Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8917

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
09/26891
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM8526, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ranov / ononderbroken verblijf / verblijf van meer dan twee weken buiten Nederland / intentie niet meer van belang / gedragslijn niet kennelijk onredelijk

Verweerder verwijst naar het verslag zoals neergelegd in TK 2007-2008, 31 018, nr. 41, pagina 7. Bladzijde 7 van voormeld verslag vermeldt dat verweerder de Tweede Kamer heeft medegedeeld dat, als mensen naar het buitenland reizen, de vraag van belang is wat hun intentie is om dat te doen. Ook de duur van het verblijf is belangrijk. In het geval van een kortstondig verblijf buiten Nederland zonder nadere indicatie in het IND-dossier omtrent de beweegredenen, wordt aangenomen dat niet de intentie van het verblijf is zich in dat land te vestigen. Als het verblijf langer duurt dan twee weken, mag worden aangenomen dat de intentie is om zich in dat land te vestigen. Die termijn is vastgesteld door de rechter, aldus verweerder in voornoemd overleg. Uit deze gedragslijn van verweerder kan worden afgeleid dat de vreemdeling die de intentie heeft gehad Nederland definitief te verlaten, een verblijf in het buitenland, hoe kort van duur ook, wordt tegengeworpen. Hieruit volgt dat verweerder kennelijk de keuze heeft gemaakt om ook een vreemdeling zoals eiser, die Nederland heeft verlaten om aan zijn vertrekplicht te voldoen, maar die is teruggekeerd naar Nederland om dat hij zijn poging om wat voor reden dan ook gedwarsboomd zag, niet in aanmerking te laten komen voor een verblijfsvergunning. Naar het oordeel van de rechtbank staat die keuze niet in de weg aan een juiste uitvoering van de Pardonregeling en voert het te ver om die keuze als kennelijk onredelijk te aan te merken.

Niet in geschil is dat eiser Nederland heeft verlaten en dat hij ook de intentie had Nederland definitief te verlaten. Volgens de gedragslijn wordt dus voor eiser geen uitzondering gemaakt op de beleidsregel dat sprake moet zijn van ononderbroken verblijf in Nederland. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 09/26891

V-nummer: [xxx]

Inzake: …, eiser,

gemachtigde mr. C.F. Wassenaar, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister van Justitie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. T.J.W. Visser.

I Procesverloop

1 Eiser is geboren op … en heeft de Algerijnse nationaliteit. Bij brief van 19 februari 2008 heeft hij verweerder verzocht hem een afschrift te doen toekomen van de minuut waarin staat vermeld dat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud), zoals neergelegd in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Pardonregeling). Bij brief van 21 februari 2008 heeft verweerder eiser een afschrift van de minuut toegezonden. Bij brief van 16 december 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Pardonregeling. Bij besluit van 9 juli 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2 Op 24 juli 2009 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

3 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2010. Ter zitting is verschenen eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is verweerder bevoegd ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen.

Ingevolge artikel 3.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kunnen andere beperkingen dan genoemd in het eerste lid worden aangewezen waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend.

Ingevolge artikel 3.17a, aanhef en onder c, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000), wordt als beperking, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, van het Vb 2000 aangewezen de beperking verband houdende met de Pardonregeling.

1.2 Volgens de Pardonregeling, voorzover hier van belang, wordt geen verblijfsvergunning verleend aan de vreemdeling die niet sinds 1 april 2001 ononderbroken in Nederland heeft verbleven. De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling na 1 april 2001 aantoonbaar uit Nederland is vertrokken.

1.2 Volgens de Pardonregeling, voorzover hier van belang, wordt geen verblijfsvergunning verleend aan de vreemdeling die een gevaar voor de openbare orde vormt. Dit is onder meer het geval indien de vreemdeling vanwege het plegen van een misdrijf is veroordeeld tot een gevangenisstraf, en het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf ten minste één maand bedraagt.

2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor de gevraagde vergunning in aanmerking komt. Hij voert daartoe aan dat eiser aantoonbaar het land heeft verlaten met de intentie zich elders te vestigen. Voorts is eiser in Frankrijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand vanwege het in bezit hebben van valse documenten.

3 Eiser stelt dat onduidelijk is naar welke kamerstukken en jurisprudentie verweerder in het bestreden besluit verwijst en dat reeds hierom het beroep gegrond verklaard dient te worden.

Eiser voert aan dat hij op de peildatum hier te lande was en hem reeds hierom zijn verblijf in Frankrijk niet kan worden tegengeworpen. Daarnaast betoogt hij dat in Frankrijk een gevangenisstraf heeft uitgezeten en daar dus onvrijwillig heeft verbleven. Niet valt in te zien waarom verweerder dit onvrijwillig verblijf de vreemdeling wel tegenwerpt en niet een onvrijwillig verblijf vanwege vreemdelingenbewaring. Bovendien is zijn detentie het gevolg geweest van zijn poging om met een vervalst reisdocument terug te keren naar Algerije. Eiser betoogt dat juist vreemdelingen zoals hij, die Nederland wel wilden verlaten, maar daar niet in geslaagd zijn, in aanmerking zouden moeten komen voor een pardonvergunning.

