Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8836

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
30-03-2010
Zaaknummer
269226 - HA ZA 06-2339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Bewijsopdracht.

Aan de orde is de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiseres door cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking (...) in de beklagprocedure en door hangende de behandeling in cassatie en de daaropvolgende behandeling door het gerechtshof te 's-Gravenhage het conservatoir beslag als bedoeld in artikel 94a Sv op een auto te laten voortduren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 269226 / HA ZA 06-2339

Vonnis van 10 maart 2010 (bij vervroeging)

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUTOBEDRIJF GEBROEDERS [A.] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestiging],

eiseres,

advocaat mr. E. Grabandt te 's-Gravenhage,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W.B. Gaasbeek te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 12 juni 2006;

- de conclusie van antwoord van 22 april 2009;

- het tussenvonnis van 13 mei 2009, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

- het proces-verbaal van comparitie van 27 oktober 2009 en de daarin genoemde stukken;

- de akte na comparitie van partijen tevens houdende akte tot wijziging van eis en vermeerdering van eis van [eiseres];

- de antwoordakte na comparitie van partijen van de Staat.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 9 mei 2003 heeft [eiseres] van Centraal Automobielbedrijven B.V. gekocht een personenauto, merk Mercedes, type Sedan E55 AMG, kleur zwart, met [kenteken] (hierna: de auto) voor € 141.393,-.

2.2. Op 24 mei 2003 heeft [eiseres] de auto verkocht aan Autolease Zeeland B.V. voor € 90.000,-. Deze vennootschap is thans genaamd DutchLease Goes B.V. (hierna: DutchLease). Het kenteken van de auto is op naam van [eiseres] blijven staan; Autolease Zeeland B.V. (thans: DutchLease) heeft de beschikking gekregen over de zogenoemde kopie deel III.

2.3. Het bedrag van € 90.000,- is op 29 mei 2003 door Autolease Zeeland B.V. (thans: DutchLease) overgemaakt op een bankrekening op naam van [eiseres].

2.4. In een 'Individuele Lease Overeenkomst Netto Operational Lease' tussen Autolease Zeeland B.V. (thans: DutchLease) en [eiseres] met als begindatum 16 mei 2003 en een looptijd van 36 maanden betreffende de auto is als bestuurder vermeld CeCe Zeist Holding B.V. Het leasebedrag per maand bedraagt € 2.274,55 exclusief BTW.

2.5. Op 26 april 2005 heeft de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam, de auto in beslag genomen op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) onder de heer [B.] (hierna: [verdachte]).

2.6. Blijkens een taxatierapport van 9 mei 2005 is de auto door de taxateur van Domeinen Bleiswijk getaxeerd op € 63.631,-.

2.7. Op 15 juli 2005 is ingevolge een machtiging van de rechter-commissaris het op 26 april 2005 gelegde beslag op de auto gehandhaafd als beslag als bedoeld in artikel 94a Sv.

2.8. Bij brief van 15 september 2005 heeft de advocaat van [eiseres], mr. M.A. Buntsma (hierna: mr. Buntsma), aan de officier van justitie bericht dat [eiseres] eigenaar is van de auto en dat zij deze in lease heeft uitgegeven aan [verdachte]. Mr. Buntsma verzocht om teruggave van de auto aan [eiseres].

2.9. Bij brief van 26 september 2005 heeft mr. Buntsma aan het Bureau Ontnemingswetgeving OM het volgende bericht:

'(...) De firma Dutch Lease Goes B.V. (voorheen genaamd Autolease Zeeland B.V.) is de eigenaresse van de auto en heeft deze doorgeleasd naar [eiseres]. te [vestiging]. Deze heeft op haar beurt bemiddeld in de lease-overeenkomst tussen Autolease en CC Zeist Holding B.V. welke holding de auto ter beschikking heeft gesteld aan de heer [verdachte]. Het kenteken staat op naam van mijn cliënt, [eiseres] en het kentekenbewijs deel 3 is in handen van de eigenaar Dutch Lease Goes B.V. Mocht het toch noodzakelijk zijn dan zend ik u het aankoopbewijs van Dutch Lease Goes B.V. aan U toe. Zij hebben de auto destijds nieuw gekocht en ingezet middels [eiseres]. Voor de goede orde ik treed ook op namens Dutch Lease Goes B.V. en zal de auto na vrijgeven door de rechthebbende laten ophalen. (...)'

