Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM1470

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
16-04-2010
Zaaknummer
337058 - HA ZA 09-1581
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident in (hoofd)zaak van eiser 1 en Milieudefensie tegen Royal Dutch Shell Plc (RDS) en Shell Petroleum Development Company of Nigeria Ltd. (SPDC) over schade als gevolg van olielekkages nabij het dorp Goi in Nigeria. In het incident vordert SPDC dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen tegen SPDC. Zij voert hiertoe aan dat Artikel 7 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering onvoldoende basis biedt om internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan te nemen met betrekking tot de vorderingen tegen SPDC. Daarnaast maken eiseressen misbruik van procesrecht door bij de Nederlandse rechter vorderingen in te stellen tegen RDS op een evident ontoereikende grondslag met als uitsluitend doel rechtsmacht te creëren ten aanzien van SPDC, aldus SPDC. De rechtbank verwerpt het beroep op misbruik van procesrecht en concludeert dat haar ten aanzien van SPDC internationale bevoegdheid toekomt. Vordering SPDC afgewezen. De rechtbank verwijst de zaak in de hoofdzaak naar de rol voor conclusie van repliek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2010/52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 337058 / HA ZA 09-1581

Vonnis in het bevoegdheidsincident van 24 februari 2010

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats], Nigeria,

2. de vereniging met rechtspersoonlijkheid

VERENIGING MILIEUDEFENSIE,

gevestigd te Amsterdam,

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. W.P. den Hertog,

tegen

1. de rechtspersoon naar vreemd recht

ROYAL DUTCH SHELL PLC,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk en kantoorhoudende te Den Haag,

gedaagde in de hoofdzaak,

2. de rechtspersoon naar vreemd recht

SHELL PETROLEUM DEVELOPMENT COMPANY OF NIGERIA LTD.,

gevestigd te Port Harcourt, Rivers State, Nigeria,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk.

Eisers zullen hierna gezamenlijk [eiser 1] c.s. en afzonderlijk [eiser 1] en Milieudefensie worden genoemd. Gedaagden zullen hierna RDS en SPDC worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 april 2009, met producties;

- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, tevens voorwaardelijke conclusie van antwoord in de hoofdzaak, met producties;

- de conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid;

- de conclusie van repliek in het bevoegdheidsincident, met één productie;

- de conclusie van dupliek in het in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid.

1.2. Ten slotte is de datum voor vonnis in het incident bepaald op heden.

2. Het geschil

in de hoofdzaak

2.1. [eiser 1] c.s. vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I voor recht te verklaren dat RDS en SPDC jegens [eiser 1] op grond van de stellingen in het lichaam van de dagvaarding onrechtmatig hebben gehandeld en jegens hem hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser 1] geleden heeft en nog zal lijden als gevolg van deze onrechtmatige gedragingen van RDS en SPDC, welke schade is op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

II voor recht te verklaren dat RDS en SPDC jegens Milieudefensie op grond van de stellingen in het lichaam van de dagvaarding onrechtmatig hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade aan het milieu nabij Goi als gevolg van deze onrechtmatige gedragingen van RDS en SPDC;

III RDS en SPDC te gebieden om binnen twee maanden na betekening van het vonnis, althans binnen een door de rechtbank vast te stellen termijn, aan te vangen met vervanging van de verouderde en/of gebrekkige (delen van) de oliepijpleidingen nabij Goi en deze vervanging binnen drie maanden na aanvang, althans binnen een door de rechtbank vast te stellen termijn, te voltooien;

IV RDS en SPDC te gebieden om binnen twee weken na betekening van het vonnis aan te vangen met sanering van de bodem rondom de olielekkages, opdat deze zal voldoen aan de internationale en plaatselijke geldende milieunormen, en deze sanering binnen één maand na aanvang te voltooien, ten bewijze waarvan RDS en SPDC binnen één maand na voltooiing van de sanering aan [eiser 1] c.s. een door een panel van drie deskundigen op te stellen unanieme verklaring van sanering over zullen leggen, welke deskundigen zullen worden benoemd binnen twee weken na het vonnis zodanig dat één deskundige door RDS en SPDC gezamenlijk, één door Milieudefensie en één door de twee aldus aangewezen deskundigen wordt benoemd, althans binnen door de rechtbank vast te stellen termijnen en op een door de rechtbank vast te stellen wijze van bewijs van de sanering;

V RDS en SPDC te gebieden om binnen twee weken na betekening van het vonnis aan te vangen met het zuiveren van de waterbronnen in en nabij Goi en deze zuivering binnen één maand na aanvang te voltooien, ten bewijze waarvan RDS en SPDC binnen één maand na voltooiing van de sanering aan [eiser 1] c.s. een door een panel van drie deskundigen op te stellen unanieme verklaring van zuivering over zullen leggen, welke deskundigen zullen worden benoemd binnen twee weken na het vonnis zodanig dat één deskundige door RDS en SPDC gezamenlijk, één door Milieudefensie en één door de twee aldus aangewezen deskundigen wordt benoemd, althans binnen door de rechtbank vast te stellen termijnen en op een door de rechtbank vast te stellen wijze van bewijs van de zuivering;

