Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM0715

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
12-04-2010
Zaaknummer
333764 - HA ZA 09-1026
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Formele rechtskracht verontreinigingsheffing 2001. Grond voor het maken van een uitzondering op de formele rechtskracht?

Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1003

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 333764 / HA ZA 09-1026

Vonnis van 6 januari 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRORAIL B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. P.M.L. Schilder Spel, te Utrecht,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. E. Grabandt, te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna Prorail en de Staat genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-de dagvaarding van 2 maart 2009;

-de conclusie van antwoord, van 15 juli 2009;

-het tussenvonnis van 29 juli 2009, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

-de brief van 21 oktober 2009 (met bijlage) van de advocaat van de Staat;

-de brief van 23 oktober 2009 (met bijlagen) van de advocaat van Prorail;

-het proces-verbaal van comparitie van 10 november 2009.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

2.1.Prorail(1) is in 1996 begonnen met de aanleg van de Betuweroute. Het ontwerp hiervan voorzag in de aanleg van een zogenoemde aarden baan bij het Inundatiekanaal te Tiel. In het ontwerp is uitgegaan van de aanvoer van het hiervoor nodige zand per schip. Dit zand zou, vermengd met rivierwater, via persleidingen in het tracé worden gebracht. Daarna diende het overtollige water te worden geloosd op het oppervlaktewater, in dit geval het genoemde kanaal. Het ging hierbij om het onderdeel van de beoogde Betuweroute dat werd aangeduid met BR4.

2.2.Op 27 mei 1999 heeft Prorail bij de Staat (directoraat-generaal Rijkswaterstaat) een of meer vergunningen op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) aangevraagd voor het lozen van perswater op het oppervlaktewater. Op 9 (of 10) maart 2000 heeft Rijkswaterstaat de gevraagde vergunningen verleend.

2.3.De werkzaamheden waarvoor deze vergunningen waren verzocht en verkregen zouden aanvankelijk in 2000 beginnen, maar zijn in werkelijkheid in 2002 aangevangen. Met een brief van 15 februari 2002 heeft Prorail aan de directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat bericht dat zij geen gebruik zou maken van de verleende vergunningen, omdat intussen was besloten het zand op andere wijze dan via een persleiding aan te voeren. Prorail heeft Rijkswaterstaat gevraagd de vergunningen in te trekken.

2.4.In reactie hierop heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (Rijkswaterstaat, directie Oost-Nederland) met een brief van 7 maart 2002 aan Prorail meegedeeld dat de desbetreffende vergunningen slechts een looptijd hebben tot en met 30 juni 2002. Vermeld is dat na overleg met Prorail is besloten de vergunningen "niet officieel in te trekken". In een latere brief, van 22 oktober 2004, heeft de Staatssecretaris aan de Projectorganisatie Betuweroute bericht dat "deze brief" (2) "materieel" als een intrekkingsbesluit kan worden gelezen.

2.5.Het Bureau Verontreinigingsheffing Rijkswateren, dat onderdeel is van Rijkswaterstaat en hierna wordt aangeduid als "het Bureau", heeft op 11 maart 2002 aan Prorail bericht dat naar aanleiding van de door haar ingediende aangifte voor de verontreinigingsheffing over het jaar 2000, is besloten geen aanslag op te leggen.

2.6.Prorail BV heeft geen aangifte gedaan voor de verontreinigingsheffing over het jaar 2001. Op 28 februari 2003 heeft het Bureau aan Prorail (Managementgroep Betuweroute, t.a.v. [medewerker]) ambtshalve een aanslag Verontreinigingsheffing Rijkswateren voor het jaar 2001 opgelegd ten bedrage van € 79.524. Hierin was een verzuimboete van € 113 begrepen. Prorail heeft, naar haar zeggen per vergissing, deze aanslag betaald.

2.7.Op 7 mei 2003 heeft Prorail bezwaar gemaakt tegen deze aanslag. Het hoofd van het Bureau heeft haar in dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, onder meer omdat het te laat (buiten de wettelijke termijn van zes weken) was ingediend. Een later verzoek van of namens Prorail aan Rijkswaterstaat om ambtshalve vermindering is afgewezen bij besluit van 29 juni 2004. Aan deze afwijzing is ten grondslag gelegd (i) dat Prorail niet had aangetoond dat de aanslag ten onrechte was opgelegd en (ii) dat de termijn voor het indienen van bezwaar was overschreden. Aan de afwijzing was een mededeling omtrent een beroepsmogelijheid verbonden. Prorail heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.8.In de onder 2.4 genoemde brief van 22 oktober 2004 heeft de Staatssecretaris onder meer vermeld dat zijn handhavers geen lozingen hebben waargenomen. Mede gelet op deze mededeling heeft Prorail op 15 november 2004 aan Rijkswaterstaat bericht dat de betaling van het bedrag van € 79.524 op de aanslag 2001 onverschuldigd heeft plaatsgevonden. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat er (i) geen vergunning was geweest en (ii) geen lozingen hebben plaatsgevonden. Partijen hebben hierover gesproken op 23 november 2004.

2.9.Op 10 juni 2005 heeft Prorail aan Rijkswaterstaat (t.a.v. het hoofd van het Bureau) verzocht de aanslag 2001 ambtshalve te verminderen op grond van artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Dit verzoek is geweigerd.

2.10.Op 21 juni 2005 heeft het hoofd van het Bureau aan Prorail bericht dat over het jaar 2002 geen aanslag wordt opgelegd.

Het geschil

Prorail vordert, samengevat, de veroordeling van de Staat tot betaling van de som van € 79.524, met de wettelijke rente primair vanaf 13 mei 2003 en subsidiair vanaf 29 juni 2004, en met de proceskosten.

3.2.Prorail legt hieraan het volgende ten grondslag. De aanslag 2001, gedateerd 28 februari 2003, heeft in beginsel formele rechtskracht gekregen. Er zijn echter bijkomende omstandigheden van zo klemmende aard dat op dit beginsel in dit geval een uitzondering moet worden gemaakt. Volgens zijn eigen berichten heeft de Staat immers erkend dat de desbetreffende Wvo-vergunning feitelijk was ingetrokken en dat daarvan ook geen gebruik is gemaakt. Uit de desbetreffende mededeling van het Bureau mocht zij - gegeven ook het vaststaande feit dat er geen lozingen hebben plaatsgevonden - opmaken dat er geen aangifte behoefde te worden gedaan. In dit een en ander ligt besloten dat de Staat heeft erkend dat de aanslag rechtens onjuist (onrechtmatig) is. Bovendien is het in dit geval aan aan de Staat, op grond van diens uitingen, toe te rekenen dat geen rechtsmiddelen zijn aangewend tegen de aanslag. Nu de formele rechtskracht van de aanslag dient te worden doorbroken, kan zij, Proirail, het door op die aanslag betaalde bedrag van € 79.524 terugvorderen. De handelwijze van de Staat levert ten opzichte van haar een onrechtmatige daad op, die de Staat verplicht tot vergoeding van door haar daardoor geleden schade. Subsidiair stelt Prorail dat de Staat (Rijkswaterstaat) het onder 2.9 vermelde verzoek om toepassing van artikel 65 Awr niet had mogen afwijzen. Ook dit was onrechtmatig en verplicht de Staat tot vergoeding van de daaruit voortgevloeide schade, die evenzeer op € 79.524 kan worden begroot.

3.3.De Staat heeft zich tegen de vordering van Prorail verweerd. Kort samengevat stelt de Staat dat de formele rechtskracht van de aanslag 2001 in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van deze kwestie door de burgerlijke rechter. Volgens de Staat is er geen grond voor een uitzondering op de formele rechtskracht en was de afwijzing van het op artikel 65 Awr gebaseerde verzoek niet onrechtmatig.

3.4.Op de verdere stellingen van partijen wordt, voor zover nodig, hierna ingegaan.

De beoordeling

Het geschil draait in de kern om de vraag of in deze civiele procedure kan worden teruggekomen op de aanslag Verontreinigingsheffing Rijkswateren 2001. Terecht gaat ook Prorail ervan uit dat het antwoord op deze vraag in beginsel ontkennend luidt. De aanslag in kwestie is onherroepelijk geworden doordat Protail daartegen niet tijdig bezwaar heeft gemaakt; zij heeft, integendeel, het bedrag van deze aanslag zonder protest voldaan. Hiermee heeft de aanslag in beginsel formele rechtskracht verkregen. Dit betekent dat voor de burgerlijke rechter als uitgangspunt heeft te gelden dat de aanslag rechtsgeldig is, zowel wat de totstandkoming daarvan betreft als inhoudelijk. Hierbij doet niet ter zake op welke feitelijke grond of rechtsgrond de aanslag alsnog wordt betwist. Voor een inhoudelijke beoordeling van de stelling van Prorail dat haar brief van 15 februari 2002 kan worden gezien als "een soort van aangifte", is dus bijvoorbeeld geen plaats. Deze stelling had bij uitstek in een bestuursrechtelijke procedure (bezwaar of beroep) kunnen worden onderzocht.

4.2.Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak geen grond bestaat voor het maken van een uitzondering op deze formele rechtskracht. Hiervoor zijn in het bijzonder de volgende omstandigheden redengevend, zoal niet afzonderlijk dan toch in elk geval tezamen en in onderling verband beschouwd:

i.Prorail heeft, in afwijking van haar plicht, geen aangifte gedaan. Als zij dat wel zou hebben gedaan, had zij alle mogelijkheden gehad om feiten te vermelden waaruit volgt dat de aanslag op nihil dient te worden gesteld of achterwege zou moeten blijven.

ii.Toen zij eenmaal de ambtshalve opgelegde aanslag had ontvangen, heeft zij geen gebruik gemaakt van de voor haar openstaande mogelijkheid om daartegen bezwaar te maken of, op zijn minst genomen, tijdens de periode waarin bezwaar kon worden gemaakt vragen te stellen. Zij heeft, integendeel, zonder protest het bedrag van de aanslag voldaan. iii. Dat zij dit, zoals zij stelt, per vergissing heeft gedaan is een omstandigheid die voor haar risico moet blijven en voor de Staat niet kenbaar was. Van haar, als grote zakelijke partij, mag worden verwacht dat zij alvorens te betalen intern onderzoekt of de aanslag terecht is opgelegd. Ten overvloede verdient hierbij opmerking dat de Staat heeft gesteld dat de tenaamstelling van de aanslag mede op verzoek van deze belastingplichtige zo is geschied als hier het geval is geweest.

iv. In de "materiële intrekking" van de Wvo-vergunning waartoe de Staat tevoren was overgegaan lag niet besloten dat de Staat de onjuistheid of onrechtmatigheid van de aanslag 2001 heeft erkend. Zoals de Staat terecht betoogt, is de aanslag gekoppeld aan een - in dit geval veronderstelde - lozing en niet aan het al dan niet bestaan van een vergunning terzake. Ook het enkele feit dat ambtenaren van de Staat in een later stadium bereid zijn geweest met Prorail te spreken over deze kwestie houdt geen erkenning van onrechtmatig handelen van de Staat in.

v. De veel latere mededeling van de Staat dat hem geen lozingen bekend zijn, houdt evenmin de erkenning in dat Prorail in het desbetreffende jaar niet heeft geloosd. Op begrijpelijke gronden heeft de Staat gesteld dat na enkele jaren niet meer effectief kan worden nagegaan of er niet toch is geloosd.

4.3.In deze civiele procedure kan dus niet worden onderzocht of de Staat, door de oplegging van de aanslag 2001, jegens Prorail onrechtmatig heeft gehandeld. Hieruit volgt dat de vordering niet slaagt voor zover zij berust op een veronderstelde onrechtmatige daad van de Staat.

4.4.Ook de tweede grondslag voor de vordering slaagt niet. Tegen de afwijzing van het verzoek om toepassing van artikel 65Awr staat geen bestuursrechtelijk rechtsmiddel open. Voor een inhoudelijk oordeel van de burgerlijke rechter zou alleen - en hooguit - sprake kunnen zijn in zeer bijzondere omstandigheden, waarin de afwijzing klaarblijkelijk onbehoorlijk was. Omstandigheden van deze aard zijn door Prorail niet gesteld en zijn de rechtbank ook niet gebleken. De onder 4.2 samengevatte omstandigheden wijzen veeleer op het tegendeel. De conclusie is dus dat niet kan worden gezegd dat de Staat in het hier besproken opzicht tegenover Prorail onrechtmatig heeft gehandeld.

4.5.Hieruit volgt dat de vordering van Prorail dient te worden afgewezen. Zij zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Het salaris van de advocaat wordt begroot op € 1.788 (twee punten à € 894, volgens tarief ).

De beslissing

De rechtbank:

wijst de vordering af;

veroordeelt Prorail in de kosten van het geding aan de zijde van de Staat gevallen en begroot deze kosten tot aan deze uitspraak op € 1.788 voor salaris van de advocaat en op € 1.750 voor verschotten;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op

6 januari 2010.

(1) In de stukken is ook sprake van de besloten vennootschap NS Railinfrabeheer BV. Op het voetspoor van partijen zal de rechtbank deze vennootschap vereenzelvigen met Prorail.

(2) Waarmee - anders dan Prorail stelt in punt 11 van de dagvaarding - kennelijk is gedoeld op de brief van 7 maart 2002.