2.10 Bij brief van 4 oktober 2005 heeft de behandelend officier van justitie in het strafrechtelijk financieel onderzoek tegen [verdachte] als volgt geantwoord op onder meer de brieven van mr. Buntsma van 15 en 26 september 2005:

'(...) Uw faxen en brief hebben mij echter niet overtuigd van het feit dat de auto eigendom is van ofwel de Gebroeders [A.] ofwel de firma Dutch Lease. Weliswaar staat het kentekenbewijs op naam van Autobedrijf [A.] en niet op naam van [verdachte] echter uit het onderzoek tot op heden, en met name diverse tapgesprekken tussen [verdachte] en [A. 1 c.q. A. 2], is mijns inziens duidelijk gebleken dat de auto feitelijk eigendom is van [verdachte]. Ik handhaaf derhalve het beslag en zal de auto niet doen afgeven aan Dutch Lease Goes BV of [eiseres]. (...)'

2.11. In een proces-verbaal van 3 november 2005 heeft [inspecteur van politie], werkzaam als financieel rechercheur bij de Nationale Recherche, in een onderzoek tegen [verdachte] onder meer het volgende vastgelegd, waarbij met '[verdachte]' bedoeld wordt [verdachte], met '[A. 1]' de heer [A.] (directeur van [eiseres]) en met '[C.]' de heer [C.]:

'(...) Uit de onderstaande afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken bleek het volgende:

(...)

Op donderdag 16 september 2004, omstreeks 16.59 uur, belt [verdachte] met [A. 1].

[verdachte] is al drie maanden bezig om het op te lossen. [verdachte] dacht dat [A. 1] nog moest betalen aan [verdachte], maar [A. 1] zegt dat [verdachte] nog aan [A. 1] moet betalen.

[A. 1] heeft nog niet eerder met [verdachte] contact opgenomen, omdat "hij" ([C.]) beloofde te betalen en "hij" liet aktes zien van grond die passeerde. [A. 1] zegt dat "hij" vanaf het begin weet dat "hij" moet betalen.

[verdachte] geeft nogmaals aan dat hij denkt dat hij geld krijgt van [A. 1]. [verdachte] heeft ook tegen de broer van [A. 1] gezegd dat hij niet met "hem" te maken heeft. [verdachte] vraagt aan [A. 1] of zij een rekening samen hebben. [A. 1] ontkent dit. [verdachte] vraagt hoe het met zijn auto de E55 zit. [A. 1] zegt dat die E55 eigelijk nog nooit betaald is, met uitzondering van die aanbetaling. [verdachte] is verbaasd. [A. 1] zegt nogmaals dat die E55 nog niet één ding van betaald is, m.u.v. de inruiler. [verdachte] zegt dat dit niet kan. [verdachte] vindt het moeilijk om het via de telefoon te bepraten. [verdachte] zegt, als je de "SL" in rekening brengt van de E55, moet ik jouw dan nog steeds geld betalen of moet jij mij betalen. [A. 1] zegt dat die heel veel geld van [verdachte] krijgt. [verdachte] is verbaasd en zegt ook als je het geld van "SL"? Ja, zegt [A. 1] ik heb het allemaal aan [C.] meegegeven en dat zou hij met jouw bespreken. [verdachte] vraagt nogmaals of [A. 1] nog geld van [verdachte] krijgt. [A. 1] zegt ja heel veel geld. [verdachte] zegt dat [C.] dan een dief is. [verdachte] zegt dat die al voelde dat er iets niet klopte. Vervolgens valt de verbinding weg.

(...)

Op donderdag 16 september 2004, omstreeks 17.10 uur, belt [verdachte] met [C.].

