Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL9834

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
01-04-2010
Zaaknummer
Awb 09/41134
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM8509, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing asielaanvraag / manipulatie vingertoppen / frustratie onderzoek / ontbreken documenten / dactyloscopisch signalement na datum bestreden besluit

Uit de door buitengewoon opsporingsambtenaren van het regionaal politiekorps Rechtbank ‘s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen opgemaakte processen-verbaal van [..] blijkt dat op voornoemde data [..] geen bruikbaar dactyloscopisch signalement van eiser kon worden vervaardigd. Uit beide processen-verbaal blijkt dat de papilairlijnen op de vingers van eiser van zodanige slechte kwaliteit waren dat er geen goed dactyloscopisch signalement van eiser te vervaardigen was. Eiser had duidelijk zijn vingers gemanipuleerd. De vingers van eiser glommen zeer en er zaten diepe groeven in de vingers. De handen glommen van een vettige substantie die de verbalisant niet kon thuisbrengen. In beide processen verbaal luidt de conclusie dat de omstandigheid dat er geen bruikbaar dactyloscopisch signalement kon worden vervaardigd waarschijnlijk het gevolg is van opzet aan de zijde van betrokkene.

Blijkens een proces-verbaal van 21 oktober 2009, opgemaakt door een buitengewoon opsporingsambtenaar van regionaal politiekorps Hollands-Midden, is wederom een dactyloscopisch signalement vervaardigd, echter de vingerafdrukken waren te slecht van kwaliteit om in het vingerafdrukkensysteem gezocht te kunnen worden.

Vervolgens blijkt uit een brief van 4 december 2009 van verweerder dat op 20 november 2009 een dactyblad van de politie Hollands-Midden is ontvangen waaruit blijkt dat op 19 november 2009 nogmaals een dactyloscopisch signalement is vervaardigd. Na registratie in Eurodac is gebleken dat eiser op 17 oktober 2008 een asielaanvraag heeft ingediend in Italië. Een indienen van een claim is echter niet meer mogelijk, aldus verweerder in de desbetreffende brief.

De rechtbank is van oordeel dat nu eiser geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen op grond waarvan aan de inhoud van de processen-verbaal dient te worden getwijfeld, er geen reden is waarom verweerder niet van de juistheid daarvan heeft mogen uitgaan. Dat eerst nà het nemen van het bestreden besluit, alsnog een dactyloscopisch signalement is verkregen dat wel bruikbaar was, doet hieraan niet af. Uit de informatie die dat daaruit is verkregen blijkt niet meer dan dat eiser een asielaanvraag in Italië heeft ingediend. Niet valt uit te sluiten dat de oorzaak van het welslagen van het onderzoek ligt in het feit dat eiser reeds enige tijd in vreemdelingenbewaring verbleef en zijn vingertoppen zich, vanwege het ontbreken van middelen om deze te manipuleren, hebben kunnen herstellen. Verweerder was gelet op hetgeen onder 5 is overwogen, niet gehouden om deze gegevens alsnog bij de beoordeling te betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Middelburg

AWB nummer: 09/41134

V-[xxx]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

inzake

[Naam],

eiser,

gemachtigde mr. drs. E.W.B. van Twist,

advocaat te Dordrecht,

tegen

de Minister van Justitie,

(voorheen de Staatssecretaris van Justitie)

verweerder,

gemachtigde mr. Y.E.A.M. van Hal,

medewerkster bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

I. Procesverloop

Op 9 november 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van 28 oktober 2009 (het bestreden besluit) waarbij zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 1 maart 2010. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig T. Ogbamichael, tolk in de Tigrinia taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), is verweerder bevoegd een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op asielgerelateerde gronden in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. (…)

Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien sprake is van één van de in deze bepaling genoemde omstandigheden.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen doe noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 1 A van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Volgens hoofdstuk C14, onderdeel 2, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) wordt bij de beoordeling van een asielaanvraag allereerst beoordeeld of de asielaanvraag op grond van artikel 30 van de Vw 2000 moet worden afgewezen. Als dat het geval is, wordt de asielaanvraag niet inhoudelijk beoordeeld. Als dat niet het geval is, wordt eerst bezien of er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Zo niet, dan wordt aan de hand van de inwilligingsgronden van artikel 29 van de Vw 2000, alsmede de afwijzingsgrond van artikel 31 van de Vw 2000 beoordeeld of de aanvraag voor inwilliging in aanmerking komt.