VI RDS en SPDC te gebieden de oliepijpleidingen nabij Goi na vervanging in goede staat te behouden, overeenkomstig de “good oil field practices”, waaronder tenminste wordt verstaan het voldoen aan de verplichte inspecties van de pijpleidingen, het opstellen dan wel in stand houden van een adequaat systeem van pijpleidinginspectie en het overeenkomstig daarmee zorgvuldig handelen; RDS en SPDC te gebieden van deze inspecties telkens binnen twee weken nadat deze hebben plaatsgevonden schriftelijk verslag aan [eiser 1] c.s. over te leggen;

VII RDS en SPDC te bevelen een adequaat plan voor reactie op olielekkages te implementeren in Nigeria en ervoor zorg te dragen dat aan alle voorwaarden is voldaan voor een tijdige en adequate reactie voor het geval zich opnieuw een olielekkage nabij Goi voordoet; hieronder verstaan [eiser 1] c.s. in ieder geval het beschikbaar stellen van voldoende materiaal en middelen - ten bewijze waarvan RDS en SPDC overzichten aan [eiser 1] c.s. zullen verstrekken - teneinde de schade van een potentiële olielekkage zoveel mogelijk te beperken;

VIII RDS en SPDC te bevelen om aan [eiser 1] c.s. een dwangsom van EUR 100.000,- te betalen (of een ander door de rechter in goede justitie te bepalen bedrag) voor elke keer dat RDS en SPDC ieder voor zich of gezamenlijk handelen in strijd met de onder III, IV, V en/of VI bedoelde geboden;

IX RDS en SPDC hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten;

X RDS en SPDC te veroordelen in de kosten van dit geding, althans de kosten van partijen te compenseren.

2.2. Aan deze vorderingen leggen [eiser 1] c.s. - kort samengevat - het volgende ten grondslag. Op of rond 23 augustus 2003 heeft een olielekkage plaatsgevonden uit een installatie of pijpleiding nabij het Bomu overslagstation bij het dorp Kegbare Dere. Vervolgens heeft op 10 oktober 2004 nabij het dorp Goi opnieuw een omvangrijke oliekkage plaatsgevonden. Als gevolg van ieder van deze lekkages heeft [eiser 1] (materiële en immateriële) schade geleden. Zijn visvijvers zijn namelijk ernstig met olie vervuild. Op de lekkage van 10 oktober 2004 volgde een brand die verdere verwoesting aan de door [eiser 1] aangebrachte beplanting heeft aangericht. Bovendien lijdt [eiser 1] gezondheidsschade als gevolg van de met olie vervuilde leefomgeving. De olielekkages hebben het milieu nabij Goi aangetast. SPDC is als ‘operator’ van de lekkende olie-installaties schadeplichtig jegens [eiser 1] c.s. SPDC heeft haar zorgplicht geschonden doordat zij de olielekkages niet heeft voorkomen, te laat is begonnen met saneren en deze sanering onvolledig heeft uitgevoerd. Naast SPDC is RDS hoofdelijk schadeplichtig jegens [eiser 1] c.s. Als moedermaatschappij van SPDC had RDS haar invloed op en zeggenschap over het (milieu)beleid van SPDC moeten gebruiken om zoveel mogelijk te voorkomen dat SPDC de onderhavige schade zou toebrengen aan mens en milieu. Deze zorgplicht heeft RDS geschonden, aldus [eiser 1] c.s.

2.3. RDS en SPDC hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

in het incident

2.4. SPDC vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen tegen SPDC. Zij voert hiertoe - kort samengevat - het volgende aan.

Artikel 7 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering biedt onvoldoende basis om internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan te nemen met betrekking tot de vorderingen tegen SPDC. Er is immers niet voldaan aan de eis dat een zodanige samenhang bestaat tussen de vorderingen tegen RDS enerzijds en die tegen SPDC anderzijds, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Daarnaast maken [eiser 1] c.s. misbruik van procesrecht door bij de Nederlandse rechter vorderingen in te stellen tegen RDS op een evident ontoereikende grondslag met als uitsluitend doel rechtsmacht te creëren ten aanzien van SPDC, aldus SPDC.

2.5. [eiser 1] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op de stellingen en weren van partijen wordt hier - voor zover nodig - nader ingegaan.

3. De beoordeling

in het incident

3.1. RDS heeft haar hoofdvestiging in Nederland. Daarom kan de rechtbank ten aanzien van deze gedaagde aan artikel 2 lid 1 juncto artikel 60 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-verordening) internationale bevoegdheid (hierna ook: rechtsmacht) ontlenen. Deze bevoegdheid is overigens ook niet in geschil.

