Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL9521

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
342890 - FA RK 09-5895
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming afgifte paspoort.

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen. De gewone verblijfplaats van de minderjarige ligt buiten de territoriale reikwijdte van de Verordening Brussel II-bis en van het Haagse Kinderbeschermingsverdrag van 5 oktober 1961. Tevens acht de rechtbank geen sprake van voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer om zich bevoegd te achten op grond van de uitzonderingsbepaling zoals opgenomen in artikel 5 Rv. Daarbij laat de rechtbank tevens meewegen dat niet is gesteld dat een effectieve rechtsingang bij de Surinaamse rechtbank ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/155 met annotatie van I. Curry-Sumner tevens behorend bij JPF 2010/149, 152, 154 en 158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 09-5895

Zaaknummer: 342890

Datum beschikking: 26 maart 2010

Paspoortwet

Beschikking op het op 14 juli 2009 ingekomen verzoek van:

[mevrouw A],

de vrouw,

wonende te [plaats A], Suriname,

advocaat: mr. S. van Oers te Nijmegen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de heer B],

de man,

wonende te [plaats B],

advocaat: --.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift.

Feiten

- Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2000 te [plaats C], Suriname met elkaar gehuwd.

- Uit het huwelijk is geboren [de minderjarige A], geboren op [geboortedatum] 2006 te [plaats D], Suriname.

- De vrouw is op 10 februari 2006 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens uitgeschreven, als: "vertrokken op 10 februari 2006 naar Suriname".

- Partijen hebben gezamenlijk het gezag over de minderjarige.

- De minderjarige heeft de hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

- De vrouw heeft de Surinaamse nationaliteit.

- De man heeft de Nederlandse nationaliteit.

Beoordeling

De vrouw verzoekt de rechtbank vervangende toestemming te verlenen voor het verkrijgen van een reisdocument zoals bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Paspoortwet ten behoeve van de minderjarige. De vrouw voert ter onderbouwing van het verzoek aan dat de man na herhaaldelijke verzoeken van de vrouw blijft weigeren zijn toestemming te verlenen voor het aanvragen van een eigen reisdocument voor de minderjarige.

De vrouw acht deze rechtbank bevoegd hierin een beslissing te nemen, gelet op artikel 5 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

De vrouw geeft in haar verzoekschrift aan dat zij samen met de minderjarige in Suriname verblijft. De minderjarige heeft haar gewone verblijfplaats niet in Nederland, aldus de vrouw.

Uit het uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie van [plaats B], zoals door de vrouw, desgevraagd, overgelegd, blijkt verder dat verzoekster op 10 februari 2006 vertrokken is naar Suriname. Een uittreksel ten aanzien van de minderjarige is niet overgelegd.

De rechtbank gaat er, gelet op het voorgaande, vanuit dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige vanaf 10 februari 2006 in Suriname is gelegen.

De gewone verblijfplaats van de minderjarige ligt daarmee buiten de territoriale reikwijdte van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (Publicatieblad nr. L 338 23/12/2003) (hierna: "Verordening Brussel II-bis"). Van een situatie als bedoeld in artikel 10 en 12 van de Verordening Brussel II-bis is niet gebleken.

De gewone verblijfplaats van de minderjarige ligt tevens buiten de territoriale reikwijdte van het Haagse Kinderbeschermingsverdrag van 5 oktober 1961 (Trb. 1968, 101).

De vraag of deze rechtbank bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen wordt derhalve beheerst door het commune internationaal bevoegdheidsrecht, meer bepaald door artikel 5 Rv, zoals dit luidt na 1 mei 2006.

Ingevolge dit artikel heeft de Nederlandse rechter in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid geen rechtsmacht indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, tenzij hij zich in een uitzonderlijk geval, wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen.

De vrouw heeft gesteld dat de zaak verbonden is met de Nederlandse rechtssfeer, nu het de aanvraag van een Nederlands paspoort betreft. De rechtbank is voldoende in staat het belang van de minderjarige naar behoren te beoordelen, aldus de vrouw.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 5 Rv uitgaat van een onbevoegdheid van deze rechtbank. Met de uitzonderingsbepaling dient aldus terughoudend te worden omgesprongen.

Ten aanzien van het begrip 'voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtsfeer' zoekt de rechtbank aansluiting bij de uitspraken van het Hof 's-Gravenhage van 24 januari 2001 (LJN AA9950) en 18 mei 2005 (LJN AT6248) waarin het begrip 'onvoldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer' voorlag (op grond van artikel 5 Rv zoals deze luidde voor 1 mei 2006).

De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten met de rechtsfeer van Nederland. Enerzijds is slechts gesteld dat de minderjarige (vanwege het feit dat haar vader de Nederlandse nationaliteit bezit) de Nederlandse nationaliteit bezit, doch daarvan is niet gebleken.

Overigens is het bezit van de Nederlandse nationaliteit van de minderjarige alléén onvoldoende om rechtsmacht te aanvaarden (MvT, 29 980, nr. 3, p. 24).

Voorts deelt de rechtbank niet de mening van de vrouw dat het geschil ziet op de aanvraag van een Nederlands paspoort. Het geschil ziet immers slechts op een gezagsgeschil tussen de beide ouders van de minderjarige. De rechtbank wordt verzocht de toestemming van de vader van de minderjarige te vervangen, zodat daarna een aanvraag voor de afgifte van een reisdocument kan worden gedaan. Op voorhand staat dan ook niet vast of de aanvraag (automatisch) zal leiden tot de afgifte van een Nederlands reisdocument. Deze beslissing ligt immers bij de daartoe bevoegde autoriteit. Daarmee staat ook hier de aanknoping bij de Nederlandse rechtssfeer onvoldoende vast.

Concluderend acht de rechtbank geen sprake van voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer om zich bevoegd te achten op grond van de uitzonderingsbepaling zoals opgenomen in artikel 5 Rv. Daarbij laat de rechtbank bovendien meewegen dat het haar aannemelijk lijkt dat vervangende toestemming kan worden gevraagd aan de rechter van het land van de gewone verblijfplaats van de minderjarige. Niet gesteld is immers dat een effectieve rechtsingang bij de Surinaamse rechtbank ontbreekt of voor de vrouw om andere redenen niet mogelijk is. De belangen van de minderjarige om vrij te kunnen reizen zijn daarmee ook langs die weg voldoende gewaarborgd.

Overigens acht de rechtbank zich, gelet op het voorgaande, ook langs de weg van artikel 9 Rv niet bevoegd om van dit geschil kennis te nemen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren om van het verzoek kennis te nemen.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart zich onbevoegd.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.W. de Wit, bijgestaan door mr. M. Huisman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2010.