[verdachte] zegt dat die net met [A. 1] heeft gesproken en dat het nu echt een nachtmerrie wordt. [C.] zegt dat [verdachte] [C.] moet geloven en dat [C.] niet liegt. [C.] zegt dat als hij morgen naar [verdachte] komt alles kan oplossen. [verdachte] zegt dat "hij" heeft gezegd dat zelfs de "E" niet betaald is en dat in plaats dat [verdachte] geld van "hem" krijgt, "hij" geld van [verdachte] krijgt. [verdachte] vraagt zich af, hoe [C.] zich hieruit gaat redden en zegt dat [C.] "hem" nooit heeft betaald. [C.] zegt dat hij in "zijn" handschrift kan laten zien wat [C.] betaald heeft. [verdachte] vraagt of de E55 nou betaald is of niet? [C.] zegt dat die bijna betaald is. [verdachte] vraagt hoe die nu bijna betaald kan zijn, terwijl [verdachte] de SL heeft teruggegeven. [verdachte] zegt dat hij de vorige keer aan [C.] om het "M" nummer heeft gevraagd en [C.] zei toen "65 55". [C.] geeft toe dat hij dat heeft gezegd. [verdachte] zegt dat [C.] hem gewoon een "M" nummer moet geven en moet zeggen of het betaald is of niet. [C.] wil zwart op wit laten zien wat hij betaald heeft. Ze spreken af elkaar morgen te zien.

(...)'

2.12. Bij brief van 9 november 2005 heeft [eiseres] aan [D., te [adres]], een overzicht gegeven van facturen die geheel of gedeeltelijk niet zijn voldaan en is verzocht het totaalbedrag van € 80.814,80 per omgaande te voldoen.

2.13. Bij beschikking van 30 december 2005 heeft de rechtbank te Rotterdam het door DutchLease en [eiseres] ingediende beklag op grond van artikel 552a Sv over het voortduren van de inbeslagneming van de auto gegrond verklaard en de teruggave van de auto gelast aan DutchLease.

2.14. Bij brief van 22 februari 2006 heeft het Bureau Ontnemingswetgeving OM aan mr. Buntsma het volgende bericht:

'(...) In ons telefoongesprek van 17 februari jl. heb ik u aangekondigd de vervreemding van de personenauto Mercedes met het kenteken [kenteken] door te zetten. Daar u in een eerder schrijven uitdrukkelijk heeft verzocht de auto niet veilen, is telefonisch afgesproken dat ik u zou informeren over het bedrag waarvoor er nu nog zekerheid zou kunnen worden gesteld.

2.15. Momenteel bedraagt de hoogte van de zekerheid van genoemde personenauto € 53.500,-

(...)

Indien ik geen tijdige betaling ontvang zal de auto alsnog worden vervreemd. (...)'

Bij brief van 4 april 2006 heeft het Bureau Ontnemingswetgeving OM aan Domeinen Regio Bleiswijk een machtiging tot vervreemding als bedoeld in artikel 117 lid 2 Sv gegeven voor de auto.

2.16. Het proces-verbaal van verhoor van getuige de heer [D.] in het kader van het strafrechtelijke onderzoek naar [verdachte] van 3 mei 2006 houdt onder meer het volgende in:

'(...) Het is mogelijk dat ik bij het bedrijf CeCe Zeist Holding B.V. als enig aandeelhouder en directeur te boek sta. Ik zou dit bedrijf samen met [C.] uit [woonplaats] gaan runnen. Dit speelde allemaal ongeveer 10 jaar geleden. Uiteindelijk is daar echter niets van terecht gekomen.

(...)

Ongeveer twee jaar geleden heeft [C.] mij telefonisch benaderd met de vraag of hij een leasecontract voor een auto voor een vriend van hem uit Amsterdam, die zelf geen leasecontract kon afsluiten, op mijn naam kon zetten. (...) Ik heb op dat moment op dat voorstel niet afwijzend gereageerd, maar heb daarna nooit meer met [C.] over dat voorstel gesproken. Dat wil dus zeggen dat ik nooit contracten, nota's of iets dergelijks heb gezien met betrekking tot [eiseres] of [C.] en/of een auto.

U laat aan mij een leasecontract zien van Autolease Zeeland en verschillende nota's van [eiseres] autobedrijf gericht aan mijn persoon. Ik heb nooit een dergelijk document gezien en heb ook nooit nota's ontvangen van [C.] of van het autobedrijf [eiseres]. (...)

Ik hoor van u dat u nota's hebt d.d. 2004 die aan mij zijn gericht op de [adres 1]. Ik ben in december 2003 verhuisd naar [adres 2]. Ik ben daar toen ook uitgeschreven volgens de gemeentelijke bevolkingsadministratie. (...)'

2.17. Het proces-verbaal van verhoor van getuige de heer [A.] in het kader van het strafrechtelijke onderzoek naar [verdachte] van 12 mei 2006 houdt onder meer het volgende in:

'(...) Mijn roepnaam is [A.1]. mijn functie binnen het bedrijf van [eiseres] (....) is directeur / aandeelhouder. (...)