Eiser voert aan dat hij geen gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in Pardonregeling. Eiser is in Frankrijk immers veroordeeld voor het gebruik van een vals reisdocument, terwijl blijkens de Pardonregeling het eenmalig gebruik van een onjuiste identiteit of nationaliteit de vreemdeling niet wordt tegengeworpen. Bovendien kan het deskundigenbericht van de officier van justitie van 24 juni 2009 niet bij het bestreden besluit worden betrokken, nu het deskundigenbericht enkel ziet op de straf die de officier van justitie in Nederland zou eisen en niet op de straf die in Nederland zou zijn opgelegd voor het gebruik van een vals reisdocument. Daarnaast is niet inzichtelijk gemaakt hoe de officier van justitie tot zijn strafeis is gekomen. Tot slot betoogt eiser dat het hanteren van een peildatum voor de verjaringstermijn onrechtmatig is.

De beroepsgrond dat verweerder in de bezwaarfase het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, heeft eiser ter zitting laten ingetrokken.

4 De rechtbank oordeelt als volgt.

4.1 Ter onderbouwing van de stelling dat eiser het verblijf in Frankrijk kan worden tegengeworpen, heeft verweerder in het bestreden besluit verwezen naar “het verslag van de Tweede Kamer, nr. 13 018, vastgesteld op 20 juni 2008, betreffende het overleg van 27 mei 2008”. Ter zitting is komen vast te staan dat verweerder bedoeld heeft te verwijzen naar het verslag zoals neergelegd in TK 2007-2008, 31 018, nr. 41, pagina 7. De verwijzing in het bestreden besluit is dus onjuist en onvolledig, doch de rechtbank verbindt hieraan geen rechtsgevolgen. Eiser had namelijk met de verstrekte data zelf de vindplaats kunnen achterhalen. Bovendien had hij contact kunnen opnemen met verweerder teneinde de juiste en volledige gegevens te verkrijgen. Dat laatste geldt ook voor de vindplaats van de jurisprudentie waarnaar volgens eiser in het bestreden besluit is verwezen.

4.2.1 Bladzijde 7 van voormeld verslag vermeldt dat verweerder de Tweede Kamer heeft medegedeeld dat, als mensen naar het buitenland reizen, de vraag van belang is wat hun intentie is om dat te doen. Ook de duur van het verblijf is belangrijk. In het geval van een kortstondig verblijf buiten Nederland zonder nadere indicatie in het IND-dossier omtrent de beweegredenen, wordt aangenomen dat niet de intentie van het verblijf is zich in dat land te vestigen. Als het verblijf langer duurt dan twee weken, mag worden aangenomen dat de intentie is om zich in dat land te vestigen. Die termijn is vastgesteld door de rechter, aldus verweerder in voornoemd overleg.

4.2.2 Uit deze gedragslijn van verweerder kan worden afgeleid dat de vreemdeling die de intentie heeft gehad Nederland definitief te verlaten, een verblijf in het buitenland, hoe kort van duur ook, wordt tegengeworpen. Hieruit volgt dat verweerder kennelijk de keuze heeft gemaakt om ook een vreemdeling zoals eiser, die Nederland heeft verlaten om aan zijn vertrekplicht te voldoen, maar die is teruggekeerd naar Nederland om dat hij zijn poging om wat voor reden dan ook gedwarsboomd zag, niet in aanmerking te laten komen voor een verblijfsvergunning. Naar het oordeel van de rechtbank staat die keuze niet in de weg aan een juiste uitvoering van de Pardonregeling en voert het te ver om die keuze als kennelijk onredelijk te aan te merken.

4.3 Niet in geschil is dat eiser Nederland heeft verlaten en dat hij ook de intentie had Nederland definitief te verlaten. Volgens de gedragslijn wordt dus voor eiser geen uitzondering gemaakt op de beleidsregel dat sprake moet zijn van ononderbroken verblijf in Nederland. De vraag of het onvrijwillig verblijf in Frankrijk kan worden tegengeworpen behoeft dus geen beantwoording. De stelling van eiser dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, nu hij niet in het bezit is van een burgemeestersverklaring en op de peildatum hier te lande verbleef, vindt geen steun in de Pardonregeling. Daarin is immers vastgelegd dat de verblijfsvergunning niet wordt verleend indien de vreemdeling na 1 april 2001 aantoonbaar uit Nederland is vertrokken. Daargelaten de vraag welke peildatum eiser bedoelt en of de Pardonregeling een dergelijke datum kent, kan uit de Pardonregeling noch de hiervoor genoemde gedragslijn worden afgeleid dat hierop een uitzondering wordt gemaakt voor vreemdelingen die niet in het bezit zijn van een burgemeestersverklaring en op de peildatum hier te lande verbleef.

4.4 Nu de hiervoor besproken afwijzingsgrond het bestreden besluit zelfstandig kan dragen, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of eiser een gevaar voor de openbare orde vormt in de zin van de Pardonregeling.

4.5 Het beroep is ongegrond.

4.6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in tegenwoordigheid van mr. I.M.L.J. Spierings, griffier.

De griffier,

De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: