Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL9814

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
AWB 08/44901
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek opheffing ongewenstverklaring en (N)SIS-signalering / toepasselijkheid gemeenschapsrecht

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in Nederland maar alleen in België, de lidstaat waar zijn Nederlandse echtgenote verblijft, zijn gemeenschapsrechten kan doen gelden. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser de concrete wens heeft om zich direct bij zijn echtgenote in België te vestigen en dat de SIS-signalering een obstakel vormt om deze wens te verwezenlijken. De rechtbank komt tot de conclusie dat (de echtgenote van eiser die wordt aangeduid als) referente en eiser onder het toepassingsbereik van richtlijn 2004/38 vallen en dat de toets of aan het in de richtlijn opgenomen openbare orde-criterium is voldaan, niet uitgesteld mag worden tot het moment dat eiser in België een verzoek om verblijf heeft ingediend, België voornemens is eiser verblijf te verlenen en België op grond van artikel 25 SUO met Nederland in overleg treedt inzake de signalering dan wel tot het moment dat eiser en referente zich melden aan de Belgisch-Nederlandse grens om Nederland voor korte duur te bezoeken. Nederland heeft een eigen verantwoordelijkheid en zelfstandige plicht om naar aanleiding van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring en de SIS-signalering te toetsen of eiser naar Europeesrechtelijke maatstaven een gevaar vormt voor de openbare orde.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vreemdelingenwet 2000 68
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 8.7
Vreemdelingenbesluit 2000 8.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 08/44901

V-nr.

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

eiser [naam], van Marokkaanse nationaliteit,

gemachtigde: mr. G.G.A.J. Adang, advocaat te Utrecht,

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.A. Pruss, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

1. Procesverloop

Eiser is ongewenst verklaard. Op 10 december 2007 heeft eiser een verzoek ingediend tot opheffing van de ongewenstverklaring en tot beëindiging van zijn registratie in het Schengeninformatiesysteem (SIS) ingediend. Op 10 maart 2008 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend tegen het uitblijven van een beslissing op deze verzoeken. Bij besluiten van 30 juni 2008 is dit bezwaarschrift gegrond verklaard en zijn de verzoeken van 10 december 2007 afgewezen. Bij brief van 3 juli 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Bij besluiten van 19 december 2008 is het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Op 23 december 2008 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen deze besluiten ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2009. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden. Tevens was ter zitting aanwezig de echtgenote van eiser [naam] (verder te noemen: referente).

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is bij beschikking van 17 februari 1997 ongewenst verklaard. Hij is vervolgens teruggekeerd naar Marokko. Eiser en referente, van Nederlandse nationaliteit, hebben elkaar in Marokko leren kennen en zijn vervolgens getrouwd. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren. Referente is met de kinderen in Nederland blijven wonen. Zij reizen regelmatig naar Marokko om eiser te zien. De kinderen verblijven normaal gesproken bij hun moeder, maar soms ook langere perioden bij hun vader. Bij vonnis van 31 oktober 2006 is eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken omdat hij als ongewenst vreemdeling in Nederland verbleef. Op 16 mei 2008 is eiseres met haar kinderen vanuit Nederland naar België verhuisd. Zij genieten daar een verblijfsrecht op grond van het gemeenschapsrecht.

3. Standpunten van partijen

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de ongewenstverklaring terecht niet is opgeheven, omdat eiser sinds zijn vertrek uit Nederland niet tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. Er bestaat geen aanleiding om het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring op grond van het gemeenschapsrecht te beoordelen, nu niet is gebleken dat eiser in Nederland als gemeenschapsonderdaan dient te worden aangemerkt. De gezinsleden van migrerende werknemers hebben alleen een afgeleid recht op vrij verkeer. Zij kunnen dit recht alleen inroepen in de lidstaat waar de communautaire werknemer woont. Nu vaststaat dat referente, die de Nederlandse nationaliteit heeft, zich op 16 mei 2008 heeft uitgeschreven uit de Nederlandse Gemeentelijke Basisadministratie en zich in België heeft gevestigd, kan referente in Nederland niet als gemeenschapsonderdaan worden aangemerkt. Eiser dient zich voor de toelating op grond van het gemeenschapsrecht tot België te richten. Niet is gebleken dat eiser in België op grond van het gemeenschapsrecht verblijft. De (N)SIS signalering kan worden opgeheven op verzoek van een andere Schengenstaat die voornemens is een door Nederland gesignaleerde vreemdeling een verblijfsvergunning te verlenen. Dit volgt uit artikel 25 van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst (SUO). Hiervan is in het onderhavige geval echter niet gebleken. Nu de ongewenstverklaring van eiser gehandhaafd blijft wordt de (N)SIS signalering niet opgeheven. Op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgezien van het horen van eiser.

