Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM1479

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-04-2010
Datum publicatie
16-04-2010
Zaaknummer
AWB 10/7327
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nieuwe Wet dwangsom 1 oktober 2009 en beroep bij niet tijdig beslissen (Staatsblad 2009, 383) in werking getreden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:12
Algemene wet bestuursrecht 8:54
Algemene wet bestuursrecht 8:55b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10 / 7327

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Kameroense nationaliteit, wonende te Barendrecht,

eiser,

gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman, advocaat te Lisse,

tegen:

de minister van Justitie,

zetelende te 's-Gravenhage,

verweerder.

1. Procesverloop

1.1 Verweerder heeft bij besluit van 22 december 2008 aan eiser medegedeeld dat aan hem geen verblijfsvergunning zal worden verleend op grond van de afwikkeling nalatenschap.

1.2 Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.3 Verweerder heeft bij besluit van 15 juni 2009 dit bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft bij brief van 17 juni 2009 tegen dit besluit beroep ingesteld.

1.4 Bij uitspraak van 23 december 2009 met nummer AWB 09/21963 heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar dient te nemen.

1.5 Eisers hebben bij brief van 11 maart 2010 tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar beroep ingesteld.

1.6 De rechtbank heeft bij brief van 12 maart 2010 verweerder, onder andere, verzocht aan te geven of de termijn waarbinnen een besluit dient te worden genomen is verstreken. Verweerder heeft hierop bij brief van 26 maart 2010 gereageerd.

2. Overwegingen

2.1 Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Staatsblad 2009, 383) in werking getreden. Afdeling 8.2.4.A van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt deel uit van deze wetswijziging. Ingevolge artikel III, tweede lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, blijft op een bezwaar- of beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit dat is ingediend vóór het tijdstip waarop afdeling 8.2.4.A van toepassing is geworden, het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing. Nu het beroepschrift is ingediend op 15 januari 2010, is het recht over het niet tijdig beslissen van toepassing zoals dat geldt vanaf 1 oktober 2009.

2.2 Ingevolge artikel 8:54 Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

2.3 Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, Awb doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 Awb is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht.

2.4 Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

2.5 Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en,

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. Ingevolge artikel 6:12, vierde lid, Awb is het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

2.6 Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, Awb beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend na de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

2.7 Verweerder heeft bij brief van 26 maart 2010 aan de rechtbank medegedeeld dat de beslistermijn ingevolge artikel 7:10 Awb is overschreden. Verweerder heeft hieraan toegevoegd dat hij eiser heeft uitgenodigd voor een gehoor ten overstaan van een ambtelijke commissie op 13 april 2010. Hij zal na het gehoor zo spoedig mogelijk een beslissing op bezwaar nemen.

2.8 Het beroep is gericht tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar. De rechtbank stelt vast dat verweerder op grond van de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 december 2009 (zaaknummer AWB 09/21963) opnieuw dient te beslissen op het bezwaar van eiser van 12 december 2008.

2.9 Volgens vaste jurisprudentie geldt dat voor de bepaling van de termijn waarbinnen na een rechterlijke vernietiging opnieuw op het bezwaarschrift moet worden beslist is beginsel aangesloten kan worden van de Awb. De rechtbank stelt vast, zoals ook door verweerder is beaamd, dat de beslistermijn inmiddels is verstreken en dat verweerder nog geen beslissing op het bezwaar van eiser heeft genomen.

2.10 De rechtbank stelt voorts vast dat eiser geen ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:12 van de Awb heeft overgelegd.

2.11 Bij brief van 11 maart 2009 heeft eiser medegedeeld dat hij verweerder niet opnieuw in gebreke heeft gesteld, aangezien dit gelet op de uitspraak van deze rechtbank van 23 december 2009 niet meer nodig is.

2.12 De rechtbank begrijpt het standpunt van eiser in deze aldus dat eiser betoogt dat er sprake is van een situatie waarbij redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, als bedoeld in artikel 6:12, derde lid, van de Awb.

2.13 De rechtbank ziet echter in de onderhavige situatie, wanneer opnieuw beslist dient te worden op het bezwaar, geen grond voor het oordeel dat van eiser redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt.

2.14 Nu door de rechtbank is vastgesteld dat de vereiste ingebrekestelling ontbreekt en evenmin -gelet op het bepaalde in artikel 6:12, derde lid, van de Awb - is gebleken dat redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij verweerder in gebreke stelt, is op dit moment nog geen sprake van een situatie dat beroep kan worden ingesteld vanwege het in gebreke zijn van verweerder om tijdig een besluit op zijn bezwaar te nemen. Gelet hierop is het beroep niet-ontvankelijk.

2.15 De rechtbank acht geen onderzoek ter zitting noodzakelijk en zal met toepassing van artikel 8:54 Awb het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, rechter en op

in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van I. Broekhuizen, griffier.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij deze rechtbank.

Het verzet dient gedaan te worden door het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.