Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM0842

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-04-2010
Datum publicatie
12-04-2010
Zaaknummer
AWB 10/233 VEROR en AWB 10/180 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eiseres, de Vereniging Weduwen en Wezen van de Illusie, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van B&W van Den Haag om aan het Vastgoedbedrijf Universiteit Leiden een vergunning te verlenen voor het gedeeltelijk slopen van de panden Casuariestraat 16 en Schouwburgstraat 2 en het geheel slopen van het pand Schouwburgstraat 4 in Den Haag. Het college van B&W heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. Ook heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Uitspraak op het verzoek om de voorlopige voorziening en in de hoofdzaak: eiseres is niet aan te merken als belanghebbende. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijke verklaard. Aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil komt de voorzieningenrechter niet toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1

Reg.nrs. AWB 10/233 VEROR en AWB 10/180 VEROR

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

op het verzoek om een voorlopige voorziening en tevens op het beroep van

de Vereniging Weduwen en Wezen van de Illusie, gevestigd te Den Haag, eiseres,

ten aanzien van het besluit van 30 november 2009 van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

Derde partijen:

- Vastgoedbedrijf Universiteit Leiden, vergunninghouder,

- Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën, Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf), belanghebbende.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 22 juni 2009 heeft verweerder aan Vastgoedbedrijf Universiteit Leiden (hierna: vergunninghouder) vergunning ingevolge artikel 37 van de Monumentenwet 1988 verleend voor het gedeeltelijk slopen van de panden Casuariestraat 16 en Schouwburgstraat 2 en het geheel slopen van het pand Schouwburgstraat 4.

Bij besluit van 30 november 2009 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 8 januari 2010, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Bij brief van 11 januari 2010 heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De zaak is, gevoegd met de zaken 10/813 WRO en 10/1715 WRO, op 24 maart 2010 ter zitting behandeld.

Eiseres werd vertegenwoordigd door [A]. Tevens was aanwezig [B], gemachtigde van de Vereniging De Illusie.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [C] en [D]. Voorts is voor verweerder verschenen [E], projectmanager bij DSO. Vergunninghouder en belanghebbende werden vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Aerts, advocaat te Den Haag, en [G], adjunct-directeur bij het Vastgoedbedrijf Universiteit Leiden.

II OVERWEGINGEN

De voorzieningenrechter kan, indien een verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, op de voet van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. In dit geval wordt van die bevoegdheid gebruik gemaakt.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat zij niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb is aan te merken.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb is, voor zover hier van belang, de mogelijkheid om bezwaar te maken slechts voorbehouden aan belanghebbenden. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens rechtstreeks belang bij een besluit is betrokken. Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Uit artikel 1:2, derde lid, van de Awb volgt dat voor het opkomen in rechte ter behartiging van algemene en collectieve belangen de eis van rechtspersoonlijkheid geldt om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt.

Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (20 januari 2010, LJN BK9919) dient te worden beoordeeld of eiseres aan het belanghebbende-vereiste voldeed ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift.

Niet in geschil is dat eiseres geen volledige rechtsbevoegdheid heeft. De statuten van eiseres zijn niet opgenomen in een notariële akte en eiseres staat niet ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Ook een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd, in de zin van artikel 2:26 van het Burgerlijke Wetboek (BW) kan als belanghebbende bij een besluit worden aangemerkt. Volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie hiervoor de uitspraak van 12 maart 2008, AB 2009/201) dient te worden voldaan aan de cumulatieve vereisten dat:

1. er een ledenbestand moet zijn;

2. het om een organisatorisch verband moet gaan dat is opgericht voor een bepaald doel, zodat sprake moet zijn van regelmatige ledenvergaderingen, een bestuur en een samenwerking die op enige continuïteit is gericht;

3. de organisatie als een eenheid dient deel te nemen aan het rechtsverkeer.

Of in het onderhavige geval sprake is van een informele vereniging in de zin van artikel 2:26 BW is twijfelachtig. Weliswaar heeft eiseres een onderhandse oprichtingsakte overgelegd, waaruit blijkt dat zij is opgericht voor een bepaald doel (het behoud en de versterking van het cultuur-historische en monumentale karakter van het pand Casuaristraat 16/Schouwburgstraat 2), maar niet is gebleken dat er ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift op 31 juli 2009 ook sprake was van een ledenbestand in de zin van artikel 2:26 BW. Het lidmaatschap van de vereniging is immers volstrekt vrijblijvend. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de vereniging niet over een ledenadministratie beschikt en geen contributie heft. Aanmelding kan plaatsvinden door louter een ingevuld formulier in te zenden, zonder dat daar enige verplichting aan verbonden is. Voorts is van geen enkele gestelde ledenvergadering verslag gemaakt en is ook niet gebleken dat de leden activiteiten hebben verricht die specifiek op de statutaire doelomschrijving van de vereniging zijn gericht voor zover daarin het behoud van panden met monumentaal karakter als doel is genoemd. De personen die zich als lid hebben aangemeld, waarvan er overigens slechts twee in het pand wonen, zijn gelet op het vorenstaande eerder aan te merken als sympathisanten dan als leden van een vereniging.

Voor zover zou worden aangenomen dat er toch sprake is van een informele vereniging in de zin van artikel 2:26 BW heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij feitelijke werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van haar statutaire doelomschrijving. De genoemde activiteiten zijn cultureel van aard en niet gericht op de instandhouding van de monumentale waarde van de in geding zijnde panden.

Dit betekent dat eiseres niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb is aan te merken. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil komt de voorzieningenrechter niet toe.

Het beroep is ongegrond.

Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. J.L. Verbeek, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier M. van Vlodrop.

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarin op het beroep is beslist, binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.