De auto is op 9-5-2003 gekocht door [eiseres] bij Centraal automobiel bedrijven BV te Alkmaar. De betaling van ruim 141.000,00 euro voor deze auto is gedaan op 14-5-2003. De auto is in juridisch overdracht overgegaan op 29-5-2003 aan Autolease Zeeland BV. Autolease Zeeland BV heeft 90.000,00 euro betaald voor de auto. Vervolgens is op 3-6-2003 een Lease-overeenkomst tussen [A.] BV en Zeeland BV opgemaakt. Met dit contract least [eiseres] de auto van Zeeland BV voor een bedrag van 2291,74 excl ob en inclusief houderschapbelasting, verzekering en afschrijving en rente per maand.

De auto is voor een bedrag van 90.000,00 euro in juridisch eigendom overgegaan naar Zeeland BV. Op 9-6-2003 is een aanbetalingsnota van 61.500,00 euro verstuurd aan [D.] te [plaats]. 45.000 euro hiervan is verrekend met de aankoop door ons van de mercedes met het [kenteken]. 9.500,00 euro is voldaan per bank. Van dit bedrag staat nog 7.000,- euro open.

De auto kost ongeveer 141.000,00 euro hier gaat van af de ontvangen 90.000,00 euro van de overdracht naar Zeeland BV. Dan kom ik nog te kort 51.000,00 euro.

Maar daarnaast was de aanbetaling van 61.500,00, dus ik zou over de lease periode van drie jaar 10.500,00 euro verdienen.

Ik heb altijd het recht om tegen de openstaande som bij Zeeland BV de auto terug te kopen, zodat ik daar weer geheel eigenaar van ben.

In het leasecontract staat vermeld dat de bestuurder is CeCe Zeist holding BV. Het is namelijk zo dat [A.] aan Zeeland BV moet opgeven wie er in de geleasde auto rijdt of gaat rijden. De heer [C.] kwam toen met de naam CeCe Zeist holding BV. Deze hebben wij toen doorgegeven. Later kwam de heer [C.] met de mededeling dat de facturen op naam moesten komen van [D.]. Dit hebben wij uitgevoerd.

Met CeCe Zeist holding BV, [D.], [C.] en of [verdachte] zijn geen leasecontracten opgemaakt. (...)

De heer [C.] is bij mij gekomen en wilde de auto leasen. Ik was op dat moment in de veronderstelling dat CeCe Zeist holding en / of [D.] c.q. [verdachte] de auto in gebruik zou nemen. Vanaf het begin wist ik dat de heer [verdachte] met de auto reed. (...) Ik was in de veronderstelling dat [verdachte] iets te maken had met CeCe Zeist holding BV c.q [D.]. De heer [C.] heeft aan mij verzocht de facturen op naam te stellen van [D.]. Aan dit verzoek heb ik voldaan. Dit heb ik gedaan, ondanks dat ik wist dat [verdachte] met de auto reed, omdat [D.] de directeur was van het bedrijf CeCe Zeist holding BV en dat ik dacht dat [verdachte] hier wat mee te maken had. Ik heb de heer [D.] nog nooit ontmoet of contact mee gehad. Alles werd geregeld door [C.]. (...) Er staat nu nog een vordering open van ruim 80.000,-. (...)

Uit de tapgesprekken maakt u de conclusie dat [verdachte] de eigenaar is van de auto. Dit is niet mijn opvatting. Het is namelijk zo dat [verdachte] niet helemaal begreep wat een leasecontract inhield. (...)

Ik wil u nog vermelden dat ik nog steeds de maandelijkse leaseprijs van 2299,52 euro betaal aan Zeeland BV. Deze prijs verschilt van de eerder genoemde, omdat er verschil zit in de verzekering en houderschapbelasting. (...)'

2.18. Op 12 mei 2006 heeft de rechtbank Rotterdam [verdachte] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden wegens overtreding van de Opiumwet, de Wet wapens en munitie en het plegen van valsheid in geschrifte. Het hiertegen door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep is ingetrokken, nadat in augustus/september 2007 een schikking tussen het openbaar ministerie en [verdachte] tot stand is gekomen.

