Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM0841

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
12-04-2010
Zaaknummer
09/920214-09; 09/920451-09 (t.b.g.); 09/758147-07 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht, promis, woninginbraak en drugszaak, Salduz-verweer (mede o.g.v. KR Amsterdam 13 november 2009; minderjarige kan geen afstand doen van recht op consultatie) gemotiveerd verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers 09/920214-09; 09/920451-09 (t.b.g.); 09/758147-07 (TUL)

Datum uitspraak: 11 maart 2010

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte/veroordeelde (hierna: verdachte)

[verdachte],

geboren op [datum] 1994 te 's-Gravenhage,

GBA-adres: [adres],

thans civielrechtelijk geplaatst in Almata Jeugdzorg Plus, locatie Den Dolder,

Hindelaan 7, 3734 CJ te Den Dolder.

1. De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen met gesloten deuren van 30 juli 2009, 19 november 2009 en 25 februari 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. Kortekaas en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. H.W. van Eeuwijk, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte en zijn vader naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten aanzien van parketnummer 09/920214-09 ten laste gelegd dat:

(door de rechtbank genummerd 1.)

hij op of omstreeks 29 april 2009 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [a-straat] heeft weggenomen

een hoeveelheid geld en/of sieraden en/of snoep en/of sleutels en/of een

fotocamera en/of een televisie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [A] en/of [B], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang

tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door met een

schroevendraaier, althans een soortgelijk voorwerp aan een deur van die woning

te wrikken en/of met een hamer, althans een hard voorwerp een raam van die

woning te verbreken;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

En aan de verdachte is ten aanzien van parketnummer 09/920451-09 ten laste gelegd dat:

1. (door de rechtbank genummerd 2.)

hij op of omstreeks 17 november 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk heeft

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 0,9 gram (bruto), in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of

ongeveer 0,7 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 november 2009 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk te verkopen en/of af te

leveren en/of te verstrekken aan [C] (ongeveer) 0,9 gram (bruto), in elk

geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of 0,7 gram

(bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne

zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, opzettelijk

voorhanden had terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

2. (door de rechtbank genummerd 3.)

hij op een of meerdere tijdstippen in de periode gelegen tussen 1 september

2009 en 17 november 2009 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een

materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, (telkens) zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens)

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte tezamen met anderen een woninginbraak heeft gepleegd, dat hij heroïne en cocaïne voorhanden heeft gehad en dat hij gedurende een bepaalde periode gehandeld heeft in deze drugs.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2 primair en 3.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit bepleit, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte voorafgaand aan het verhoor bij de politie weliswaar afstand heeft gedaan van zijn recht om een advocaat te consulteren, maar dat minderjarigen in het geheel geen afstand kunnen doen van dit recht en derhalve altijd in de gelegenheid moeten worden gesteld om een advocaat te consulteren. De raadsman heeft daarbij verwezen naar het vonnis van de kinderrechter te Amsterdam d.d. 13 november 2009 (Nieuwsbrief Strafrecht 2009/396) waarin de kinderrechter heeft aangegeven van oordeel te zijn dat een minderjarige in geen geval afstand kan doen van het recht op consultatie van een raadsman voorafgaand aan het verhoor.

De raadsman heeft de rechtbank op grond van deze jurisprudentie verzocht alle verklaringen van de verdachte afgelegd op het politiebureau, voorafgaand waaraan hij geen advocaat heeft geconsulteerd, buiten beschouwing te laten. De raadsman heeft voorts aangegeven dat er geen andere verklaringen zijn waaruit blijkt dat de verdachte zou hebben gehandeld in harddrugs in de ten laste gelegde periode, zodat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

3.3 Het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van het Salduz-verweer

De officier van justitie heeft aangegeven dat er geen regels zijn met betrekking tot de onmogelijkheid van minderjarigen voor wat betreft het doen van afstand van het recht op het consulteren van een advocaat, met uitzondering van de beleidsregels van het OM ten aanzien van de zeer ernstige feiten, waar de handel in cocaïne en heroïne niet onder valt.