Volgens hoofdstuk C4 onderdeel 2.5 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, vormt de omstandigheid dat een vreemdeling onjuiste gegevens aan de Nederlandse autoriteiten verstrekt, dan wel de juiste gegevens verzwijgt teneinde te bewerkstelligen dat hij in een gunstiger positie komt te verkeren dan waarin hij zonder deze onjuiste gegevens zou verkeren, een contra-indicatie voor statusverlening. Hieronder valt bijvoorbeeld het verstrekken van onjuiste gegevens met betrekking tot de identiteit, waardoor mogelijkheden van onderzoek, bijvoorbeeld ten aanzien van verblijf in een derde land, worden belemmerd.

2. Op 11 september 2009 heeft eiser, die stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij heeft verklaard sedert 26 mei 2009 in Nederland te verblijven.

Op 17 september 2009 is eiser in vreemdelingenbewaring gesteld omdat er -ondermeer- sprake was van frustratie van de identificatie door middel van manipulatie van de vingertoppen.

Verweerder heeft op 17 september 2009 eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft zijn zienswijze op dit voornemen schriftelijk naar voren gebracht. Bij besluit van 28 oktober 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

3. Eiser heeft zich -samengevat- op het standpunt gesteld dat zijn relaas geloofwaardig is en dat er positieve overtuigingskracht van uitgaat. Het al dan niet aanwezig zijn van gemutileerde vingertoppen is geen hiaat, vaagheid, ongerijmde wending of tegenstrijdigheid en staat derhalve niet aan het aannemen van de conclusie dat er sprake is van positieve overtuigingskracht in de weg. Het bewijs dat hij zijn vingertoppen heeft bewerkt is volgens eiser niet voorhanden.

Nu niet wordt getwijfeld aan de nationaliteit en etnische afkomst van eiser, dient verweerder het relaas alsnog inhoudelijk te toetsen, inclusief het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83 EG inzake de minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven (de Definitierichtlijn).

4. Verweerder heeft de aanvraag, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 6 oktober 2009 (LJN: BJ9922), op grond van het bepaalde in het eerste lid van artikel 31 van de Vw 2000, in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van dat artikel, afgewezen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser het onderzoek naar een mogelijk eerder verblijf in Nederland dan wel een verblijf in een ander Europees land heeft gefrustreerd door manipulatie van zijn vingertoppen. Het is verweerder daardoor mede onmogelijk gemaakt om onderzoek te doen naar eisers identiteit en nationaliteit en de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel het verzwijgen van gegevens wordt als contra-indicatie voor statusverlening aangemerkt.

Daarbij is mede van belang dat eiser niet in het bezit van (reis) documenten en dat het ontbreken van documenten valt eiser toe te rekenen. Bovendien heeft eiser onvoldoende meegewerkt aan de vaststelling van zijn reisroute, aldus verweerder.

De rechtbank overweegt als volgt en neemt daarbij de volgende feiten als uitgangspunt.