2.19. Bij faxbericht van 16 mei 2006 heeft DutchLease aan mr. Buntsma het volgende bericht:

'(...) De leaseovereenkomst (...) heeft een begindatum contract 16/05/2003 met een looptijd van 36 maanden. Indien het voertuig ook vandaag ingeleverd wordt is de leaseovereenkomst per heden (16/05/2006) beëindigd.

Echter gegeven het conservatoire beslag wat tot op de dag van vandaag op het betreffende voertuig is gelegd lopende het strafrechtelijk financieel onderzoek wat tegen de bestuurder van het voertuig loopt (dhr. [verdachte B.]) lijkt ons inlevering van het betreffende voertuig per heden onmogelijk.

Derhalve lijkt ons de enige en beste oplossing zonder tot verdere kostenverhogende consequenties te leiden voor uw client/onze lessee (Gebr. [A.]) dat uw cliënt gebruik maakt van de koopoptie welke van toepassing is op bovenstaande leaseovereenkomst (EUR 25.000,- ex BTW te voldoen per datum einde contract).

(...)'

2.20 Op 29 mei 2006 heeft [eiseres] ten laste van de Staat conservatoir beslag tot afgifte doen leggen op de auto.

2.21 Tijdens een openbare veiling op 6 juni 2006 is de auto vervreemd voor € 49.350,-. Het beslag uit hoofde van artikel 94a Sv rust vanaf dat moment op de vervreemdingsopbrengst.

2.22 Tegen de onder 2.13 vermelde beschikking van 30 december 2005 van de rechtbank Rotterdam is beroep in cassatie ingesteld door de officier van justitie. Bij beschikking van 18 december 2007 heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank te Rotterdam vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage. De Hoge Raad heeft daartoe het volgende overwogen:

'(...) Aan het vorenstaande kan worden ontleend dat ten tijde van de bestreden beschikking het beslag was gegrond op art. 94a Sv.

3.6. Indien in een dergelijk geval een derde/niet-beslagene die stelt eigenaar te zijn, beklag doet, dient de rechter die over dat beklag heeft te oordelen, als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is of de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Indien dit laatste het geval is, zal hij tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet (vgl. HR 12 juni 2007, LJN BA2565, NJ 2007, 348).

3.7. De Rechtbank is in haar beschikking ten onrechte ervan uitgegaan dat (nog) sprake was van een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag. Zij heeft dus bij de beoordeling van het beklag een onjuiste maatstaf aangelegd. (...)'

2.23. Bij brief van 22 januari 2008 heeft DutchLease aan mr. Buntsma bericht dat alle rechten inzake de auto per 30 november 2007 zijn overgedragen aan [eiseres].

2.24. Bij beschikking van 31 juli 2008 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage, na de verwijzing door de Hoge Raad, het klaagschrift over het voortduren van de inbeslagneming van de auto gegrond verklaard en de teruggave van de auto gelast aan [eiseres] dan wel - indien niet aan die last kan worden voldaan - de uitbetaling gelast van de prijs die de auto bij verkoop heeft opgebracht of redelijkerwijs zou hebben opgebracht.

2.25. Op 9 september 2008 is aan [eiseres] een bedrag van € 54.735,57 overgemaakt. Dit betreft de vervreemdingsopbrengst van de Mercedes van € 49.350,- en de daarover berekende heffingsrente van € 5.385,57.

2.26. Bij brief van 27 mei 2009 heeft Goosens & Van der Weegen B.V., een dienstverlener op het gebied van administratie, belastingen en managementondersteuning, aan [eiseres] het volgende bericht:

'(...) Naar aanleiding van uw verzoek doen wij u onderstaand een overzicht toekomen van de door u betaalde leasekosten van de Mercedes [kenteken] over de periode 15 juli 2005 tot en met 31 december 2006.

Kosten inclusief btw

(...)

Het totaal bedraagt € 47.836,60. (...)'

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert na eiswijziging - samengevat - de veroordeling van de Staat tot betaling van € 47.836,60, vermeerderd met wettelijke rente, alsmede de veroordeling van de Staat tot betaling van een ander bedrag aan schadevergoeding, nader op te maken bij staat, en veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure, de kosten van het door [eiseres] gelegde beslag daaronder begrepen.

