk dat het ontbreken van de documenten aan de asielzoeker is toe te rekenen.

2.7 Verweerder heeft in C14/3.1 Vc beleidsregels neergelegd over zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van verklaringen van asielzoekers. In C14/3.4 Vc heeft verweerder opgenomen dat om een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, Vw buiten beschouwing te laten en de verklaringen alsnog als aannemelijk te beschouwen, van de verklaringen van de vreemdeling een positieve overtuigingskracht moet uitgaan.

2.8 Eiser stelt uit Centraal-Irak te zijn gevlucht omdat hij vreesde vanwege het smokkelen van medicijnen en wapens gearresteerd en gedetineerd te worden. Eiser heeft onderhavige aanvraag ingediend op grond van Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2007/9 (categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal-Irak). Voorts heeft hij ter onderbouwing van zijn aanvraag aangevoerd dat hij niet kan terugkeren naar Mosul in Irak omdat eiser dan zal worden gedood door de autoriteiten en de familie van zijn partner.

2.9 Verweerder heeft de aanvraag, kort samengevat, afgewezen omdat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig wordt geacht. Daarbij heeft verweerder de omstandigheden als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw betrokken. De door eiser aangevoerde redenen voor vertrek vormen onvoldoende grond voor het vluchtelingenschap.

Een beroep op artikel 15, aanhef en onder c, de Europese Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft (Richtlijn 2004/83/EG) slaagt niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een risico loopt als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verwezen wordt naar de uitspraak van 25 mei 2009 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (200702174/2). Verweerder heeft op juiste gronden het categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Centraal-Irak beëindigd. Verweerder heeft ter adstructie verwezen naar artikel 3.106 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), het ambtsbericht van 26 juni 2008, WBV 2008/28, uitspraken van de Afdeling van 6 april 2005 (JV 2005, 210), 3 juli 2006 (JV 2006, 326), 13 juli 2009 (200903003/1) en 27 juli 2009 (200902294/1, 200902294/1) en de brief van de Minister van Buitenlandse zaken van 29 mei 2009.

2.10 Eiser heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Het categoriaal beschermingsbeleid is ten onrechte afgeschaft en nog immer geïndiceerd. Verweerder dient kenbaar te toetsen aan artikel 3.106 Vb. Eiser vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2007 (JV 2008,71). Daarbij is gelet op de brief van Amnesty International (AI) van 6 oktober 2008 geen sprake van homogeniteit van beleid van de andere Europese lidstaten. Verweerder heeft zich er niet van vergewist of die omringende landen in het beleid rekening hebben gehouden met recente relevante gebeurtenissen (C2/5.2.4 Vc).

Voorts beroept eiser zich op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Voor een dergelijk beroep is geen geloofwaardig asielrelaas nodig. Eiser verwijst naar de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 17 februari 2009 (JV 2009/4, Elgafaji).

Verweerder heeft niet inzichtelijk gemotiveerd waarom in Mosul geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83/EG. Ter onderbouwing van deze grond verwijst eiser naar het meest recente ambtsbericht, internet artikelen en diverse nieuwsberichten.

2.11 De rechtbank overweegt als volgt.

2.12 Eiser heeft eerder op 27 september 2001 een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 30 september 2001 is de aanvraag afgewezen. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven onderhavige aanvraag inhoudelijk te hebben beoordeeld nu de situatie in Irak en het toepasselijke beleid zijn gewijzigd.

2.13 Niet in geschil is dat onderhavige aanvraag ten opzichte van de aanvraag van 27 september 2001 een herhaalde aanvraag vormt als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

2.14 De rechtbank beoordeelt ambtshalve of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd en bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden rechtvaardigen echter geen nieuwe rechterlijke beoordeling, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit.

2.15 Gelet op het feit dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zal de rechtbank het beroep inhoudelijk beoordelen.

2.16 Uit vaste jurisprudentie volgt dat voor de toetsing van de geloofwaardigheid van het relaas van belang is of afbreuk wordt gedaan aan die geloofwaardigheid doordat sprake is van een van de omstandigheden als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw. Indien zulks niet aan de orde is, wordt het relaas in beginsel geloofwaardig bevonden indien de vreemdeling op alle vragen zo volledig mogelijk heeft geantwoord én het relaas innerlijk consistent én niet onaannemelijk is én strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Indien wel sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw mogen in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Kortom, van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.17 In het licht van het voormelde toetsingskader dient allereerst te worden beoordeeld of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet aan hem is toe te rekenen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd om zijn identiteit vast te stellen. Voorts heeft eiser geen documenten ter staving van zijn reisroute.

2.18 Niet in geschil is dat eiser bij de aanvraag onvoldoende documenten ter staving van zijn nationaliteit en identiteit en geen reispapieren dan wel ander indicatief bewijs heeft overgelegd.

2.19 Voorts heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij niet is staat is gebleken gedetailleerd, coherent en verifieerbaar te verklaren over de reisroute. Eiser heeft geen gegevens verstrekt over de gebruikte vervoersmiddelen, medereizigers en landen waar hij is doorgereisd.

2.20 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw aan eiser heeft kunnen tegenwerpen en deze omstandigheden bij de beoordeling van de aanvraag heeft mogen betrekken.

