Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM1420

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-04-2010
Datum publicatie
16-04-2010
Zaaknummer
Awb 10/9993 en Awb 10/9995
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / Dublin / discriminatie / Georgië

De rechtbank is van oordeel dat de bewaring onrechtmatig is. Aangezien een niet te verwaarlozen deel van de Dublinclaimanten niet in bewaring wordt gesteld dient er sprake te zijn van een kenbare individuele afweging. Nu de Georgische nationaliteit van de vreemdelingen is gehanteerd als onderscheidend criterium heeft verweerder hiermee discriminatoir gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummers: Awb 10/9993 en Awb 10/9995

Uitspraak op de beroepen tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdelingen genaamd, althans zich noemende:

X,

van Georgische nationaliteit,

eiser,

en

Y,

van Georgische nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. De Minister van Justitie, hierna verweerder, heeft op 9 maart 2010 aan eisers, ieder afzonderlijk, de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000.

1.2. Eisers hebben hiertegen op 18 maart 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.3. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken aan de rechtbank en aan de gemachtigde van eisers toegezonden.

1.4. De beroepen zijn behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 29 maart 2010. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen drs. B.H. Wezeman. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

1.5. Op 1 april 2010 is het onderzoek, met toepassing van artikel 8:68 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), heropend en heeft de rechtbank schriftelijk nadere vragen aan verweerder gesteld. Op 9 april 2010 heeft de rechtbank de reactie van verweerder op de gestelde vragen ontvangen. Vervolgens heeft de gemachtigde van eisers op 12 april 2010 zijn standpunt kenbaar gemaakt.

1.6. Partijen hebben toestemming gegeven de zaken zonder nadere behandeling ter zitting af te doen.

1.7. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

2.1. In deze procedures dient op grond van de beroepsgronden te worden beoordeeld of de maatregelen van bewaring niet in strijd met de wet en of de maatregelen bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd zijn.

2.2. Ingevolge artikel 59, eerste lid, Vw 2000 kan een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 onder f van deze wet in bewaring worden gesteld indien het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dit vordert. Het begrip openbare orde heeft in de eerste plaats betrekking op het gevaar dat de vreemdeling zich aan de uitzetting zal onttrekken. Bij de beoordeling of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid komt aan verweerder beoordelingsruimte toe.

2.3. In de maatregelen van bewaring heeft verweerder het vermoeden van onttrekking aan de uitzetting gebaseerd op de omstandigheden dat eisers geen vaste woon- of verblijfplaats hebben en niet beschikken over voldoende middelen van bestaan. Tevens is uitvoering van het Verdrag van Dublin en de individuele aanwijzing van 9 maart 2010 aan de maatregelen ten grondslag gelegd.

2.4. Door eisers is aangevoerd dat er sprake is van discriminatoir optreden door verweerder. Eisers zijn slechts via één ander Dublinland gereisd en er is geen sprake van criminele antecedenten. Onder deze omstandigheden worden andere Dublinclaimanten met rechtmatig verblijf niet in bewaring gesteld. Eisers zijn uitsluitend in bewaring gesteld omdat zij van Georgische nationaliteit zijn. Bovendien zal uitzetting naar Polen schending van artikel 3 en artikel 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) opleveren gelet op de omstandigheden in Polen.

2.5. Met betrekking tot het beroep van eisers op artikel 3 en artikel 13 EVRM overweegt de rechtbank als volgt.

Een beroep op de bescherming van artikel 3 en artikel 13 van het EVRM wordt beoordeeld in het kader van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Aangezien de onderhavige procedures uitsluitend strekken tot beoordeling van de rechtmatigheid van het opleggen van de maatregelen van bewaring, kunnen de beroepen van eisers op het EVRM hierom niet leiden tot het ermee beoogde doel