Eiser stelt zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt dat Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (Richtlijn 2004/38) hier moet worden toegepast. Eiser wordt door zijn ongewenstverklaring belemmerd in zijn recht van vrij verkeer en verblijf. Verweerder toetst ten onrechte aan artikel 10 van Verordening 1612/68. Het is aan verweerder om te toetsen of er sprake is van een actuele bedreiging voor de openbare orde. Indien een lidstaat een beroep wil doen op het voorbehoud van openbare orde of veiligheid moet hij andere lidstaten om inlichtingen verzoeken. Als eiser zich kan beroepen op een circulatierecht binnen de Europese Unie (EU) en daartoe aan verweerder een verzoek richt de ongewenstverklaring op voorhand op te heffen, dient verweerder de voormelde toets te verrichten. Eiser moet op ieder moment de rechtmatigheid van het voortduren van zijn ongewenstverklaring kunnen laten toetsen. De onmogelijkheid voor eiser om het Schengengebied in te reizen levert een inbreuk op van zijn recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag voor bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser is ten onrechte niet op zijn bezwaren gehoord. Een hoorzitting zou een van de mogelijkheden zijn geweest om vast te stellen of het persoonlijke gedrag van eiser zou nopen tot het oordeel dat er in zijn geval al dan niet sprake is van een actuele bedreiging van de openbare orde.

4. Overwegingen

Regelgeving

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van Richtlijn 2004/38, is deze van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit en diens familieleden, die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van Richtlijn 2004/38 hebben burgers van de Unie het recht gedurende maximaal drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort. Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn is het eerste lid eveneens van toepassing ten aanzien van familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die de burger van de Unie begeleiden of zich bij hem voegen, en in het bezit zijn van een geldig paspoort.

3. Artikel 27 van Richtlijn 2004/38, luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

1. Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk kunnen de lidstaten de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Deze redenen mogen niet voor economische doeleinden worden aangevoerd.

2. De om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd.

4. Artikel 25, eerste lid, van de SUO bepaalt:

“Wanneer een Overeenkomstsluitende Partij overweegt een verblijfstitel af te geven aan een ter fine van weigering gesignaleerde vreemdeling, treedt zij vooraf in overleg met de signalerende Overeenkomstsluitende Partij en houdt zij rekening met de belangen van deze Partij; de verblijfstitel wordt slechts om ernstige redenen, in het bijzonder uit humanitaire overwegingen of ingevolge internationale verplichtingen, afgegeven.

Wanneer de verblijfstitel wordt afgegeven, gaat de signalerende Overeenkomstsluitende Partij over tot intrekking van de signalering, doch kan zij de vreemdeling op haar nationale signaleringslijst opnemen.”

5. Artikel 96 SUO regelt de signalering ter fine van weigering van toegang. Volgens deze bepaling kunnen de gegevens van vreemdelingen die een gevaar vormen voor de openbare orde in het SIS worden opgenomen.

6. Volgens artikel 105 SUO is de signalerende overeenkomstsluitende partij verantwoordelijk voor de juistheid en de actualiteit van de gegevens, alsmede voor de rechtmatige opneming van de gegevens in het SIS. Overeenkomstig artikel 106 is alleen deze staat bevoegd de door hem ingevoerde gegevens te wijzigen, aan te vullen, te verbeteren of te verwijderen.

7. Volgens artikel 134 SUO zijn de bepalingen van deze overeenkomst slechts van toepassing voorzover zij verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht.

8. De voorwaarden waaronder een vreemdeling in het SIS mag worden opgenomen, zijn nader omschreven in de verklaring van het bij de SUO ingestelde uitvoerend comité van 18 april 1996 betreffende de definiëring van het begrip vreemdeling (PB 2000 L 239, blz. 458; hierna: ‘‘verklaring van 18 april 1996’’). Deze verklaring luidt:

‘‘Met het oog op toepassing van artikel 96 [SUO], [d]ienen personen die onder het gemeenschapsrecht vallen, in beginsel niet te worden opgenomen op de gemeenschappelijke lijst van personen aan wie de toegang moet worden geweigerd. De hiernavolgende personen die onder het gemeenschapsrecht vallen, kunnen evenwel op deze lijst worden opgenomen, indien de voorwaarden van zulk een vermelding aan de regels van het gemeenschapsrecht beantwoorden:

a. leden van gezinnen van burgers van de Europese Unie die de nationaliteit van een derde land bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

b. [...]

