Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL9900

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
AWB 08/5971 LB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BR5462, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

30%-regeling niet van toepassing op ontslagvergoeding. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0867
NTFR 2010/1432 met annotatie van Sturm
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08/5971 LB

Uitspraakdatum: 17 februari 2010

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

I PROCESVERLOOP

1.1. Eisers voormalige werkgever heeft op de in de maand april 2008 aan eiser uitgekeerde vergoeding een bedrag van € 168.790 aan loonheffing ingehouden. Eiser heeft tegen deze inhouding bezwaar gemaakt.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 juli 2008 het bezwaar afgewezen.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 8 augustus 2008, ontvangen bij de rechtbank op 11 augustus 2008, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld bij brief van 3 september 2008, ingekomen bij de rechtbank op 4 september 2008.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Eiser heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2010 te 's-Gravenhage.

Namens eiser is verschenen diens gemachtigde mr. M.H. Verhoef. Namens verweerder is verschenen mr. [A]. Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser, geboren in 1952, is op 1 november 2005 in dienst getreden bij de vennootschap (hierna: de werkgever), waarna hij per 1 december 2005 is benoemd tot algemeen directeur en statutair bestuurder. In de arbeidsovereenkomst is onder meer - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

"4. Vergoeding bij einde arbeidsovereenkomst

4.1. Indien de Vennootschap te eniger tijd tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst overgaat, anders dan door middel van een ontslag op staande voet wegens onverwijld medegedeelde dringende reden in de zin der wet en anders dan na twee jaar ziekte van de Directeur, heeft de Directeur jegens de Vennootschap recht op een vergoeding als hierna te noemen. Onder beëindiging in de vorige zin wordt niet begrepen het van rechtswege eindigen van de arbeidsovereenkomst bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, maar wel medebegrepen een door de rechter uitgesproken ontbinding wegens gewichtige redenen indien die ontbinding wordt uitgesproken op grond van veranderingen in de omstandigheden. De vergoeding is gelijk aan het laatst geldende bruto jaarsalaris als vermeld in artikel 2.1, met dien verstande dat de vergoeding nooit meer zal bedragen dan het salaris dat de directeur genoten zou hebben indien vanaf het tijdstip van eindigen van de arbeidsovereenkomst de arbeidsovereenkomst zou zijn voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd. De vergoeding zal door de Vennootschap worden voldaan binnen een maand na het eindigen van de arbeidsovereenkomst op een door de Directeur aan te geven wijze, daaronder begrepen betaling aan een door de Directeur aan te wijzen derde ter verkrijging van het recht op periodieke uitkeringen.

4.2. Indien en voorzover de rechter in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst enigerlei vergoeding zal vaststellen ten gunste van de Directeur, dan zal die vergoeding prevaleren boven de in artikel 4.1 bedoelde vergoeding.".

2.2. Op verzoek van eiser en de werkgever is aan eiser bij beschikking van 13 december 2005 de zogenoemde 30%-regeling toegekend voor de periode 1 november 2005 tot en met 31 maart 2010.

2.3. In maart 2008 is het dienstverband tussen eiser en de werkgever beëindigd. In de maand april 2008 heeft de werkgever aan eiser op grond van het bepaalde in artikel 4 van de arbeidsovereenkomst een bruto vergoeding van € 325.000 (hierna: de vergoeding) uitgekeerd. De werkgever heeft bij de inhouding van de loonheffing geen rekening gehouden met de 30%-regeling.

Geschil

3.1. In geschil is of eiser recht heeft op toepassing van de 30%-regeling over de vergoeding, in dier voege dat 30% daarvan als vrije vergoeding in de zin van artikel 15a, eerste lid, onderdeel j, van de Wet op de loonbelasting 1964 moet worden beschouwd. Meer specifiek in geschil is of de vergoeding als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking is aan te merken, hetgeen eiser stelt, maar verweerder bestrijdt.

3.2. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van het bedrag aan ingehouden loonheffing met € 50.490. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.3. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

II OVERWEGINGEN

4.1. Uit het arrest van de Hoge Raad van 25 januari 2008, nr. 43 396, BNB 2008/104,

LJN: AD8840, volgt dat de regeling als opgenomen in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, waarbij de grondslag voor toepassing van de 30%-regeling is beperkt tot loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, niet onverbindend is. Mitsdien dient de vraag te worden beantwoord of de onderhavige beëindigingsvergoeding dient te worden aangemerkt als loon uit tegenwoordige of uit vroegere dienstbetrekking.

4.2. Voor het onderscheid tussen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en loon uit vroegere dienstbetrekking is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad bepalend of de vergoeding ten nauwste verband houdt met bepaalde verrichte arbeid of met in een bepaald tijdvak verrichte arbeid waarvoor het de rechtstreekse beloning vormt, dan wel of die vergoeding meer algemeen haar oorzaak vindt in het voorheen verricht hebben van arbeid.

4.3. Uit artikel 4.1 van de arbeidsovereenkomst valt op te maken dat eiser de vergoeding heeft ontvangen als gevolg van een onvrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De vergoeding heeft dan ook naar het oordeel van de rechtbank het karakter van een ontslaguitkering die uitsluitend strekt tot compensatie van te derven inkomsten in de toekomst. Ook de bepaling in genoemd artikel dat de vergoeding nooit meer zal bedragen dan het salaris dat eiser zou hebben genoten vanaf het tijdstip van eindigen van de arbeidsovereenkomst tot de pensioengerechtigde leeftijd, wijst erop dat sprake is van een ontslaguitkering. Eiser, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vergoeding ten nauwste verband hield met de door hem bij de werkgever verrichte arbeid. Van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking is dan ook geen sprake. Dat eiser, naar hij heeft gesteld, een hoger salaris had kunnen bedingen indien de vergoeding niet in de arbeidsovereenkomst zou zijn opgenomen, maakt dit niet anders. Ook de omstandigheid dat de vergoeding in de arbeidsovereenkomst is opgenomen, brengt niet mee dat hier sprake is van een verlate uitbetaling van regulier loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd, kan evenmin aan voormeld oordeel afdoen.

4.4. Nu de vergoeding geen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking vormt, heeft eiser geen recht op toepassing van de 30%-regeling over de vergoeding.

4.5. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T. van Rij, mr. I. Obbink-Reijngoud en mr. S.K.A. Efstratiades, in tegenwoordigheid van de griffier mr. U.A. Salomons.

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.