3.4 Het Salduz-verweer

Daargelaten dat de verdachte geen belang heeft bij de bespreking van het verweer van de raadsman met betrekking tot het doen van afstand van het recht op consultatie van een advocaat, omdat de verdachte ter terechtzitting zijn verklaringen bij de politie heeft bevestigd, zodat uitsluiting van deze verklaringen niet van enige invloed op de bewezenverklaring zal zijn, zal de rechtbank volledigheidshalve inhoudelijk ingaan op het verweer.

De rechtbank heeft kennis genomen van het vonnis van de kinderrechter te Amsterdam d.d. 13 november 2009 waarin deze oordeelt dat een minderjarige geen afstand kan doen van het recht op consultatie van een advocaat voorafgaand aan het eerste verhoor. De rechtbank volgt de redenering van deze kinderrechter niet. Zowel de arresten van de Hoge Raad d.d. 30 juni 2009 als de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (Salduz vs. Turkije d.d. 27 november 2008 en Panovits vs. Cyprus d.d. 11 december 2008) bieden geen aanknopingspunten voor deze redenering.

De rechtbank is met de kinderrechter te Amsterdam en de raadsman van de verdachte van oordeel dat ten aanzien van minderjarigen geldt dat steeds per geval zorgvuldig moet worden bekeken of de verdachte ook daadwerkelijk in staat was om afstand te doen van genoemd recht. Hierbij zijn bijvoorbeeld van belang de intellectuele vermogens van de verdachte enerzijds en bekendheid van de verdachte met zijn rechten en plichten, bijvoorbeeld vanwege eerdere veroordelingen, anderzijds.

In het onderhavige geval is sprake van een minderjarige die weliswaar functioneert op laaggemiddeld niveau, maar die, mede gelet op zijn strafblad, in staat moet worden geacht om overwogen afstand te hebben gedaan van genoemd recht. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit afgeleid zou moeten worden dat de verdachte in dit geval geen afstand kon doen van het recht op consultatie van een raadsman.

3.5 De beoordeling van de tenlastelegging

Ten aanzien van feit 1 1*

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Op 29 april 2009 heeft de politie een melding gekregen van een inbraak in een woning aan de [a-straat] 6. Ter plaatse heeft de politie geconstateerd dat er op de donkergroene voordeur verse braakschade zichtbaar was ter hoogte van het slot. Het raam aan de voorzijde van de woning aan de rechterzijde van het portiek op de eerste verdieping stond open en het glas van het raam was verbroken. Ter hoogte van perceel nummer 10, ongeveer 10 meter rechts van perceel nummer 6, lag een zwart/gele schroevendraaier. De punt van de schroevendraaier was afgebroken en er waren donkergroene lakresten zichtbaar aan de voorzijde van de schroevendraaier. In het portiek werd naast de schroevendraaier ook een digitale camera aangetroffen.2*

Op 29 april 2009 is door [D], gemachtigd namens zijn nicht [A] (bewoonster van het huis aan de [a-straat] 6 te Den Haag), aangifte gedaan van een woninginbraak in genoemde woning. 3*

De echtgenoot van [A], [B], heeft een vervolgaangifte gedaan, waarin hij aangeeft welke van de goederen die zijn aangetroffen bij de jongens die zijn aangehouden voor de woninginbraak, hij herkent als spullen die uit zijn huis zijn weggenomen, waaronder geld, snoep (in de vorm van capsules nepbloed), sieraden, sleutelbossen en een fotocamera. 4*

De verdachte heeft bekend dat hij op 29 april 2009 samen met [E] ([E]) en [F] ([F]) heeft ingebroken in deze woning. Hij heeft verklaard dat hij het gereedschap heeft gehaald en heeft geprobeerd de voordeur open te maken en dat [F] naar boven is geklommen en daar een ruit heeft ingeslagen. Verder heeft hij verklaard dat zij onder andere een televisie uit de woning hebben meegenomen. 5*

De medeverdachte [E] heeft verklaard dat hij samen met de verdachte en [F] ([F]) in de woning aan de [a-straat] 6 in Den Haag is geweest en dat zij spullen uit de woning hebben weggenomen. 6*

Op basis van het vorenstaande acht de rechtbank het volgende wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft op 29 april 2009 met een schroevendraaier geprobeerd de deur van de woning aan de [a-straat] open te wrikken. Toen dit niet lukte is er een raam op de bovenverdieping ingeslagen en zijn de verdachte en zijn mededaders de woning ingegaan. Uit de woning hebben zij vervolgens de goederen weggenomen zoals weergegeven in de tenlastelegging.

Ten aanzien van feit 2 en 3 7*

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Op dinsdag 17 november 2009 zagen twee verbalisanten bij de kruising Fruitweg/Parallelweg (in Den Haag) een man lopen met de uiterlijke kenmerken van een harddruggebruiker. Deze man, die later [C] bleek te heten, sprak een jongen aan. De man en de jongen gedroegen zich verdacht. Toen de jongen weg wilde lopen, pakte een verbalisant hem beet en bracht hem naar de grond. Op dat moment gooide de jongen, die later de verdachte [verdachte] bleek te zijn, drie bolletjes wit van zich af. Bij de verdachte zijn onder andere in beslag genomen 3 bolletjes cocaïne en 4 bolletjes heroïne. 8*

Deze bolletjes bestonden uit 0,9 gram bruine en 0,7 gram witte substantie. 9*

Van deze bolletjes zijn monsters onderzocht door het NFI. Daaruit is gebleken dat de 0,9 gram beige poeder, in drie plastic bolletjes, heroïne bevatte en dat het crèmekleurige poeder cocaïne bevatte. 10*

De verdachte heeft bij de politie bekend de bolletjes bij zich te hebben gehad, met het doel ze te verkopen. 11*

[C], de harddruggebruiker, heeft verklaard dat het de tweede keer was dat hij drugs had gekocht bij de verdachte. 12*

De verdachte heeft op 17 november 2009 bij de politie verklaard dat hij [G] in september van dit jaar op straat is tegengekomen en dat deze hem toen vroeg of hij voor [G] wilde werken. De verdachte is toen samen met [G] op pad gegaan en hield bolletjes drugs bij zich. Dit deden zij vooral bij de Hoefkade en ook bij de tramhalte bij de Wouwermanstraat. De verdachte ging vanuit school vrijwel dagelijks naar de Hoefkade (in Den Haag). De koper gaf het geld dan aan [G] en haalde de drugs op bij de verdachte. 13*

Ter terechtzitting van 25 februari 2010 heeft de verdachte aangegeven dat deze verklaring die hij heeft afgelegd ten overstaan van de politie klopt. Daarnaast heeft de verdachte expliciet bekend dat hij drugs heeft gedeald. 14*

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van cocaïne en heroïne op 17 november 2009 en ook aan het, samen met een ander (in de persoon van [G]), handelen in cocaïne en heroïne, op meerdere tijdstippen binnen de ten laste gelegde periode.

3.6 De bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op 29 april 2009 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [a-straat] heeft weggenomen een hoeveelheid geld en sieraden en snoep en sleutels en een fotocamera en een televisie, toebehorende aan [A] en/of [B], zulks na zich de toegang

tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik te hebben gebracht door met een schroevendraaier aan een deur van die woning

te wrikken en een raam van die woning te verbreken;

2.

hij op 17 november 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad 0,9 gram heroïne en 0,7 gram cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3.

hij op tijdstippen in de periode gelegen tussen 1 september 2009 en 17 november 2009 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd een hoeveelheid heroïne en/of een hoeveelheid cocaïne, telkens zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

D verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/920214-09 en het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/920451-09 onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 150 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 43 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de William Schrikker Groep.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de eis van de officier van justitie.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een woninginbraak in een woning waarvan bij de verdachte bekend was dat de bewoners op vakantie waren. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van en het dealen in cocaïne en heroïne.