5. Uit de door buitengewoon opsporingsambtenaren van het regionaal politiekorps Groningen opgemaakte processen-verbaal van 29 mei 2009 en 11 september 2009 blijkt dat op voornoemde data en op 16 juli 2009, 23 juli 2009, 13 augustus 2009, 20 augustus 2009 en 27 augustus 2009 geen bruikbaar dactyloscopisch signalement van eiser kon worden vervaardigd. Uit beide processen-verbaal blijkt dat de papilairlijnen op de vingers van eiser van zodanige slechte kwaliteit waren dat er geen goed dactyloscopisch signalement van eiser te vervaardigen was. Eiser had duidelijk zijn vingers gemanipuleerd. De vingers van eiser glommen zeer en er zaten diepe groeven in de vingers. De handen glommen van een vettige substantie die de verbalisant niet kon thuisbrengen. In beide processen verbaal luidt de conclusie dat de omstandigheid dat er geen bruikbaar dactyloscopisch signalement kon worden vervaardigd waarschijnlijk het gevolg is van opzet aan de zijde van betrokkene.

Blijkens een proces-verbaal van 21 oktober 2009, opgemaakt door een buitengewoon opsporingsambtenaar van regionaal politiekorps Hollands-Midden, is wederom een dactyloscopisch signalement vervaardigd, echter de vingerafdrukken waren te slecht van kwaliteit om in het vingerafdrukkensysteem gezocht te kunnen worden.

Vervolgens blijkt uit een brief van 4 december 2009 van verweerder dat op 20 november 2009 een dactyblad van de politie Hollands-Midden is ontvangen waaruit blijkt dat op 19 november 2009 nogmaals een dactyloscopisch signalement is vervaardigd. Na registratie in Eurodac is gebleken dat eiser op 17 oktober 2008 een asielaanvraag heeft ingediend in Italië. Een indienen van een claim is echter niet meer mogelijk, aldus verweerder in de desbetreffende brief.

6. De rechtbank is van oordeel dat nu eiser geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen op grond waarvan aan de inhoud van de processen-verbaal dient te worden getwijfeld, er geen reden is waarom verweerder niet van de juistheid daarvan heeft mogen uitgaan. Dat eerst nà het nemen van het bestreden besluit, alsnog een dactyloscopisch signalement is verkregen dat wel bruikbaar was, doet hieraan niet af. Uit de informatie die dat daaruit is verkregen blijkt niet meer dan dat eiser een asielaanvraag in Italië heeft ingediend. Niet valt uit te sluiten dat de oorzaak van het welslagen van het onderzoek ligt in het feit dat eiser reeds enige tijd in vreemdelingenbewaring verbleef en zijn vingertoppen zich, vanwege het ontbreken van middelen om deze te manipuleren, hebben kunnen herstellen. Verweerder was gelet op hetgeen onder 5 is overwogen, niet gehouden om deze gegevens alsnog bij de beoordeling te betrekken.

7. Hoewel eiser heeft erkend dat hij toerekenbaar geen (reis)documenten heeft overgelegd, blijft hij van mening dat van zijn relaas een positieve overtuigingskracht uitgaat omdat er geen sprake is van hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen of tegenstrijdigheden in het relaas.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, onder verwijzing naar het eerdergenoemde wettelijk kader, het beleid in de Vc 2000 en de bovenvermelde uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 2009, op het standpunt mogen stellen dat het in dit geval onmogelijk is om onderzoek te doen naar de identiteit en nationaliteit van eiser en de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Om die reden dient eisers aanvraag op grond van artikel 31, eerste lid, mede gelezen in verband met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 te worden afgewezen.

Gelet op het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag heeft.

8. Evenmin is gebleken dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat ook aan de overige gronden van artikel 29 van de Vw 2000 niet is voldaan.

9. Met betrekking tot het beroep van eiser op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn ten aanzien van Eritrea overweegt de rechtbank dat, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, sprake is van frustratie van het onderzoek waardoor geen vaststelling mogelijk is van nationaliteit, herkomst en identiteit van eiser. Het beroep op de Definitierichtlijn treft daarom geen doel.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

III. Uitspraak

De rechtbank ’s-Gravenhage,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Duinhof in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2010.

De griffier

De rechter

Afschrift verzonden op: 25 maart 2010.