Indien wordt vastgesteld dat een persoon die is opgenomen op de gemeenschappelijke lijst van personen aan wie de toegang moet worden geweigerd, een persoon blijkt te zijn die onder het gemeenschapsrecht valt, kan de vermelding op de lijst alleen gehandhaafd worden indien deze verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Indien zulks niet het geval is, neemt de lidstaat die de persoon op de lijst heeft [op]genomen, alle nodige maatregelen om de betrokken persoon van deze lijst te schrappen.’’

9. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 kan de vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde en hij geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000. Artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 bepaalt dat de ongewenst verklaarde vreemdeling, in afwijking van artikel 8 van de Vw 2000, geen rechtmatig verblijf kan hebben.

10. In artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 is bepaald dat de artikelen 8.7 tot en met 8.25 van het Vb 2000 (paragraaf 2. EG/EER) van toepassing zijn op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een lidstaat en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

In artikel 8.7, tweede lid, van het Vb 2000 is – voor zover van belang – bepaald dat die artikelen eveneens van toepassing zijn op de familieleden die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, voor zover het betreft:

a. de echtgenoot;

(..).

11. Artikel 8.8, eerste lid, van het Vb 2000 luidt, voor zover hier van belang:

1. Aan een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.7, die in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, kan de toegang tot Nederland slechts worden geweigerd om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, dan wel volksgezondheid:

a. indien de vreemdeling op grond van zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt;

(…)

c. indien hij om redenen van de openbare orde of openbare veiligheid uit Nederland is verwijderd en sinds de verwijdering nog geen redelijke termijn is verstreken.

12. In paragraaf A3/9.2.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is het volgende bepaald:

Signalering ‘ONGEW’ (ongewenst verklaard ex artikel 67 Vw)

Deze signalering kan in OPS en (N)SIS voorkomen. (…)

Opname in het OPS of (N)SIS volgt na de verwijdering uit Nederland of indien er geen rechtsmiddelen meer aangewend kunnen worden tegen de beschikking tot ongewenstverklaring (zie artikel 67 Vw) dan wel de aangewende rechtsmiddelen niet in Nederland afgewacht mogen worden.

De ongewenstverklaring betekent dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben (zie artikel 67, derde lid, Vw), hetgeen tot gevolg heeft dat deze vreemdelingen – zolang de ongewenstverklaring van kracht blijft – geen binnenkomst en verblijf in Nederland is toegestaan. (…)”

Beoordeling van het beroep

13. De rechtbank begrijpt het bestreden besluit zo dat verweerder hierin zowel de in het primaire besluit van 30 juni 2008 neergelegde weigering de ongewenstverklaring op te heffen als de daarin neergelegde weigering de (N)SIS-signalering op te heffen, heeft gehandhaafd. Immers, in deze besluiten is onder de rubriek ‘motivering van het besluit’ uitdrukkelijk aangegeven dat, nu de ongewenstverklaring niet wordt opgeheven/gehandhaafd blijft, de (N)SIS-signalering niet wordt opgeheven. Dit besluit kan dan ook niet anders worden begrepen dan dat verweerder daarbij tevens heeft geweigerd de (N)SIS-signalering op te heffen. Dat dit niet uitdrukkelijk uit de rubrieken 1 en 2 onder het kopje ‘Onderwerp van de beschikking’ onderscheidenlijk ‘Besluit’ dan wel uit rubriek 5 onder ‘Rechtsgevolgen van deze beschikking’ blijkt doet daar niet aan af (vergelijk uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 30 juli 2007, LJN: BD9601).

14. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen rechten kan ontlenen aan Richtlijn 2004/38. Volgens verweerder kan eiser alleen in België, de lidstaat waar referente verblijft, zijn gemeenschapsrechten doen gelden.

