Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL9035

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
30-03-2010
Zaaknummer
359423 - FA RK 10-1289
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BM5202, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kinderontvoering. Ontvoering vanuit Polen. Beroep gedaan door de moeder op ernstig risico bij terugkeer naar Polen als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b HKOV, omdat de minderjarige psychisch zou zijn mishandeld door de vader en de vader aldaar niet beschikt over financiële middelen. De rechtbank gaat aan de stelling van de moeder omtrent de onaanvaardbare psychische druk voorbij, nu de moeder deze stelling, in het licht van de betwisting ervan door de vader, onvoldoende heeft onderbouwd. Bovendien is niet gebleken van angst bij de minderjarige voor zijn vader.

Aan de stelling van de moeder omtrent de ondragelijke financiële situatie gaat de rechtbank eveneens voorbij, nu zij deze onvoldoende heeft onderbouwd. De stelling dat zij zelf in Polen geen werk kan vinden is daartoe onvoldoende.

Verzoek tot teruggeleiding wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 10-1289

Zaaknummer: 359423

Datum beschikking: 25 maart 2010

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 15 februari 2010 ingekomen verzoek van:

de Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Trb. 1987, 139), gevestigd te 's-Gravenhage, verder te noemen de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens:

[de heer A],

de vader,

wonende te [plaats A], Polen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[mevrouw B],

de moeder,

wonende te [plaats B],

zonder advocaat.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief met bijlage d.d. 16 februari 2010 van de zijde van de Centrale Autoriteit.

Op 25 februari 2010 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de Centrale Autoriteit in de persoon van mevrouw M.M. Maljaars-Hendrikse;

- de vader, bijgestaan door mevrouw E.U. Steegs-Kobus als tolk in de Poolse taal;

- de moeder;

- mevrouw E.K.M. Bakker namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

Het betrof hier een regiezitting in het kader van de Pilot crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. M. Kramer. Partijen hebben afgezien van het mediationtraject. De rechtbank heeft de moeder er op gewezen dat het verstandig zou zijn zich van rechtshulp te voorzien bij de volgende zitting.

Op 11 maart 2010 is de behandeling voortgezet ter terechtzitting van de meervoudige kamer. Hierbij zijn verschenen:

- de Centrale Autoriteit in de persoon van mevrouw M.M. Maljaars-Hendrikse en mevrouw S. Pigmans;

- de vader, met mevrouw M.I. Kleijn-Pasco als tolk in de Poolse taal;

- de moeder, met mevrouw B.J. Wituszynska, als vertaalster in de Poolse taal;

- mevrouw J.J. de Kok namens de raad.

De minderjarige [A] heeft in raadkamer op 11 maart 2010 zijn mening kenbaar gemaakt.

Een verzoek van de moeder tot aanhouding van de mondelinge behandeling teneinde haar in de gelegenheid te stellen een advocaat te zoeken is afgewezen na bezwaar van de Centrale Autoriteit. De rechtbank heeft daartoe mondeling overwogen dat onweersproken is gebleven dat de vrouw herhaaldelijk - zowel mondeling ter zitting als schriftelijk - al eerder is geadviseerd zich van rechtshulp te voorzien.

Verzoek en verweer

De Centrale Autoriteit heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de hierboven genoemde Wet van 2 mei 1990, Stb. 202, (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarige vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Polen dan wel, indien zij nalaat hem terug te brengen, te bepalen op welke datum de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat de vader hem zelf mee terug kan nemen naar Polen.

De moeder heeft ter terechtzitting mondeling verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting wordt van het volgende uitgegaan.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] 1995 te Polen met elkaar gehuwd. De echtscheiding tussen partijen is op [datum] 2010 door de Poolse rechter uitgesproken.

Uit dit huwelijk is de minderjarige [A], geboren op [geboortedatum] 1998 te [plaats A], Polen. Partijen zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarige belast.

De samenwoning van de ouders is in mei 2008 verbroken.

Vanaf de zomer 2008 verbleef de moeder, zonder de minderjarige, in Nederland. In oktober 2009 heeft de moeder de minderjarige uitgeschreven op zijn school in Polen. In november 2009 is de moeder, zonder overleg met de vader, met de minderjarige naar Nederland vertrokken, alwaar zij hem heeft ingeschreven op een Nederlandse en op een Poolse school en waar hij per 1 december 2009 is geregistreerd in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [plaats B].

De vader heeft, middels de Poolse Centrale Autoriteit, op 12 januari 2010, een verzoek tot tussenkomst ingediend bij de Nederlandse Centrale Autoriteit.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Bevoegdheid

De Centrale Autoriteit heeft het verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Zowel Nederland als Polen zijn partij bij het Verdrag.

Op grond van artikel 11 lid 1 sub a van de Uitvoeringswet is de rechtbank te 's-Gravenhage bevoegd om van het verzoek kennis te nemen, nu de minderjarige zijn werkelijke verblijfplaats heeft in het arrondissement 's-Gravenhage.

Inhoudelijke beoordeling

Het Verdrag heeft tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende Staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging ingevolge artikel 3 van het Verdrag

Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Verdrag is er sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde achterhouding, wanneer:

a) de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had; en

b) dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

Tussen partijen is niet in geschil dat de minderjarige onmiddellijk voor zijn overbrenging naar Nederland zijn gewone verblijfplaats had in Polen. Evenmin is in geschil dat partijen gezamenlijk gezag hebben over de minderjarige.

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de overbrenging is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Pools recht. Nu partijen gezamenlijk met het gezag belast waren behoefde de moeder toestemming van de vader voor vertrek met de minderjarige naar Nederland. De moeder heeft ter terechtzitting verklaard dat zij geen overleg heeft gevoerd met de vader over haar voornemen om de minderjarige met haar mee te nemen naar Nederland, omdat zij vreesde dat hij zijn toestemming niet zou geven.

Nu de moeder niet beschikte over de benodigde toestemming van de vader, komt de rechtbank tot het oordeel dat overbrenging door de moeder van de minderjarige naar Nederland is geschied in strijd met het formele gezagsrecht van de vader als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a van het Verdrag.

De tweede vraag die beantwoord moet worden is of de vader het gezagsrecht daadwerkelijk uitoefenende op het tijdstip van het overbrengen, dan wel zou hebben uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

De vader heeft omtrent de uitoefening van zijn gezagsrecht het volgende gesteld. Gedurende hun huwelijk woonden partijen in bij de ouders van de moeder, waar ook de minderjarige sinds zijn geboorte verbleef. Toen de moeder de samenleving tussen partijen beëindigde en elders ging wonen bleef de vader met de minderjarige aanvankelijk bij de ouders moederszijde wonen. Op enig moment is de vader noodgedwongen uit de woning van de ouders moederszijde vertrokken, terwijl de minderjarige daar bleef wonen. Vanaf dat moment heeft de vader, naar zijn onweersproken stelling, veel moeite gedaan om omgang te hebben met de minderjarige. Dit resulteerde erin dat hij de minderjarige meestal in de weekends zag en soms ook doordeweeks. De vader haalde de minderjarige dan op bij het hek van het huis van de grootouders. De vader had ook geregeld telefonisch contact met de minderjarige. De moeder heeft bovengenoemde stellingen van de vader niet weersproken en heeft ter terechtzitting erkend dat er regelmatig contact was tussen de vader en de minderjarige. Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de man daadwerkelijk zijn gezagsrecht uitoefenende.

Op grond van het voorgaande dient de overbrenging van de minderjarige door de moeder naar Nederland te worden aangemerkt als ongeoorloofd als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag. Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen overbrenging van de minderjarige naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, dient ingevolge artikel 12 van het Verdrag in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

Berusting, artikel 13, eerste lid, sub a van het Verdrag

Gesteld noch gebleken is dat van berusting als bedoeld in voormeld artikel sprake is.

Ernstig risico, artikel 13, eerste lid, sub b van het Verdrag

In de door de Centrale Autoriteit overgelegde brief van de moeder is door de moeder gesteld dat de minderjarige door de vader psychisch werd mishandeld. Ter terechtzitting heeft de moeder voorts verklaard dat de vader in Polen niet beschikt over financiële middelen om voor de minderjarige te kunnen zorgen en dat ook zij zich in Polen geen inkomsten kan verwerven. Zij heeft grote angst dat de minderjarige bij terugkeer naar Polen in een situatie van ernstig geldgebrek zal komen te verkeren, terwijl zij zelf in Nederland beschikt over voldoende inkomsten om voor de minderjarige te kunnen zorgen.

De rechtbank begrijpt voornoemde stellingen van de moeder als een beroep door de moeder op de weigeringsgrond van artikel 13, eerste lid, sub b van het Verdrag, zijnde dat de minderjarige door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk en/of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht, nu de minderjarige volgens de moeder in Polen zal worden blootgesteld aan psychische mishandeling door de vader en in een financieel onmogelijke situatie zal komen te verkeren.

De rechtbank overweegt omtrent deze weigeringsgrond als volgt.

De vader heeft gemotiveerd weersproken dat er sprake is of is geweest van psychische mishandeling door hem van de minderjarige. In het licht daarvan heeft de moeder haar stelling dat er sprake zal zijn van onaanvaardbare psychische druk onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank aan die stelling voorbij gaat. De rechtbank acht hierbij tevens van belang dat tijdens het minderjarigenverhoor niet is gebleken van angst bij de minderjarige voor zijn vader.

Ten aanzien van de financiële situatie heeft de vader betoogd dat hij een eigen bedrijf is begonnen waarin hij zich bezighoudt met het repareren van auto's en verzamelen van auto-onderdelen. In het licht van dat betoog van de vader heeft de moeder haar stelling dat de financiële situatie in Polen dermate ernstig is dat er voor de minderjarige een ondragelijke situatie zal ontstaan, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat de moeder stelt dat zij zelf in Polen geen werk zal kunnen vinden is daartoe onvoldoende. Ook aan deze stelling van de moeder gaat de rechtbank derhalve voorbij.

Op grond van het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van de weigeringsgrond als genoemd in artikel 13, eerste lid, sub b van het Verdrag.

Verzet, artikel 13, tweede lid van het Verdrag

Op grond van artikel 13, tweede lid van het Verdrag is de rechter niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten indien hij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake van is van de weigeringsgrond als genoemd in artikel 13, tweede lid van het Verdrag, nu de minderjarige weliswaar heeft verklaard het naar zijn zin te hebben in Nederland, maar hij geen verzet heeft getoond tegen terugkeer naar Polen.

Conclusie

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag, terwijl er minder dan één jaar is verstreken tussen overbrenging van de minderjarige naar Nederland en de indiening van het onderhavige verzoekschrift. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de overbrenging van de minderjarige ongeoorloofd is geschied, gelast de rechtbank ingevolge artikel 12, eerste lid van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Polen.

Ingevolge artikel 13, vijfde lid van de Uitvoeringswet is deze beslissing van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

Datum van terugkeer

De rechtbank dient thans een beslissing te nemen omtrent de datum van terugkeer van de minderjarige naar Polen. De rechtbank acht het wenselijk dat de minderjarige op zijn terugkeer kan worden voorbereid en een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten. De rechtbank zal daarom de terugkeer gelasten op 6 mei 2010 en, indien de moeder weigert de minderjarige terug te brengen naar Polen, de afgifte van de minderjarige met een geldig reisdocument aan de moeder eveneens op 6 mei 2010 bevelen, zodat de vader de minderjarige alsdan mee terug kan nemen naar Polen.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige:

[A], geboren op [geboortedatum] 1998 te [plaats A], Polen, naar Polen op 6 mei 2010 en beveelt, indien de moeder weigert de minderjarige terug te brengen naar Polen, de afgifte van de minderjarige met een geldig reisdocument aan de vader op

6 mei 2010, zodat de vader de minderjarige mee terug kan nemen naar Polen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. de Lange-Tegelaar, J.M.J. Keltjens en mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Miezenbeek als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2010.