Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL9094

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
AWB 09/20608
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN7221, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit 1/80 / artt. 6,7,13 en 14 / ongewenstverklaring / standstill bepaling / openbare orde / communautaire criterium

Eiser, van Turkse nationaliteit, is als minderjarige naar Nederland gekomen en heeft met ingang van 26 maart 2001 een verblijfsvergunning gekregen op grond van het driejarenbeleid. Eiser is in 2007 veroordeeld wegens poging tot moord, gepleegd in 2006 als gevolg waarvan zijn vergunning is ingetrokken en hij ongewenst is verklaard. De rechtbank verwerpt eisers stelling dat hij rechten ontleent aan art. 7 van Besluit 1/80 omdat niet in geschil is dat hij in de periode dat hij legaal in Nederland verbleef niet bij één van zijn ouders heeft gewoond, hetgeen op grond van laatstgenoemd artikel vereist is. Eisers beroep op de standstill-bepaling van art. 13 van besluit 1/80 gaat niet op omdat er van een (voor eiser relevante) aanscherping van het beleid geen sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank valt eiser ook niet onder de materiele werkingssfeer van artikel 14 van besluit 1/80 omdat hij geen rechten kan ontlenen aan art. 6 of 7 van besluit 1/80. De overwegingen uit de uitspraken met de nummers AWB 08/32903 en 06/33344 –waarin is verwezen naar het arrest van het HvJ EU van 21 oktober 2003 (Abatay en Sahin; LJN: AO2128)- kunnen niet analoog worden toegepast op art. 14 van Besluit 1/80.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 09/20608

V-nr:

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

eiser [naam], van Turkse nationaliteit,

gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam,

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. T.J.W. Visser, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2008 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning met ingang van 22 november 2006 ingetrokken en eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 ongewenst verklaard. Bij bezwaarschrift van 14 april 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Eiser is op 20 februari 2009 gehoord door een ambtelijke commissie. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 4 juni 2009 ongegrond verklaard. Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiser na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat eiser Nederland uit eigen beweging binnen 24 uur moet verlaten.

Op 5 juni 2009 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2010. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was een aantal familieleden van eiser ter zitting aanwezig.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

2.1. Op 20 november 1992 heeft de moeder van eiser mede namens hem in Turkije een verzoek om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend voor verblijf bij zijn vader. Dit verzoek is op 5 april 1994 afgewezen. Op 7 februari 1994 is namens eiser in Nederland een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier ingediend. Bij besluit van 2 augustus 1996 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het bezwaar tegen de afwijzing op deze aanvraag heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 23 januari 1998 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, het hiertegen gerichte beroep ongegrond verklaard (AWB 97/733). Op 26 maart 1998 heeft eiser wederom een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning ingediend. Deze aanvraag is op 5 februari 1999 afgewezen.

2.2. Eiser is door de kinderrechter met ingang van 27 november 1997 onder toezicht gesteld van Stichting de Opbouw te Rotterdam. Aan deze stichting is door de kinderrechter met ingang van 9 april 1998 een machtiging verleend om eiser in een voorziening voor pleegzorg te plaatsen.

2.3. Bij besluit van 12 mei 2003 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘verblijf onder beperking conform beschikking minister’. Deze vergunning is verleend met ingang van 26 maart 2001, met een geldigheidsduur tot 4 oktober 2003. De geldigheidsduur is steeds verlengd, laatstelijk tot 3 juli 2011.

2.4. Bij vonnis van 16 maart 2007 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam eiser veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren wegens poging tot moord, gepleegd op 22 november 2006. Dit vonnis is op 31 maart 2007 onherroepelijk geworden. Daarnaast is eiser bij onherroepelijk geworden vonnissen veroordeeld tot twee voorwaardelijke vrijheidsstraffen en een geldboete terzake van drie in de periode van 2001 tot 2006 gepleegde misdrijven.

