Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL9067

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
359775 - KG ZA 10-227
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad?; verrekenen te veel ondergane vervangende hechtenis met nog openstaande vervangende hechtenis; aaneensluitend ondergaan van vrijdheidstraffen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 23 maart 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 359775 / KG ZA 10-227 van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.J. Sol te Terneuzen,

tegen:

de Staat der Nederlanden, (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. E.C. Gijselaar te 's-Gravenhage.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 15 maart 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Eiser is bij vonnis van 12 september 2006 door de politierechter te Leeuwarden, onder parketnummer 17-820646-06, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 dagen, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, ter zake van schuldheling.

1.2. Op 31 oktober 2007 heeft de rechtbank te Middelburg eiser, onder de parketnummers 12-700100-07 en 12-715211-07, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van 33 maanden ter zake van mensenhandel. Het gerechtshof 's-Gravenhage heeft bij arrest van 16 juni 2008 in hoger beroep, onder parketnummer 22-005889-07, eiser veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van 36 maanden.

1.3. Eiser heeft tegen voornoemd arrest cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Bij arrest van 2 februari 2010 heeft de Hoge Raad onder parketnummer 25-005889-07 de door het hof opgelegde vrijheidsstraf verminderd tot 34 maanden.

1.4. De werkstraf die door de politierechter te Leeuwarden is opgelegd is vanwege het niet (correct) uitvoeren van die straf omgezet naar vervangende hechtenis. Van 31 maart 2007 tot 4 april 2007 heeft eiser gedetineerd gezeten op grond van de vervangende hechtenis. Na het indienen van een bezwaarschrift is eiser op 3 april 2007 in vrijheid gesteld, teneinde hem alsnog in de gelegenheid te stellen zijn werkstraf correct uit te voeren. Eiser heeft daaraan geen uitvoering gegeven, zodat de vervangende hechtenis voor de duur van 22 dagen alsnog voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.

1.5. Eiser heeft vervolgens van 14 mei 2007 tot 2 mei 2008 en van 2 juni 2008 tot 26 april 2009 in voorlopige hechtenis doorgebracht in verband met de onder 1.2 genoemde strafzaak. Op zowel 2 mei 2008 als op 26 april 2009 heeft eiser zich onttrokken aan zijn detentie door niet (tijdig) terug te keren van verlof.

1.6. Op 14 december 2009 is eiser opnieuw aangehouden. Hij is op 4 februari 2010 in vrijheid gesteld.

1.7. Het openbaar ministerie heeft omstreeks 8 februari 2010 opnieuw een arrestatiebevel ten laste van eiser uitgevaardigd, teneinde de opgelegde vervangende hechtenis voor de duur van 22 dagen te ondergaan.

1.8. Op pagina drie van de registratiekaart van de penitentiaire inrichting staat in de tabel met de naam 'insluittitels' vóór de datum 14 december 2009 als parketnummer vermeld 25-005889-07, zijnde de titel op grond waarvan eiser gedetineerd zat.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiser vordert - zakelijk weergegeven - gedaagde te bevelen dat eiser niet wordt aangehouden voor het ondergaan van de hechtenis voor de straffen voortvloeiende uit de strafzaken met parketnummer 12-700100-07, 12-715211-07 en 17-820646-06.

2.2. Daartoe voert eiser het volgende aan.

Gedaagde handelt onrechtmatig jegens eiser door de vervangende hechtenis opnieuw ten uitvoer te leggen. Eiser heeft de vervangende hechtenis van 22 dagen al volledig uitgezeten. Hij heeft immers 721 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht, terwijl hij op grond van het arrest van de Hoge Raad maar 680 dagen in detentie diende door te brengen. De vervangende hechtenis van 22 dagen is al ten uitvoer gelegd, omdat die straf aaneensluitend ten uitvoer is gelegd aan de opgelegde gevangenisstraf. Daarnaast is eiser op 14 december 2009 aangehouden en gedetineerd op grond van de vervangende hechtenis en niet op grond van de voorlopige hechtenis ter zake de nog lopende strafzaak bij de Hoge Raad. De handelwijze van gedaagde leidt ertoe dat eiser een langere vrijheidsstraf dient te ondergaan dan door de strafrechters aan hem is opgelegd.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of eiser de vervangende hechtenis voor de duur van 22 dagen al heeft ondergaan. Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat de vervangende hechtenis nog niet ten uitvoer is gelegd, omdat die straf niet opgeteld wordt bij de opgelegde gevangenisstraf. Eiser bepleit het tegendeel.

3.2. Als uitgangspunt heeft te gelden dat indien een veroordeelde meer dan één vrijheidsstraf geheel of gedeeltelijk heeft te ondergaan, deze zo mogelijk aaneensluitend worden ten uitvoer gelegd. De ten uitvoer te leggen gedeelten worden in dat geval, met uitzondering van vervangende hechtenis, als één vrijheidsstraf aangemerkt (artikel 15 lid 5 van het Wetboek van Strafrecht). Hieruit volgt al dat de stelling van eiser geen doel treft, nu een van de door hem te ondergane vrijheidstraffen vervangende hechtenis betreft.

3.3. Voor zover eiser betoogt dat hij op 14 december 2009 is aangehouden op grond van de openstaande vervangende hechtenis, vindt dit betoog geen steun in zijn eigen stellingen. Zo stelt hij immers zelf dat hij totaal 721 dagen in voorlopige hechtenis heeft gezeten, hetgeen niet valt te rijmen met de stelling dat hij vanaf 14 december 2009 de 22 dagen vervangende hechtenis heeft ondergaan. Evenmin vindt die stelling steun in de gepresenteerde feiten. Zou het betoog van eiser juist zijn, dan had hij omstreeks 5 januari 2010, na het uitzitten van de 22 dagen, in vrijheid gesteld moeten worden of zou de titel op grond waarvan hij gedetineerd zat gewijzigd moeten zijn van vervangende hechtenis naar voorlopige hechtenis. Dat laatste is gesteld noch gebleken terwijl bovendien vaststaat dat hij pas op 4 februari 2010 in vrijheid is gesteld. Daarbij komt dat uit de overgelegde registratiekaart genoegzaam blijkt dat eiser op 14 december 2010 op grond van de strafzaak bij de Hoge Raad in voorlopige hechtenis is genomen, omdat als insluittitel het parketnummer van de Hoge Raad staat vermeld. Dit een en ander leidt tot de slotsom dat onvoldoende is gebleken dat eiser de vervangende hechtenis reeds heeft ondergaan.

3.4. Vervolgens heeft eiser zich beroepen op verrekening van de periode die hij te lang in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht met de, in de visie van gedaagde, openstaande vervangende hechtenis.

3.5. Vooropgesteld wordt dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Het staat het openbaar ministerie niet vrij naar eigen inzicht wijzigingen te brengen in een door de strafrechter gegeven beslissing of af te zien van (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van straffen, tenzij de wet daartoe een grondslag biedt. Gesteld noch gebleken is dat een bij de wet gegeven grondslag hier van toepassing is. Daarnaast wordt overwogen dat de bevoegdheid tot een dergelijke verrekening exclusief is voorbehouden aan de strafrechter en niet toekomt aan gedaagde of de voorzieningenrechter in kort geding.

3.6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van eiser zal worden afgewezen. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van eiser begroot op € 1.079,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 263,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2010.

nve