15. De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder, zoals dit ter zitting naar is toegelicht, als volgt. Eiser valt niet onder het bereik van artikel 3 van de Richtlijn 2004/38 en artikel 8.7 van het Vb 2000, omdat hij zich niet in België bevindt en zich ook niet naar België heeft begeven. Zodra eiser zich daadwerkelijk naar België begeeft en daar toegang vraagt om zich bij zijn echtgenote te voegen, kunnen de Belgische autoriteiten op grond van artikel 25 van de SUO aan de Nederlandse autoriteiten vragen de signalering in het SIS in te trekken. Indien aan eiser op grond van het gemeenschapsrecht in België een verblijfsrecht wordt verleend, heeft hij in beginsel ook het recht zijn echtgenote te vergezellen tijdens een bezoek aan Nederland. Als hij zich met dat doel meldt aan de grens zal aan de hand van de criteria van artikel 27 van de Richtlijn 2004/38 en artikel 8.8 van het Vb 2000 worden beoordeeld of de ongewenstverklaring dient te worden opgeheven. Op dit moment meent verweerder dat hij tot toetsing aan het gemeenschapsrechtelijke openbare-ordecriterium nog niet is gehouden, zo begrijpt de rechtbank zijn standpunt.

16. Het standpunt van eiser houdt, na nadere verduidelijking daarvan ter zitting, naar de rechtbank begrijpt het volgende in. Verweerder had zelfstandig moeten beoordelen of de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht. Eiser heeft belang bij opheffing van zijn ongewenstverklaring niet alleen omdat deze in de weg staat aan de hereniging met zijn echtgenote in België maar ook aan de wens om vanuit België met zijn partner naar Nederland te reizen. Door de ongewenstverklaring wordt eiser belemmerd in zijn recht op vrij verkeer, waaronder ook verblijf voor kortere duur valt.

17. De rechtbank stelt vast dat niet door verweerder wordt betwist dat eiser de concrete wens heeft om zich direct bij zijn Nederlandse echtgenote in België te vestigen. Voorts is onbetwist dat de signalering van eiser in het SIS een obstakel vormt om deze wens te verwezenlijken. Eiser heeft verklaard dat een verzoek van eiser tot afgifte van een visum voor kort verblijf in België onder verwijzing naar die signalering is afgewezen. Deze beslissing heeft eiser tot in hoogste instantie aangevochten, vooralsnog zonder het door hem gewenste resultaat.

18. Zoals deze rechtbank en nevenzittingsplaats eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 18 april 2008, JV 2008/257) moet naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) de personele werkingssfeer van de EG-rechtelijke bepalingen inzake materiële en procedurele waarborgen rond verwijdering en toegangsweigering om redenen van openbare orde ruim worden uitgelegd (zie onder meer HvJ 25 juli 2002, BRAX, JV 2002/291; HvJ 31 januari 2006, Commissie tegen Spanje, JV 2006,123; HvJ 7 juni 2007, Commissie tegen Nederland, JV 2007/369). Uit dit laatste arrest volgt voorts dat de bedoelde waarborgen, die thans zijn opgenomen in Richtlijn 2004/38, van toepassing zijn op alle unieburgers en hun familieleden, dus niet alleen op (familieleden van) unieburgers die rechtmatig in een andere lidstaat verblijven. Het is verder vaste rechtspraak van het HvJ dat de exceptie van openbare orde een afwijking vormt van het fundamentele beginsel van het vrije verkeer van personen die strikt moet worden opgevat, en waarvan de reikwijdte niet eenzijdig door de lidstaten kan worden bepaald. Deze restrictieve uitlegging van het begrip openbare orde beschermt tevens het recht op gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, ingeval dat samenvalt met het recht op vrij verkeer van personen.

19. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft voorts omtrent het toepassingsbereik van artikel 3 van de Richtlijn en artikel 8.7 van het Vb 2000 in eerdere uitspraken het volgende overwogen. Met artikel 8.7 van het Vb 2000 is beoogd artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn te implementeren. Beoordeeld dient te worden of artikel 8.7 van het Vb 2000 een juiste implementatie van de Verblijfsrichtlijn bevat. Vastgesteld wordt dat artikel 8.7 van het Vb 2000, anders dan artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn, de werkingssfeer van de Verblijfsrichtlijn beperkt tot vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een lidstaat, niet zijnde Nederland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven. De rechtbank overweegt dat bepalingen van nationaal recht conform de Verblijfsrichtlijn dienen te worden uitgelegd. Dit betekent dat artikel 8.7 van het Vb 2000 aldus moet worden gelezen dat deze bepaling ook ziet op (de in het tweede lid van dit artikel genoemde familieleden van) een Nederlander die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit. Dit leidt ertoe dat artikel 8.7 van het Vb 2000 naar het oordeel van de rechtbank eveneens op referente van toepassing is. (Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 oktober 2009, JV 2009/452 en van 7 juli 2009, LJN: BJ2237.)