Zoals ook blijkt uit de vervolgaangiftes en de vordering benadeelde partij zorgen feiten als een woninginbraak niet alleen voor heel veel materiële, maar zeker ook voor immateriële schade. De verdachte is samen met anderen in de woning van de slachtoffers geweest, terwijl dit bij uitstek de plek moet zijn waar men niet alleen zichzelf maar ook persoonlijke eigendommen veilig mag achten.

De verdachte heeft met alle nadelige gevolgen voor de slachtoffers geen enkele rekening gehouden. Hij heeft slechts gedacht aan zijn eigen persoonlijke gewin.

Ook ten aanzien van de handel in cocaïne en heroïne, beide zeer verslavende harddrugs, heeft de verdachte slechts rekening gehouden met zijn persoonlijke financiële gewin. De verdachte heeft geen rekening gehouden met de gevaren van cocaïne en heroïne voor de maatschappij in het algemeen en de gebruikers in het bijzonder. Het is ook niet aan de verdachte zelf toe te schrijven dat hij uiteindelijk is opgehouden met dealen. De politie heeft hem immers aangehouden en daarna is hij komen vast te zitten.

De verdachte heeft alle ten laste gelegde feiten gepleegd in een periode waarin hij zich in een proeftijd met betrekking tot een eerder voorwaardelijk opgelegde straf bevond. Deze proeftijd is eerder al verlengd, maar ook dat heeft hem er niet van kunnen weerhouden om zich wederom schuldig te maken aan strafbare feiten.

Ook alle eerder aan de verdachte opgelegde straffen waarvan blijkt uit een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, hebben de verdachte er niet van kunnen weerhouden te recidiveren. Het strafblad van de verdachte is inmiddels aanzienlijk. Dit terwijl de verdachte nog maar net vijftien jaar is en een deel van de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd toen hij veertien was.

De rechtbank heeft zich met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte onder andere laten voorlichten door de Raad voor de Kinderbescherming en drs. S. Paulides, psycholoog.

Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 10 februari 2010 komt, kort weergegeven, het volgende naar voren.

De verdachte staat sinds 2008 onder toezicht van de William Schrikker Groep. Er bestaan al lange tijd ernstige zorgen over zijn ontwikkeling. De Raad voor de Kinderbescherming acht de kans op recidive groot. Eerder ingezette hulpverlening verliep moeizaam, hulpverlening vanuit het Palmhuis is mislukt en hulpverlening vanuit Mistral verliep eveneens moeizaam.

Op 29 december 2009 heeft de kinderrechter een machtiging verleend de verdachte uit huis te plaatsen in een gesloten instelling. Sinds 19 januari 2010 verblijft de verdachte in Almata in Den Dolder. De structuur en de behandeling die hij nodig heeft, krijgt hij daar. De Raad voor de Kinderbescherming is van mening dat het civiele traject op dit moment prevaleert boven het strafrechtelijke traject. De Raad adviseert aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke straf zodat de civiele behandeling doorgang kan vinden en met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van zijn gezinsvoogd, ook als dat inhoudt het meewerken aan een civiele plaatsing.

Uit het Pro Justitia rapport van drs. Paulides d.d. 15 februari 2010 komt, kort weergegeven het volgende naar voren.

De verdachte is een vijftienjarige jongen die functioneert op zwakbegaafd niveau. Zijn gedrag en houding komen op bepaalde momenten berekenend en leugenachtig over. Zorgelijk is zijn gebrek aan respect aan gezag en autoriteit. Hij lijkt beïnvloedbaar voor anderen met het doel in aanzien te stijgen, maar ook eigengereid en geheel in staat eigen initiatieven te nemen.