2.21 Vervolgens zou verweerder met toepassing van de in C14/3.4 Vc weergegeven maatstaf dienen vast te stellen dat het relaas van eiser in redelijkheid positieve overtuigingskracht ontbeert en zijn verklaringen ongeloofwaardig zijn.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit -onbetwist- op het standpunt gesteld dat van het relaas van eiser geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Eiser heeft nog immer geen verklaringen afgelegd waaruit blijkt dat hij wordt gezocht door de Iraakse autoriteiten. Verweerder heeft daarbij verwezen naar C24 Vc.

2.22 Verweerder heeft op grond van het voorgaande het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig kunnen achten. Aldus heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat eiser geen verdragsvluchteling is.

2.23 Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht de door eiseres gestelde vrees voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM niet aannemelijk heeft geacht.

2.24 De Afdeling heeft in de uitspraak van 25 mei 2009 in zaak nr. 200702174/2/V2 overwogen dat uit rechtsoverweging 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 17 februari 2009, gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40 van dat arrest, kan worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, Definitierichtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, Richtlijn 2004/83/EG bedoelde ernstige bedreiging.

2.25 Verweerder is in het verweerschrift van oordeel dat een separaat beroep van eiser op artikel 15, aanhef en onder c, Richtlijn 2004/83/EG niet kan slagen. Verweerder heeft daarbij van belang geacht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie in Irak dan wel het gebied waaruit hij afkomstig is omschreven kan worden als een situatie waarbij de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapende conflict dermate hoog is, dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser bij terugkeer louter door diens aanwezigheid aldaar al een reëel risico zou lopen op de in voormeld artikel bedoelde ernstige bedreiging. Zowel de Afdeling als het EHRM hebben geoordeeld dat de situatie in Irak niet zodanig ernstig is. Eiser verwijst naar een artikel van de UNHCR van 11 december 2009.

2.26 De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of in de omgeving van Mosul sprake is van een zodanige mate van geweld dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Irak aldaar enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van geweld. Het EHRM heeft in diens jurisprudentie geoordeeld dat de hier bedoelde uitzonderlijke situatie zich slechts bij zeer uitzonderlijke omstandigheden zal voordoen, maar heeft een dergelijke situatie nog niet aangenomen. Het moet dan gaan om ‘the most extreme cases of general violence’.

2.27 Uit recente Afdelingsjurisprudentie kan niet worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld ten tijde van belang dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger in Mosul, louter door zijn aanwezigheid, een reëel risico loopt op ernstige schade, als vorenbedoeld. Eiser heeft zulks ook niet onderbouwd gesteld. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich aldaar de situatie voordeed, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG. De rechtbank is voorts van oordeel dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van een lagere mate van willekeurig geweld dan het geval zal zijn in de hiervoor bedoelde uitzonderlijke situatie, waarin eiser mogelijk specifiek wordt geraakt om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden.

2.28 Eiser heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat hij, om redenen die zijn gelegen in zijn persoonlijke situatie, een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Richtlijn 2004/83/EG en daarom in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.

2.29 De rechtbank overweegt dat, zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 8 november 2001 (JV 2002/12), de vraag of een asielzoeker op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw voor toelating in aanmerking komt, moet worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst. Ter zake daarvan komt aan verweerder een ruime beoordelingsmarge toe, waarvan de aanwending de toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan, indien geoordeeld moet worden dat het besluit niet voldoet aan de wettelijke voorschriften, dan wel verweerder bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

2.30 Uit de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in Irak van februari en juni 2008 blijkt dat de veiligheidssituatie in het grootste deel van het KRG (Kurdistan Regional Government-)gebied tamelijk stabiel is. Het geweld dat zich in Irak voordoet is multi-dimensionaal (etnisch, religieus, politiek en/of crimineel en soms willekeurig). De verantwoordelijkheid van het geweld wordt toegeschreven aan onder meer voorstanders van het voormalige Irakese bewind van Saddam Hoessein. Daarnaast wordt een groot deel van het geweld toegeschreven aan de verschillende, maar met name sji’itische, milities en daaraan gerelateerde doodseskaders. In KRG-gebied is de ordehandhaving in handen van de lokale politie en peshmerga’s, militaire eenheden die onder de KRG vallen. Verschillende bronnen hebben aangegeven dat de peshmerga’s de drie KRG-provincies strak onder controle hebben. De veiligheidsorganisaties in het KRG-gebied zijn doorgaans in staat om een zekere bescherming te bieden aan de burgers. De Tweede Kamer heeft op 9 oktober 2008 ingestemd met de voorgestelde beleidswijziging (TK 19637, nr. 1233). Bij besluit van 10 november 2008, nummer 2008/28 is het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Irak beëindigd.

2.31 Gelet op het voorgaande heeft verweerder, gegeven de hem toekomende ruime beoordelingsmarge, terecht geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als verdragsvluchteling in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

2.32 De aanvraag is niet gegrond op omstandigheden die op grond van artikel 29 Vw een rechtsgrond voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel vormen.

2.33 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.34 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, rechter, en op 31 maart 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.