2.6. Eisers hebben op 4 maart 2010 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 9 maart 2010 zijn eisers, hangende hun asielprocedure, in bewaring gesteld. Niet in geschil is dat eisers in Polen asiel hebben gevraagd en vervolgens naar Nederland zijn gereisd en dat zij derhalve zogenoemde Dublinclaimanten zijn. Volgens verweerders beleid verwoord in paragraaf A6/5.3.3.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000), is bij Dublinclaimanten het gevaar voor de openbare orde in beginsel gegeven omdat zij zich reeds eerder hebben onttrokken aan het toezicht van een andere lidstaat zonder de beslissing in de asielprocedure af te wachten. Op grond hiervan komt verweerder de bevoegdheid toe eisers in bewaring te stellen. Voor zover eisers hebben gesteld dat zij wel de uitkomst van hun procedure in Polen hebben afgewacht alvorens zij naar Nederland zijn gereisd, overweegt de rechtbank dat dit -nog afgezien van het feit dat van eisers juist dan verwacht mag worden dat zij terugkeren naar hun land van herkomst in plaats van verder te reizen- reeds niet tot een ander oordeel kan leiden omdat eisers dit standpunt niet nader hebben onderbouwd met een afwijzende beschikking van de Poolse autoriteiten.

2.7. In paragraaf A6/5.3.3.6 van de Vc 2000 is tevens opgenomen dat bij overname- en terugnameverzoeken de belangenafweging in beginsel al gegeven is nu de betrokken vreemdeling reeds eerder is vertrokken uit een lidstaat zonder af te wachten welke lidstaat nu verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek dan wel uit de lidstaat is vertrokken die zich reeds verantwoordelijk had verklaard voor de behandeling van zijn asielverzoek. In navolging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 22 februari 2008 (LJN: BC5206) overweegt de rechtbank dat op grond van voornoemd beleid de omstandigheid dat eisers via Polen naar Nederland zijn gereisd en dat daarom wordt onderzocht of zij aan Polen kunnen worden overgedragen, bijzonder zwaar weegt.

2.8. Dit laat echter onverlet dat verweerder de bevoegdheid om eisers in bewaring te stellen niet op discriminatoire wijze mag toepassen.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij niet in alle gevallen gebruik maakt van de hem toekomende bevoegdheid tot inbewaringstelling op basis van paragraaf A6/5.3.3.6. Vc 2000. Een niet te verwaarlozen aantal Dublinclaimanten met rechtmatig verblijf op basis van artikel 8, aanhef en onder f en g, Vw 2000, wordt niet in bewaring gesteld hangende de asielprocedure. Op de schriftelijke vraag van de rechtbank naar de door verweerder gehanteerde criteria bij de overweging Dublinclaimanten al dan niet in bewaring te stellen, heeft verweerder in de schriftelijke reactie van 9 april 2010 als volgt gereageerd: ‘Vaste criteria voor het in bewaring stellen van Dublinclaimanten die nog rechtmatig verblijf hebben onder artikel 8, onder f of h Vw, worden door verweerder dan ook niet gehanteerd. Bij elke inbewaringstelling van een Dublinclaimant die nog in procedure is, vindt er alsnog een (individuele) belangenafweging plaats’.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder - gelet op het belang om rekening te houden met unieke, individuele, bijzondere factoren - de ruimte om bij de toepassing van het beleid ten aanzien van Dublinclaimanten geen specifieke criteria, doch de beoordeling van het individuele geval centraal te stellen. Dit betekent evenwel niet dat bij die wijze van beoordeling in de per geval genomen besluiten niet zou moeten worden gemotiveerd, welke op de feiten van het geval betrokken overwegingen hebben geleid tot het besluit deze Dublinclaimanten wél in bewaring te stellen zodat er inzicht wordt gegeven in het door verweerder gehanteerde onderscheidend criterium. Immers indien er geen vaste criteria worden gehanteerd ontstaat het risico op (de schijn van) willekeur danwel discriminatie. Volgens de uitspraak van de AbRS van 21 december 2006 (LJN: AZ5171) vergt het gelijkheidsbeginsel een consistente gedragslijn van het bestuur en is het bewaken van die consistentie is bij uitstek de verantwoordelijkheid van het bestuur.

2.9. In de individuele aanwijzingen van 9 maart 2010 die aan de maatregelen ten grondslag zijn gelegd, is opgenomen: ‘Voorts is van belang dat de openbare orde in het geding is nu gebleken is dat zich in korte tijd veel asielzoekers uit Georgië in Nederland hebben gemeld voor asiel’. Voorts staat in de individuele aanwijzing dat in het geval van eisers in de belangenafweging is betrokken dat zij hebben verklaard niet terug te willen keren naar Polen. Naast de individuele aanwijzing heeft verweerder in zijn schriftelijke reactie van 9 april 2010 aangegeven dat voor het besluit tot inbewaringstelling van belang is geweest dat eisers bij de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: IOM) hebben aangegeven terug te willen keren naar Georgië.