20. Verder volgt uit het beginsel van effectieve werking dat de bepalingen van het gemeenschapsrecht dienen te worden toegepast op een wijze die bijdraagt aan de effectiviteit van het systeem en zo dienen te worden uitgelegd dat de daarin gewaarborgde rechten niet theoretisch of illusoir, maar praktisch en effectief zijn (zie onder meer de uitspraak van het HvJ van 20 september 1990, Sevince, NJ 1992, 75). Dit beginsel brengt mee dat een rechthebbende zich op de voor hem minst bezwarende wijze moet kunnen beroepen op de door het gemeenschapsrecht gewaarborgde rechten. De door verweerder voorgestelde wijze waarop eiser die rechten te gelde dient te maken, zoals in rechtsoverweging 14 weergegeven, voldoet naar het oordeel van de rechtbank niet aan dit vereiste van effectieve werking.

21. Uit de rechtspraak van het HvJ blijkt voorts dat een overeenkomstsluitende staat bij een onderdaan van een derde staat die is gehuwd met een onderdaan van een lidstaat pas mag overgaan tot signalering in het SIS nadat die lidstaat heeft vastgesteld dat de aanwezigheid van deze persoon een werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast in de zin van de richtlijn. Om die reden dient de opneming in het SIS te worden gestaafd door inlichtingen aan de hand waarvan de lidstaat die het SIS raadpleegt kan vaststellen of de aanwezigheid van betrokkene in de Schengenruimte een werkelijke en genoegzame bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (zie HvJ 31 januari 2006, Commissie tegen Spanje, rechtsoverweging 52 en 53, JV 2006/123). Naar het oordeel van de rechtbank is er geen wezenlijk verschil tussen het besluit van een lidstaat tot ongewenstverklaring en signalering in het SIS en het besluit tot afwijzing van een verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring en de SIS-signalering.

22. De rechtbank komt op grond van de voorgaande overwegingen tot de conclusie dat referente en eiser onder het toepassingsbereik van Richtlijn 2004/38 vallen en dat de toets of aan het in die Richtlijn opgenomen openbare-ordecriterium is voldaan niet uitgesteld mag worden tot het moment dat eiser bij België een verzoek om verblijf heeft ingediend, België voornemens is eiser verblijf te verlenen en België op grond van artikel 25 SUO met Nederland in overleg treedt inzake de signalering dan wel tot het moment dat eiser en referente zich melden aan de Belgisch-Nederlandse grens om Nederland voor korte duur te bezoeken. Anders dan verweerder kennelijk meent, is de in artikel 25 SUO neergelegde procedure in een geval als dit niet richtinggevend. Uit de artikelen 105 en 134 SUO en de verklaring van 8 april 1996 volgt immers dat, waar het gaat om personen die onder het gemeenschapsrecht vallen en wiens signalering niet verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, op de lidstaten de verplichting rust om alle nodige maatregelen te nemen om de signalering ongedaan te maken. Dit betekent dat Nederland een eigen verantwoordelijkheid en zelfstandige plicht heeft om naar aanleiding van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring en de SIS-signalering te toetsen of eiser naar Europeesrechtelijke maatstaven een gevaar vormt voor de openbare orde.

23. Uit het bovenstaande volgt dat verweerder bij het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring van eiser had dienen te onderzoeken of ten aanzien van eiser aan het gemeenschapsrechtelijke openbare-ordecriterium is voldaan. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is zowel het besluit inzake het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring als het besluit inzake het verzoek om opheffing van de SIS-signalering ontoereikend gemotiveerd. De besluiten zijn strijdig met artikel 7:12 van de Awb en dienen te worden vernietigd.

24. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond, vernietigt de bestreden besluiten en bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien, nu verweerder zich nog niet heeft uitgelaten over de vraag of eiser op grond van zijn persoonlijk gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000.

25. De rechtbank veroordeelt verweerder als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

26. Op grond van artikel 8:74 van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht vergoedt.

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat verweerder binnen 6 weken na verzending van de uitspraak nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen aan eiser;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ad € 145,-- (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Fehmers, voorzitter, en mrs. J.C. Boeree en J. Jonkers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.T.P. Scheers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2010.

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: ES

Coll: SH

D: B

VK

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.