Bij het tot stand komen van het ten laste gelegde lijken vooral het bevredigen van de eigen behoefte (geld, machtsgewin), het overschreeuwen van eigen kwetsbaarheden en onzekerheden in stoer en ongewenst gedrag, de wederzijdse negatieve beïnvloeding en het zich willen bewijzen, en het gebrekkige empathische vermogen en ontwikkeld geweten een grotere rol te hebben gespeeld dan het besef dat hij verkeerd bezig was. Hij werd hierbij niet geremd door zijn geweten of normbesef.

Er is sprake van een afwijkende sociaal-emotionele ontwikkeling en een achterstand in de gewetensontwikkeling. De gedragsstoornis uit zich in dwarsheid en recalcitrant gedrag. Daarnaast is hij echter planmatig te werk gegaan. Derhalve kan hij voor de ten laste gelegde feiten licht verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Gelet op het voorgaande is de kans op recidive zonder interventie groot.

Vanuit gedragskundig oogpunt lijkt het van belang de verdachte een intensieve en langdurige behandeling te geven in een instelling gericht op gedragsproblematiek.

Plaatsing gesloten jeugdzorg in civielrechtelijk kader is inmiddels al in gang gezet. Geadviseerd wordt deze plaatsing te continueren. Echter mocht dit traject onverhoopt geen doorgang vinden of vroegtijdig onderbroken worden, dan dient intensieve behandeling in strafrechtelijk kader plaats te vinden. Geadviseerd wordt om in dat geval de behandeling gesloten te laten plaatsvinden in de vorm van een GBM of PIJ-maatregel.

De rechtbank onderschrijft de conclusies van de gedragsdeskundigen en neemt de conclusie ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid over van de psycholoog. De rechtbank acht de verdachte aldus licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Uit de rapportage komt in elk geval naar voren dat de verdachte gebaat is bij behandeling en dan bij voorkeur behandeling binnen een gesloten setting, zoals de setting waar hij thans verblijft, namelijk Almata.

De rechtbank heeft binnen de mogelijkheden die de wet biedt niet de mogelijkheid om de behandeling in een gesloten jeugdinrichting zoals Almata, op te leggen in het kader van deze strafrechtelijke procedure, maar zal bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met de in de in het civiele traject door de kinderrechter afgegeven machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

De rechtbank zal, gelet op de ernst van de feiten, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals hierboven uiteen gezet, hem veroordelen tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie. Het onvoorwaardelijke deel zal de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht niet te boven gaan, daar dat de behandeling in het civielrechtelijke kader zou doorkruisen.

Het voorwaardelijke deel zal hoger zijn dan door de officier van justitie geëist. De rechtbank is van oordeel dat een hogere straf passender is bij de ernst van de feiten, met name gelet op het feit dat deze gepleegd zijn in een proeftijd en daarnaast gelet op het feit dat de verdachte reeds vele malen eerder in aanraking is geweest met politie en justitie. Daarnaast overweegt de rechtbank dat verschillende vormen van hulpverlening in het verleden reeds zijn mislukt en dat mede met het oog daarop een langere voorwaardelijke straf (met na te melden bijzondere voorwaarde) dan geëist nodig zal zijn om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan strafbare feiten.

Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarde verbinden dat de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de William Schrikker Groep, zodat hij, ongeacht de ontwikkelingen in het civielrechtelijke kader (voor wat betreft de ondertoezichtstelling én de uithuisplaatsing), de begeleiding - en mogelijk binnen dat kader ook behandeling - blijft krijgen die hij nodig heeft.

7. De inbeslaggenomen voorwerpen.

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) onder 2 genummerd voorwerp zal worden verbeurdverklaard en dat de onder 1 en 3 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich ten aanzien van de in beslag genomen goederen aangesloten bij hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerp (een zwarte Samsung telefoon) verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met behulp van dit voorwerp het onder 3 bewezen verklaarde feit is begaan en degene aan wie het voorwerp toebehoort bekend was met het gebruik van dat voorwerp in verband met het onder 3 ten laste gelegde feit. Immers blijkt uit het dossier (blz. 43) dat het telefoonnummer van deze telefoon overeenkomt met het telefoonnummer op drie bij de verdachte aangetroffen briefjes, zodat aannemelijk is dat deze telefoon gebruikt werd om afspraken met kopers van drugs te maken.

De rechtbank zal daarnaast de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 1 en 3 genummerde voorwerpen (een zwarte Samsung telefoon, Sgh-B130 en een grijze Nokia telefoon) nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling.

8.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank d.d. 6 februari 2008 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, afwijzing van de vordering verzocht.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich ten aanzien de vordering aangesloten bij hetgeen door de officier van justitie is verzocht.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor afwijzing van de vordering van de officier van justitie, aangezien tenuitvoerlegging van de jeugddetentie een onwenselijke doorkruising van het civielrechtelijke traject waarin de verdachte thans zit, zou betekenen.

Hierbij zij opgemerkt dat op grond van artikel 77y lid 3 van het Wetboek van Strafrecht de proeftijd niet loopt zolang de verdachte civielrechtelijk is geplaatst in een gesloten instelling als Almata.

9. De vordering van de benadeelde partij.

[A] heeft zich ten aanzien van feit 1 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.768,75.

9.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 200,00 voor wat betreft de immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige. Zij heeft daartoe aangegeven dat de materiële schade niet voldoende is onderbouwd en dat bij vonnis van de rechtbank inzake de medeverdachte [E] de vordering is toegewezen tot een bedrag van € 200,00 voor wat betreft de immateriële schade.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien de vordering voor dat deel niet onderbouwd is. Ten aanzien van het immateriële deel heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op het materiële deel van de schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Immers, het is onduidelijk welk deel van de schade door de verzekeraar is vergoed en wat de reden is geweest dat de verzekeraar slechts een deel heeft vergoed.

De rechtbank acht deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op de immateriële schade tot het gevorderde bedrag van € 250,00, naar billijkheid toewijsbaar en in zoverre eenvoudig vast te stellen, nu namens de verdachte de omvang daarvan niet is betwist en nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 250,00.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de rechtbank de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt zal compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 250,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A].

Toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

33, 33a, 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaardingen onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1

DIEFSTAL WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT EN HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN BRAAK, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

2

OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER C VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

3

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

verklaart het bewezene en de verdachte te dier zake strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 200 dagen

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 92 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de William Schrikker Groep namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, zolang die instelling zulks nodig acht;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;

verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerp, te weten: een zwarte Samsung telefoon;

gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 1 en 3 genummerde voorwerpen, te weten: een zwarte Samsung Sgh-B130 telefoon en een grijze Nokia telefoon;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk en hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [A], een bedrag van € 250,00;

met de bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat hij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt daarbij dat de verdachte en de benadeelde de partij elk de eigen kosten dragen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 250,00 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

t.a.v. parketnummer 09/758147-07

wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.G.J. Brink, kinderrechter, voorzitter,

mr. M. Dam, kinderrechter,

en mr. J.M. Ghrib, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.V. Verbree, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 maart 2010.

1* Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - met betrekking tot feit 1 bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's betreffen dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer PL1513/2009/22460 van de politie Haaglanden, met bijlagen.

2* Proces-verbaal van bevindingen, blz. 56

3* Proces-verbaal van aangifte [D], blz. 54

4* Proces-verbaal van aangifte [B], blz. 187-189

5* Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 november 2009 en 25 februari 2010

6* Verklaringen van verdachte [E] blz. 71en 75

7* Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - met betrekking tot de feiten 2 en 3 bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's betreffen dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer PL1513/2009/58539 van de politie Haaglanden, met bijlagen.

8* Proces-verbaal van aanhouding, redenen van wetenschap, blz. 16 en 17.

9* Proces-verbaal blz. 44

10* Een geschrift, zijnde het rapport van het NFI blz. 63

11* Verklaring verdachte blz. 47

12* Verklaring verdachte [C], blz. 50

13* Verklaring verdachte, blz. 55 en 56

14* Verklaring verdachte ter terechtzitting