2.10. De rechtbank overweegt dat het feit dat eisers bij de IOM hebben aangegeven terug te willen keren naar Georgië bij de beslissing tot inbewaringstelling geen rol kan hebben gespeeld aangezien het gesprek met de IOM heeft plaatsgevonden na het besluit tot inbewaringstelling.

2.11. Niet in geschil is dat eisers hebben verklaard niet terug te willen naar Polen. In zoverre is echter geen sprake van een onderscheidend criterium ten opzichte van andere Dublinclaimanten die niet in bewaring worden gesteld. Voor iedere Dublinclaimant die in Nederland asiel aanvraagt, geldt dat hij verblijf beoogt in Nederland in plaats van in de andere lidstaat.

2.12. Als onderscheidend criterium resteert slechts dat eisers de Georgische nationaliteit bezitten en dat volgens verweerder de openbare orde in het geding is nu er in korte tijd veel Georgiërs asiel hebben aangevraagd in Nederland. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd een nadere toelichting gegeven op hetgeen in dit verband bedoeld wordt met ‘de in het geding zijnde openbare orde’ en verklaard dat Georgiërs voor overlast zorgen buiten de asielzoekerscentra. Nu verweerder echter op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat eisers persoonlijk betrokken zijn geweest bij de genoemde overlast of behoren tot een specifieke groep personen die verantwoordelijk kan worden gehouden voor de betreffende overlast, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders geconcludeerd worden dan dat slechts de nationaliteit van eisers het onderscheidend criterium is dat heeft geleid tot het toepassen van de bevoegdheid van verweerder tot het opleggen van de maatregel van bewaring ten aanzien van eisers.

2.13. Ingevolge artikel 1 van de Grondwet worden allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan. In artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR) is bepaald dat allen gelijk zijn voor de wet en zonder discriminatie aanspraak hebben op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of ras. Gelet op het feit dat verweerder de nationaliteit van eisers heeft gebruikt als onderscheidend criterium bij de beslissing om eisers in bewaring te stellen is de inbewaringstelling van eisers naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het gelijkheidsbeginsel als neergelegd in artikel 1 van de Grondwet en het verbod op discriminatie zoals neergelegd in artikel 26 van het IVBPR. Nu het belang van eisers om gelijk te worden behandeld met anderen in dezelfde positie, zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij voortzetting van de bewaring, is de inbewaringstelling van eisers bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd.

2.14. Gezien het voorgaande zijn de beroepen gegrond. De bewaring dient met onmiddellijke ingang te worden opgeheven.

2.15. Ingevolge artikel 106 Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt, dan wel de bewaring reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. In het onderhavige geval ziet de rechtbank aanleiding voor het toekennen van schadevergoeding voor de dagen die eisers ten onrechte in bewaring hebben doorgebracht, met ingang van de dag waarop eisers in bewaring zijn gesteld. Eisers komt ieder afzonderlijk een bedrag toe ter hoogte van 1 x € 105,- voor de ten onrechte doorgebrachte dag in een politiecel en 36 x € 80,- voor de ten onrechte doorgebrachte dagen in een huis van bewaring, in totaal € 2.985,- per persoon.

2.16. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van eisers. Deze worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 437,- en wegingsfactor 1, waarbij de rechtbank beide beroepen als samenhangend en derhalve als één zaak aanmerkt).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregelen van bewaring met onmiddellijke ingang;

- wijst de verzoeken om schadevergoeding toe en kent aan eisers ten laste van de Staat der Nederlanden ieder afzonderlijk een vergoeding toe ten bedrage van € 2.985,- (tweeduizend negenhondervijfentachtig euro);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 874,- en bepaalt dat verweerder deze kosten dient te vergoeden aan de griffier van de rechtbank.

Aldus gegeven door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. N. Stahlmecke als griffier op 15 april 2010.

Griffier

Rechter

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage) onder vermelding van ‘Hoger beroep vreemdelingenzaken’. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: