Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8935

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
Awb 09/11135 en 09/14677
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kenia / gemengd etnisch huwelijk / vervolging wegens ras / vervolgingsgronden Vluchtelingenverdrag / bescherming autoriteiten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Middelburg

AWB nummer: 09/11135 en 09/14677

V-nummer: [xxx], [xxx], [xxx] en [xxx]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

inzake

[Naam], eiser,

[Naam], eiseres,

mede namens hun minderjarige kinderen:

[Naam], geboren [2004] en

[Naam], geboren [2008],

hierna gezamenlijk ook te noemen: eisers,

gemachtigde mr. P.C.M. van Schijndel,

advocaat te ’s-Gravenhage.

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. I.A.M. de Groot,

medewerkster bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

I. Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de afzonderlijke besluiten van verweerder van 5 maart 2009 tot afwijzing van hun aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: de bestreden besluiten).

De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 5 januari 2010. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig D.J. Gasille, tolk in de Engelse taal. Het onderzoek is ter zitting gesloten. De termijn voor het doen van een uitspraak is éénmaal verlengd.

II. Overwegingen

1. Eiser is geboren op [1984] en eiseres op [1980]. Zij zijn afkomstig uit Kenia en verblijven sinds 21 februari 2008 in Nederland. Zij hebben op 22 februari 2008 elk een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op 19 januari 2009 eisers schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvragen af te wijzen. Eisers hebben vervolgens hun zienswijze op deze voornemens schriftelijk naar voren gebracht. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen van eisers afgewezen.

2. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 – voor zover hier van belang – kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 1 A van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) – hierna: het Vluchtelingenverdrag – is van vluchtelingschap sprake indien betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

In artikel 3.105a van het Vreemdelingenbesluit 2000 is bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. In de artikelen 3.35 en volgende van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: Vv) zijn deze nadere regels opgenomen.

3. Eisers hebben – samengevat – verklaard dat zij problemen hebben ondervonden met hun families vanwege hun gemengde huwelijk. Eiser behoort tot de bevolkingsgroep Kamba en eiseres tot de bevolkingsgroep Luo. Na de verkiezingen ontstonden er problemen tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Op 25 januari 2008 is het huis van eisers in brand gestoken en daarbij is de zoon van eisers om het leven gekomen. Ook het huis van de moeder van eiseres is in brand gestoken en haar moeder is hierbij overleden. Eisers zijn naar het huis van een vriendin van de moeder van eiseres gegaan. Daar werd eiser mishandeld en eiseres verkracht door twee neven van eiser en twee andere mannen. De mannen sloegen op de vlucht omdat ze dachten dat de politie kwam. Eisers hebben met hulp van meneer [Naam] hun land van herkomst verlaten.

4. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de problemen die eisers hebben ondervonden met hun (schoon)familie niet te herleiden zijn tot één van de vervolgingsgronden zoals genoemd in het Vluchtelingenverdrag. Dat de problemen die eisers hebben ondervonden met hun (schoon)familie zijn gelegen in het gemengd etnisch huwelijk, doet hier niet aan af. Verder stelt verweerder dat eisers zich bij voorkomende problemen van familiezijde tot de autoriteiten om bescherming kunnen wenden. Niet gebleken is dat eisers geprobeerd hebben om de bescherming van de autoriteiten in te roepen of aannemelijk hebben gemaakt dat zij deze bescherming niet kunnen krijgen. Verweerder heeft geconcludeerd dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. Het beroep van eisers op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, slaagt volgens verweerder evenmin, nu eisers een vestigingsalternatief hadden elders in Kenia.

5. In beroep hebben eisers aangevoerd dat het behoren tot verschillende bevolkingsgroepen van meet af aan het probleem was in het huwelijk van eisers. Uit de verklaringen van eisers volgt dat hun etnische afkomst juist de reden is geweest voor de vrees voor vervolging. Dat er willekeurig geweld heeft plaatsgevonden laat onverlet dat de daden van vervolging gericht waren op de persoon van eisers, met name eiseres. Eisers hadden met de algemene situatie te maken, en die algemene situatie werd door de familie van eiser aangegrepen om eisers te vervolgen in de vorm van ernstige mishandeling en verkrachting. Verweerder miskent dat eisers hebben verklaard dat zij daden van vervolging vanwege de etnische afkomst hebben ondervonden van de zijde van de familie van eiser, dat de Keniaanse overheid daartegen geen bescherming kon en/of wilde bieden, terwijl er geen vestigingsalternatief was. Dat eisers de bescherming van de Keniaanse autoriteiten niet hebben ingeroepen, is onjuist. Eisers wilden aangifte doen bij de politie, maar zij werden daar uitgelachen. Eisers verwijzen naar diverse bronnen waaruit blijkt dat de Keniaanse autoriteiten geen bescherming kunnen en willen geven. Eisers zijn wel degelijk vluchtelingen als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Verwijdering van eisers is in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eisers dienen in ieder geval in het bezit te worden gesteld van een vergunning op grond van het traumatabeleid/klemmende redenen van humanitaire aard, aldus eisers.

De rechtbank overweegt als volgt.

6. De beroepen van eisers worden, gelet op de samenhang van de asielrelazen van eisers, gezamenlijk beoordeeld. De rechtbank stelt vast dat verweerder de geloofwaardigheid van deze asielrelazen niet in twijfel heeft getrokken. Bij de beoordeling in deze beroepen wordt daarvan dan ook uitgegaan.

7. Allereerst is in geschil of verweerder terecht tot de conclusie is gekomen dat eisers niet zijn aan te merken als verdragsvluchteling.

8. Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Kenia zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal aannemelijk moeten zijn, dat met betrekking tot eisers persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan, waardoor zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin.

9. Eisers hebben gesteld dat de etnische afkomst van eisers de reden is voor hun vrees voor vervolging. De rechtbank is met eisers van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat deze vrees niet te herleiden is tot een van de vervolgingsgronden van het Vluchtelingenverdrag. In artikel 3.37, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vv is bepaald – voor zover hier van belang – dat er bij de beoordeling van de gronden van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag rekening mee wordt gehouden dat het begrip “ras” omvat het behoren tot een bepaalde etnische groep. Het is niet in geschil dat het door eisers ondervonden geweld is ingegeven door etnische motieven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij eisers sprake is geweest van vervolging wegens ras.

10. Vervolgens staat ter beoordeling of het door eisers ondervonden geweld is aan te merken als (daden van) vervolging. De rechtbank is van oordeel dat de door eisers, hun oudste zoon en de moeder van eiseres ondervonden geweldsdaden zodanig ernstig van aard zijn, dat deze zijn aan te merken als daden van vervolging. Verweerder heeft dit ook niet bestreden.

11. Nu de vervolging is uitgegaan van familieleden, niet-overheidsactoren in de zin van artikel 3.37, aanhef en onder c, van het Vv, staat ter beoordeling of eisers aannemelijk hebben gemaakt dat de autoriteiten geen bescherming hebben kunnen of willen bieden tegen deze vervolging. Verweerder heeft tegengeworpen dat eisers deze bescherming niet hebben proberen te verkrijgen. De rechtbank volgt eisers in hun standpunt dat uit hun relaas genoegzaam blijkt dat eisers dat wel, doch vergeefs, hebben geprobeerd. Verwezen wordt naar de rapporten van nader gehoor (eiser: pagina 14 tot en met 17, eiseres: pagina 8), waaruit blijkt dat eiser zich tot de politie heeft gewend voor aangifte, maar dat hij niet serieus werd genomen en werd uitgelachen. Eisers hebben verder aangevoerd dat, ook al zouden de autoriteiten wel bereid zijn geweest tot bescherming, betwijfeld moet worden of zij iets hadden kunnen uitrichten tegen de familie van eiser, die een permanente bedreiging vormde voor eisers. Verder hebben eisers aangevoerd, onder verwijzing naar landeninformatie over Kenia, dat de autoriteiten in dat land niet in staat zijn geweest om het etnische geweld in 2008 te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom eisers desondanks niet aannemelijk hebben gemaakt dat de autoriteiten bescherming hebben kunnen of willen bieden tegen de door eisers ondervonden vervolging.

12. De rechtbank stelt vast dat verweerder het beroep van eisers op het Vluchtelingenverdrag heeft afgewezen omdat er geen sprake zou zijn van vervolging in de zin van dat verdrag en omdat eisers onvoldoende hebben getracht bescherming te verkrijgen van de autoriteiten. Gelet op het vorenstaande is deze afwijzing ondeugdelijk gemotiveerd. Of dit uiteindelijk dient te leiden tot vergunningverlening op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, hangt mede af van de nog door verweerder te maken beoordeling of eisers bij terugkeer naar Kenia (nog steeds) vervolging hebben te vrezen.

13. Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers bij terugkeer naar hun land van herkomst geen reëel risico lopen op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en derhalve niet in aanmerking komen voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

14. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onvoldoende is gemotiveerd en in strijd met artikel 3:2 van de Awb onvoldoende is voorbereid. De beroepen zijn gegrond en de bestreden besluiten worden vernietigd.

15. Nu uit het vorenstaande blijkt dat verweerder zich opnieuw zal moeten buigen over de vraag of eisers voor een asielvergunning in aanmerking komen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000, komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de beroepsgronden die op het eerste lid, aanhef en onder c, van deze bepaling betrekking hebben.

16. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (uitgaande van twee samenhangende zaken: 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). Omdat er een toevoeging is verleend, moet betaling aan de griffier plaatsvinden.

III. Uitspraak

De rechtbank ’s-Gravenhage,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure, aan de zijde van eisers begroot op € 644,- (zeshonderdenvierenveertig euro), te betalen door verweerder aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, in tegenwoordigheid van R. de Pooter, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2010.

Afschrift verzonden op: 25 maart 2010

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.