3. Standpunten van partijen

3.1.1. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eisers bezwaren tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning ongegrond zijn. Eisers verblijfsvergunning kon worden ingetrokken gelet op de zogenaamde ‘glijdende schaal’, zoals neergelegd in artikel 3.86, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000. Eiser kan geen rechten ontlenen aan artikel 7 van het besluit nummer 1/80 van de Associatieraad Europese Economische Gemeenschap (EEG)-Turkije van 19 september 1980 (Besluit 1/80). Eiser kan dan weliswaar, zoals hij stelt, met een mvv voor verblijf bij zijn vader Nederland zijn binnen gekomen, echter hij is nimmer in het bezit geweest van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming met zijn ouder(s). Op grond hiervan is dus op juiste gronden niet getoetst aan het gemeenschapsrechtelijke openbare orde criterium. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat eisers bezwaren tegen de ongewenstverklaring op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 ongegrond zijn. De weigering om eiser voortgezet verblijf toe te staan en de ongewenstverklaring brengen geen schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met zich. Gelet op het feit dat eiser ongewenst wordt verklaard, wordt hem de mogelijkheid ontnomen om zijn broers en moeder voor korte tijd te bezoeken. Deze inmenging is echter gerechtvaardigd gelet op de ernst van het door eiser gepleegde misdrijf. De contacten die eiser met zijn moeder en broers heeft, stijgen zeker niet uit boven de meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding. Eiser heeft aangegeven niet financieel afhankelijk te zijn van zijn familie, ook niet na zijn vrijlating. Ondanks dat de band van eiser met Nederland sterker is dan met Turkije -eiser heeft zijn vormende jaren grotendeels in Nederland doorgebracht en de meeste van zijn familieleden wonen in Nederland- wordt gezien de ernstige strafbare feiten evengoed overgegaan tot de ongewenstverklaring van eiser. Verweerder merkt in dit kader op dat eiser de Turkse taal machtig is en een oom en een oma heeft in Turkije. In het kader van de gestelde schending van eisers recht op eerbiediging van zijn privéleven, benadrukt verweerder dat er geen sprake is van een zeer lange verblijfsduur van eiser in Nederland. Van een objectieve belemmering om het privé- en gezinsleven in Turkije uit te oefenen, is geen sprake.

3.1.2. Verweerder heeft in het verweerschrift aanvullend het volgende naar voren gebracht. Eiser is Nederland niet met een geldige mvv binnengekomen. Verweerder ziet verder niet in hoe de toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot een andere ingangsdatum van de verblijfsvergunning had kunnen leiden, nu artikel 3:86 van het Vb 2000 een wettelijke bepaling is en geen beleidsregel. Eisers beroep op de standstill-bepaling van artikel 13 van Besluit 1/80 wordt door verweerder niet gevolgd. Het beroep van eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 10 september 2008 (LJN: BF4615) gaat niet op. Er is tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld waarop nog niet is beslist. Verweerder benadrukt verder dat deze uitspraak over de werking van artikel 13 van Besluit 1/80 gaat en niet over artikel 14 van dat besluit. Ten slotte stelt verweerder dat er sprake moet zijn van een verblijfsduur van ongeveer 30 jaar om een schending van het privéleven te kunnen aannemen in de zin van artikel 8 van het EVRM. Daarvan is geen sprake.

3.1.3. Ter zitting heeft verweerder er op gewezen dat in het bestreden besluit in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ook is gekeken naar de periode van illegaal verblijf van eiser in Nederland. Eiser heeft volgens verweerder nog banden met Turkije nu hij de Turkse nationaliteit heeft en in Turkije naar school is gegaan.

3.2.1. Eiser meent dat er in het kader van de glijdende schaal ter vaststelling van zijn verblijfsduur in Nederland geteld dient te worden vanaf 1994. Eiser stelt eind 1993 met instemming van de overheid, want met een geldige mvv, Nederland te zijn ingereisd, alwaar hij in eerste instantie bij zijn grootouders verbleef. Eiser heeft vanaf 1994 in een kindertehuis verbleven. Sinds dat jaar heeft de overheid de verantwoordelijkheid voor eiser genomen en droeg de overheid derhalve ook de verantwoordelijkheid voor het regelen van legaal verblijf in Nederland. Eiser stelt verder dat hij rechten heeft opgebouwd in het kader van artikel 6 van Besluit 1/80 nu hij in ieder geval van 1 november 2002 tot 31 oktober 2003 bij Kayis heeft gewerkt. Het bestreden besluit is verder in strijd met artikel 7 van Besluit 1/80 genomen. Eiser kan rechten ontlenen aan dit artikel omdat hij met een geldige mvv Nederland is binnengekomen. Artikel 7 van Besluit 1/80 eist niet dat er een verblijfsvergunning moet zijn verleend in het kader van gezinshereniging. De binnenkomst van eiser met een geldige mvv wordt door verweerder eerst in het verweerschrift weersproken. Verweerder heeft ten onrechte niet onderzocht of eiser ‘een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving’ vormt. Artikel 13 van Besluit 1/80 is van toepassing op Turkse onderdanen die op het grondgebied van een lidstaat niet alleen legaal maar ook lang genoeg aanwezig zijn om daar geleidelijk aan te kunnen inburgeren. Eiser wijst in dit kader op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 10 september 2008 (LJN: BF4615). Het beleid inzake de ongewenstverklaring was vroeger helemaal opgenomen in de Vc 1994. Eiser stelt in dit kader dat in het geval de rechtbank meegaat in het betoog van verweerder dat niet van ongewenstverklaring van eiser kan worden afgezien op grond van artikel 3.86 van het Vb 2000, dit een verslechtering is ten opzichte van de situatie zoals deze was voor de inwerkingtreding van de Vw 2000. Dit is in strijd met de standstill-bepaling van artikel 13 van Besluit 1/80. Van het oude beleid kon immers wél worden afgeweken op grond van artikel 4:84 van de Awb. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat (ook) artikel 14 van Besluit 1/80 van toepassing is op Turkse onderdanen die rechten ontlenen aan Besluit 1/80 en die op het grondgebied van een lidstaat niet alleen legaal maar ook lang genoeg aanwezig zijn om daar geleidelijk aan te kunnen inburgeren. Verweerder had in het besluit dienen te beoordelen of eiser een actuele bedreiging voor de openbare orde vormde. Het besluit brengt volgens eiser ten slotte een schending van artikel 8 van het EVRM met zich. Eiser woont sinds zijn achttiende bij zijn oudste broer en heeft meer dan normale emotionele banden met zijn broers. Tijdens zijn detentie heeft hij geregeld telefonisch contact met zijn broers gehad en zijn moeder komt hem wekelijks opzoeken. Eiser heeft geen banden met Turkije. Verweerder had niet alleen aan de Boultif-criteria moeten toetsen maar ook dienen te kijken naar de jeugdige leeftijd van eiser bij binnenkomst, de gezinshereniging als doel van binnenkomst en het bestaan van sociale- en familiebanden in het gastland en het ontbreken daarvan in het land van herkomst. Ook eisers recht op privéleven wordt geschonden door de ongewenstverklaring.

3.2.2. Ter zitting is namens eiser naar voren gebracht dat het betoog, dat verweerder in het kader van de zogenaamde glijdende schaal dient te tellen vanaf 1994 in het kader van artikel 4:84 van de Awb dient te worden geplaatst en dat zijn beroep op artikel 6 van Besluit 1/80 moet worden gezien in het licht van artikel 13 van dat besluit. Hoewel eiser geen verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 6 van Besluit 1/80, heeft hij wel rechten opgebouwd, om welke reden artikel 13 van Besluit 1/80 op hem van toepassing is. Eiser heeft in dit kader nog gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, van 3 augustus 2009 (LJN: BJ4422). In dit kader is relevant dat het beleid inzake de glijdende schaal is verslechterd. Een vreemdeling kan op grond van het beleid zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit bij een verblijfsduur van ten minste tien jaar maar minder dan vijftien jaar ongewenst worden verklaard indien het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van zijn straf ten minste 60 maanden bedraagt. In het beleid zoals weergegeven in de Vc 1994 moest er bij dezelfde categorie sprake zijn van een strafmaat van méér dan 60 maanden, hetgeen meer is dan waarvoor eiser is veroordeeld. Namens eiser is verder gemotiveerd verweerders standpunt betwist dat hij Nederland niet met een geldige mvv zou zijn ingereisd. Eiser heeft ter zitting onder meer aangegeven dat zijn oom in Turkije gehandicapt is en dat hij geen contact heeft met zijn oma. Hij is nooit meer teruggeweest naar Turkije.

4. Overwegingen

Beoordeling van het beroep inzake de ongewenstverklaring

4.1. De rechtbank ziet zich naar aanleiding van de beroepsgronden allereerst geplaatst voor de vraag of eiser rechten kan ontlenen aan Besluit 1/80.

4.2.1. Artikel 7 van Besluit 1/80 luidt - voor zover van belang - als volgt:

“Gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een Lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:

- hebben het recht om (..) te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert tenminste 3 jaar aldaar legaal wonen;

- hebben er vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste 5 jaar aldaar legaal wonen.”

4.2.2. Niet in geschil is dat eiser in de periode dat hij rechtmatig verblijf op grond van het nationale recht had in Nederland niet bij één van zijn ouders heeft gewoond. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij desalniettemin een verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 7 van Besluit 1/80, omdat hij Nederland is ingereisd met een geldige mvv voor verblijf bij zijn vader. De rechtbank is van oordeel dat in het bestreden besluit terecht is overwogen dat het enkele feit dat eiser zou zijn ingereisd met een mvv, niet meebrengt dat hij rechten kan ontlenen aan artikel 7 van Besluit 1/80. Op grond van deze bepaling is namelijk niet alleen vereist dat het gezinslid rechtmatig Nederland is ingereisd, maar ook dat hij vervolgens in ieder geval drie jaar legaal bij zijn gezinslid, de Turkse werknemer, heeft verbleven. De vraag of de inreis en het verblijf bij het gezinslid rechtmatig zijn, wordt beheerst door het nationale recht (vgl. Hof van Justitie van de EU (HvJ), Cetinkaya, 11 november 2004, LJN: AS3552, r.o. 22, en HvJ, Altun, 18 december 2008, LJN: BG9362, r.o. 30 en 31). Verweerder heeft derhalve terecht overwogen dat eiser aan artikel 7 van Besluit 1/80 geen verblijfsrecht kan ontlenen. De vraag óf eiser met een geldige mvv Nederland is ingereisd, kan gelet op het voorgaande in het midden blijven.

4.3.1 Eiser heeft voorts aangevoerd dat de ongewenstverklaring in strijd is met de standstill- bepaling van artikel 13 van Besluit 1/80. Ingevolge dit artikel mogen de lidstaten geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn. De stelling van eiser is dat de regelgeving inzake ongewenstverklaring is aangescherpt omdat onder de werking van de Vc 1994 een vreemdeling met een rechtmatige verblijfsduur van tussen de tien en vijftien jaar alleen ongewenst verklaard kon worden bij een gevangenisstraf van meer dan zestig maanden terwijl onder de huidige regelgeving een veroordeling tot een gevangenisstraf van ten minste zestig maanden volstaat.

4.3.2. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat, zoals ter zitting is vastgesteld, niet in geschil is dat eiser geen verblijfsrechten kan ontlenen aan artikel 6 van Besluit 1/80. Aan eiser kan worden toegegeven dat de ten tijde van het bestreden besluit toepasselijke glijdende schaal een wijziging heeft ondergaan ten opzichte van de glijdende schaal zoals opgenomen in de Vc 1994. Naar het oordeel van de rechtbank levert deze wijziging voor eiser echter geen verslechtering van zijn rechtspositie op. Nu vaststaat dat eiser aan Besluit 1/80 geen verblijfsrecht kon ontlenen, heeft hij rechtmatig verblijf gehad vanaf 26 maart 2001. Het strafbare feit is gepleegd op 22 november 2006. Dit betekent dat eiser voor de toepassing van de glijdende schaal meer dan vijf maar minder dan zes jaar rechtmatig verblijf heeft gehad. Zowel onder het oude als onder het huidige regime was bij een dergelijke verblijfsduur een gevangenisstraf van zestig maanden ruim voldoende om eiser ongewenst te verklaren. Van een voor eiser relevante aanscherping van het beleid is dus geen sprake.

4.3.3. De tweede wijziging waar eiser zich in het kader van artikel 13 van Besluit 1/80 op beroept, betreft het feit dat de glijdende schaal in de Vc 1994 was opgenomen terwijl deze thans is opgenomen in het Vb 2000. Volgens eiser is dit een verslechtering omdat van beleid wél en van het Vb 2000 niet kan worden afgeweken op grond van artikel 4:84 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank miskent deze stellingname dat ook ten tijde van het bestreden besluit de toepassing van de zogenaamde glijdende schaal onderdeel uitmaakte van verweerders beleid betreffende de ongewenstverklaring. Hoewel de glijdende schaal, welke ziet op de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, is neergelegd in artikel 3.86 van het Vb 2000, is de toepasselijkheid van deze glijdende schaal voor zover het de ongewenstverklaringen betreft, geregeld in de Vc 2000 (hoofdstuk A5/2). Daarmee is de glijdende schaal, voor zover het een ongewenstverklaring betreft, beleid waarvan op grond van artikel 4:84 van de Awb kan worden afgeweken. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom ook ten aanzien van deze wijziging geen sprake van een nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van Besluit 1/80.

Gelet op het voorgaande kan het primaire standpunt van verweerder dat eiser geen beroep kan doen op artikel 13 van Besluit 1/80 omdat hij geen rechten aan artikel 6 en 7 van Besluit 1/80 ontleent, onbesproken blijven.

4.4. De rechtbank verwerpt ook eisers stelling dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is getoetst aan het communautaire criterium inzake de openbare orde, zoals neergelegd in artikel 14 van Besluit 1/80. De bescherming van artikel 14 van Besluit 1/80 kan door een vreemdeling worden ingeroepen in het geval hij of zij een rechtstreeks bij dat besluit toegekend recht geniet (HvJ, Nazli, 10 februari 2000, LJN: AG9026). Nu de rechtbank reeds heeft vastgesteld dat eiser geen rechten kan ontlenen aan artikel 7 van Besluit 1/80 en niet in geschil is dat eiser geen recht aan artikel 6 van Besluit 1/80 ontleent, heeft verweerder op goede gronden nagelaten de ongewenstverklaring van eiser te toetsen aan het communautaire openbare orde criterium.

Eisers beroep op de uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam en Assen, waarin is verwezen naar het arrest van het HvJ van 21 oktober 2003 (Abatay en Sahin, LJN: AO2128), ter onderbouwing van zijn stelling dat geleidelijk ingeburgerde Turkse burgers onder de materiele werkingssfeer van artikel 14 van Besluit 1/80 vallen zonder dat zij rechten ontlenen aan artikel 6 of 7 van Besluit 1/80, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Laatstgenoemd arrest gaat over artikel 13 van Besluit 1/80 welk artikel van wezenlijk andere aard is dan artikel 14 van Besluit 1/80. De rechtbank leidt uit genoemd arrest af dat artikel 13 van Besluit 1/80 ziet op (ongeoorloofde) nieuwe nationaalrechtelijke beperkingen met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van legale werknemers en hun gezinsleden. Om onder de werkingssfeer van artikel 13 van het Besluit 1/80 te vallen, is niet vereist dat de Turkse werknemers en/of hun familieleden rechten kunnen ontlenen aan artikel 6 of 7 van Besluit 1/80; deze beperking zou artikel 13 van Besluit 1/80 immers zinledig maken, zoals verwoord in rechtsoverweging 81 van genoemd arrest. De bescherming van artikel 14 van Besluit 1/80 is volgens eerdergenoemde (vaste) jurisprudentie logischerwijs wél gekoppeld aan de door het besluit verkregen rechten nu dit artikel juist ziet op een beperking van de aan het besluit ontleende rechten op grond van de openbare orde. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de overwegingen van deze rechtbank, nevenzittingsplaatsen Assen en Rotterdam in de uitspraken van respectievelijk 3 augustus 2009 (LJN: BJ4422) en 10 september 2008 (LJN: BF4615) inzake de werkingssfeer van artikel 13 van Besluit 1/80, dan ook niet analoog worden toegepast op artikel 14 van Besluit 1/80.

4.5. Vervolgens is aan de orde de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat onverkorte toepassing van het beleid, in het licht van de door eiser naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, niet leidt tot onevenredig nadeel voor eiser in de zin van artikel 4:84, eerste lid, van de Awb. Eiser heeft in dit kader naar voren gebracht dat verweerder had dienen uit te gaan van een langere (legale) verblijfsduur in Nederland in het kader van de zogenaamde glijdende schaal omdat eiser als minderjarige onder het gezag van de Nederlandse overheid stond en dat de overheid daarmee mede verantwoordelijk is geworden voor het verkrijgen van legaal verblijf van eiser. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het door eiser aangevoerde illegale verblijf tot 2001 op goede gronden niet als bijzonder in de zin van artikel 4:84 van de Awb heeft aangemerkt, omdat die omstandigheid, gelet op de inhoud en strekking van het beleid inzake de toepassing van de glijdende schaal bij ongewenstverklaring geacht moet worden te zijn betrokken bij de vaststelling van dit beleid. Verweerder heeft voorts in de omstandigheid dat eiser in 1997 onder toezicht is gesteld en dat in 1998 een machtiging is verleend om eiser in een voorziening voor pleegzorg te plaatsen geen aanleiding hoeven te zien om ten behoeve van hem van het gevoerde beleid af te wijken.

4.6.1. Met betrekking tot eisers beroep op artikel 8 van het EVRM, ingevolge welk artikel een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven en zijn familie- en gezinsleven, overweegt de rechtbank als volgt.

4.6.2. Niet in geschil is dat de handhaving in bezwaar van de ongewenstverklaring een inmenging, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, betekent. De rechtbank dient, gezien de beroepsgronden, te beoordelen of deze inmenging proportioneel is. Zoals het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) heeft overwogen in onder meer de arresten Boultif van 2 augustus 2001 (LJN: AD3516) en Üner van 18 oktober 2006 (LJN: AZ2407), dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval een inmenging in het familie- of gezinsleven van de vreemdeling rechtvaardigt, een “fair balance” te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het algemeen belang van de betrokken lidstaat. Deze belangenafweging moet ingevolge vaste rechtspraak van het EHRM worden verricht met inachtneming van de “guiding principles”, zoals genoemd in het Boultif-arrest. In het arrest Maslov van 23 juni 2008 (LJN: BD8475) heeft het EHRM in rechtsoverweging 71 en 72 overwogen dat in het geval van een jong volwassene die nog geen eigen gezin heeft gevormd (ook) de volgende criteria relevant zijn: de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf, de duur van het verblijf in het gastland, het tijdsverloop sinds het misdrijf en de gedragingen van betrokkene gedurende die tijd en de intensiteit van de sociale, culturele en familiebanden in het gastland en in het land van herkomst.

4.6.3. De rechtbank constateert dat niet in geschil is dat aan eisers illegaal verblijf als minderjarige in Nederland in dit kader (voor eiser positieve) betekenis toekomt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eisers belangen onvoldoende zwaarwegend zijn voor de conclusie dat de ongewenstverklaring leidt tot schending van artikel 8 van het EVRM. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder in het besluit wel degelijk ook de criteria zoals verwoord in het arrest Üner bij deze beoordeling betrokken. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat uit de door eiser naar voren gebrachte feiten niet kan worden geconcludeerd dat de band van eiser met zijn moeder, broers en overige familieleden uitstijgt boven de “more than the normal emotional ties”. Verweerder heeft verder erkend dat eisers banden met Nederland sterker zijn dan zijn banden met Turkije. Verweerder heeft er echter terecht op gewezen dat deze banden hoofdzakelijk bestaan uit betrekkingen met zijn meerderjarige familieleden. Voorts is van belang dat eiser de Turkse taal beheerst, en dat in Turkije ook nog familieleden van hem woonachtig zijn. De in Nederland wonende familieleden kunnen eiser in Turkije bezoeken. Verweerder heeft voorts terecht zwaar in eisers nadeel laten wegen dat hij is veroordeeld wegens poging tot moord, een zeer ernstig vergrijp. Nu van de kant van eiser geen andere belangen zijn gesteld dan zijn lange verblijfsduur in Nederland en de familiebanden die hij hier heeft, heeft verweerder aan het belang van de bescherming van de openbare orde naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend.

4.7. Op grond van het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep gericht tegen het besluit inzake de ongewenstverklaring ongegrond.

Beoordeling van het beroep inzake de intrekking van de verblijfvergunning

4.8. Het gevolg dat artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 aan de ongewenstverklaring verbindt, is dat de desbetreffende vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben zolang de ongewenstverklaring voortduurt. Bij een beroep van een vreemdeling tegen een besluit over een aanvraag tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, dan wel een intrekking daarvan heeft hij, zolang hij ongewenst is verklaard, derhalve geen belang, omdat dit beroep nimmer tot rechtmatig verblijf kan leiden. Een ongewenst verklaarde vreemdeling kan in afwijking van artikel 8 van de Vw 2000 immers geen rechtmatig verblijf hebben. Nu het beroep inzake de ongewenstverklaring ongegrond zal worden verklaard, heeft eiser geen belang bij het door hem ingestelde beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning.

4.9. Op grond van het voorgaande zal het beroep gericht tegen het besluit betreffende de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk worden verklaard.

Griffierecht en proceskosten

4.10. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

5. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen het besluit betreffende de ongewenstverklaring ongegrond;

- verklaart het beroep gericht tegen het besluit betreffende de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, voorzitter, en mrs. C.W.M. Giesen en H.J. Fehmers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.A.J. Hubel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2010.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.:SH

Coll.: LFF

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.