3.2. Met betrekking tot het beroep van SPDC op misbruik van procesrecht overweegt de rechtbank als volgt. Vooropgesteld moet worden dat slechts bij hoge uitzondering sprake kan zijn van misbruik van procesrecht, met name indien een vordering is gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan de eisers de (evidente) onjuistheid kenden of behoorden te kennen of op stellingen waarvan de eisers op voorhand moesten begrijpen dat deze geen (enkele) kans van slagen hadden en dus volstrekt ondeugdelijk waren (vergelijk Hoge Raad 29 juni 2007, NJ 2007 nr. 353). Dit criterium dient - anders dan SPDC heeft betoogd - naar het oordeel van de rechtbank eveneens te worden toegepast bij de vraag of [eiserer 1] c.s. misbruik van procesrecht maken door bij de Nederlandse rechter (in plaats van de Nigeriaanse rechter) subjectief gecumuleerde vorderingen in te stellen.

3.3. De rechtbank is van oordeel dat de stellingen van [eiser 1] c.s. met betrekking tot RDS niet als volstrekt ondeugdelijk of volstrekt kansloos in de hiervoor bedoelde zin kunnen worden aangemerkt. Hierbij neemt de rechtbank onder meer in aanmerking dat ook volgens SPDC onder weliswaar uitzonderlijke omstandigheden sprake kan zijn van directe of indirecte doorbraak van aansprakelijkheid in concernverhoudingen. Dat sprake is van feiten en omstandigheden waarvan [eiser 1] c.s. de evidente onjuistheid kenden of behoorden te kennen, is onvoldoende gesteld of gebleken. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op misbruik van procesrecht.

3.4. SPDC heeft geen woonplaats op het grondgebied van een lidstaat als bedoeld in de EEX-verordening. Er is hier noch sprake van een geschil als bedoeld in artikel 22 EEX-verordening, noch van een forumkeuze als bedoeld in artikel 23 EEX-verordening. Dit leidt er - mede gelet op artikel 4 lid 1 EEX-verordening - toe dat de vraag of de rechtbank ten aanzien van SPDC internationale bevoegdheid toekomt, dient te worden beantwoord aan de hand van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Partijen houdt verdeeld of de rechtbank bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 7 lid 1 Rv, dat als volgt luidt:

“Indien in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid, de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft, komt hem deze ook toe ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.”

3.5. Gelet op deze wetsbepaling is aan de orde of tussen de vorderingen tegen RDS enerzijds en tegen SPDC anderzijds een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.

3.6. In de hoofdzaak worden RDS en SPDC door [eiser 1] c.s. aansprakelijk gehouden voor dezelfde schade, hetgeen ook volgt uit de gevorderde hoofdelijke veroordeling van RDS en SPDC. Dit brengt mee dat ten aanzien van de vorderingen tegen zowel RDS als SPDC hetzelfde feitencomplex in Nigeria ter beoordeling voorligt. Reeds hiermee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zodanige samenhang, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling van de vorderingen tegen RDS en SPDC rechtvaardigen. Dat de onderhavige feiten en omstandigheden zich geheel of deels niet in Nederland hebben voorgedaan is in de Nederlandse rechtspraak niet uitzonderlijk en leidt niet tot een ander oordeel over voldoende samenhang en doelmatigheid in de zin van artikel 7 Rv. Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet van beslissende betekenis acht of de vorderingen tegen RDS en SPDC al dan niet op dezelfde rechtsgrondslag berusten, zodat zij het betoog van SPDC op dit punt passeert.

3.7. De rechtbank acht evenmin van beslissende betekenis of bij toepassing van artikel 7 Rv een “strenger” doelmatigheidscriterium geldt dan in het interne procesrecht bij beoordeling van de toelaatbaarheid van subjectieve cumulatie of voeging van zaken, zodat zij het betoog van SPDC op dit punt eveneens passeert. Evenmin komt beslissende betekenis toe aan de door partijen aangehaalde jurisprudentie van het Hof van Justitie over artikel 6 sub 1 EEX-verordening, nu deze jurisprudentie met betrekking tot artikel 7 Rv niet rechtstreeks van toepassing is. Overigens valt zeker niet uit te sluiten dat toepassing van deze jurisprudentie tot hetzelfde oordeel zou leiden.

3.8. Alle argumenten afwegende concludeert de rechtbank dat haar ten aanzien van SPDC internationale bevoegdheid toekomt, zodat de vordering in het incident moet worden afgewezen. SPDC zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit bevoegdheidsincident.

in de hoofdzaak

3.9. De rechtbank acht deze zaak niet geschikt voor het houden van een comparitie na antwoord als bedoeld in artikel 131 Rv. Daarom zal de zaak worden verwezen naar de rolzitting van woensdag 7 april 2010 voor conclusie van repliek.

4. De beslissingen

De rechtbank:

in het incident

4.1 wijst de vordering af;

4.2. veroordeelt SPDC in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiser 1] c.s. begroot op nihil aan verschotten en op € 904,- aan salaris advocaat;

in de hoofdzaak

4.3. verwijst de zaak naar de rol van 7 april 2010 voor conclusie van repliek;

4.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.