3.2. [eiseres] voert daartoe - kort samengevat - het volgende aan. Zij heeft de auto op 9 mei 2003 gekocht en heeft deze vervolgens in lease uitgegeven aan [D.]. Dit betrof een mondelinge overeenkomst, waarbij [C.] namens [D.] is opgetreden. Feitelijk bestuurder van de auto was [verdachte]. Er is een vooruitbetaling op de lease bedongen van € 54.500,-, welke vooruitbetaling gedeeltelijk werd voldaan door inruil van een auto van [D.] met [kenteken] (€ 45.000,-). Daarnaast was [D.] aan [eiseres] een maandelijkse leasevergoeding verschuldigd. Op 24 mei 2003 heeft [eiseres] de auto verkocht aan Autolease Zeeland B.V. (thans: DutchLease), waarmee [eiseres] ten aanzien van deze auto op 3 juni 2003 een zogeheten sale and lease back-overeenkomst sloot met ingangsdatum 16 mei 2003. [eiseres] was aan Autolease Zeeland B.V. (thans DutchLease) een maandelijkse leasevergoeding verschuldigd. Door gebruik te maken van de koopoptie is [eiseres] op enig moment na 16 mei 2006 opnieuw eigenaar geworden van de auto.

De Staat heeft misbruik van zijn recht gemaakt door cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 30 december 2005. De Staat heeft dit gedaan om gedurende de behandeling van het cassatieberoep de auto met gebruikmaking van zijn bevoegdheid op grond van artikel 117 Sv te vervreemden. Bij de verkoop van de auto heeft de Staat miskend dat de auto een bijzonder kostbaar en gewild exemplaar was. De reële handelswaarde van de auto ten tijde van de verkoop was € 75.000,-, althans ruim meer dan de verkoopprijs van € 49.350,-. De door [eiseres] geleden schade als gevolg van het handelen van de Staat bestaat uit de door haar betaalde leasetermijnen (€ 47.836,60) alsmede het verschil tussen de verkoopprijs en de reële handelswaarde. Deze laatste schade wil [eiseres] in een schadestaatprocedure vastgesteld zien.

3.3. De Staat voert verweer. Hij stelt op goede gronden cassatieberoep te hebben ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 30 december 2005 in de beklagprocedure. Nu er gerede twijfel bestond over de vraag wie de eigenaar van de auto was, kon de Staat niet verplicht worden tot teruggave van de auto hangende de beklagprocedure. De Staat stelt zich op het standpunt dat de auto in werkelijkheid toebehoorde aan [verdachte] dan wel dat er sprake was van een schijnconstructie om de eigendom van [verdachte] te verhullen. Pas met het onherroepelijk worden van de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 juli 2008 op 14 augustus 2008 ontstond voor de Staat de verplichting tot teruggave van de auto. Dat [eiseres] op enig moment na 16 mei 2006 alsnog eigenaar zou zijn geworden van de auto - wat hier ook van zij - maakt het voorgaande niet anders. De auto is weliswaar in strijd met het namens [eiseres] gelegde conservatoir beslag tot afgifte op de auto vervreemd, maar de Staat heeft hiermee niet onrechtmatig gehandeld; in elk geval heeft [eiseres] hierdoor geen schade geleden. Bij het leggen van het beslag zijn immers de betekeningsvoorschriften niet in acht genomen. Bovendien is het beslag onverenigbaar met het wettelijke systeem van de artikelen 117 e.v. Sv. De door [eiseres] gevorderde beslagkosten dienen dan ook te worden afgewezen. De vervreemding van de auto is bovendien in het belang van [eiseres] geweest, aangezien hierdoor de waarde van de auto is bevroren, terwijl de auto anders in waarde zou zijn gedaald. Subsidiair stelt de Staat dat [eiseres] geen schade heeft geleden en dat er geen causaal verband bestaat tussen de inbeslagneming van de auto en de gestelde schade.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is niet in geschil of de inbeslagneming van de auto onder [verdachte] rechtmatig is of niet. De rechtbank zal er daarom van uitgaan dat dit beslag op zichzelf niet onrechtmatig was.

4.2. Aan de orde is de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] door (i) cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 30 december 2005 in de beklagprocedure en door (ii) hangende de behandeling in cassatie en de daaropvolgende behandeling door het gerechtshof te 's-Gravenhage het conservatoir beslag als bedoeld in artikel 94a Sv op de auto te laten voortduren.

4.3. Bij beschikking van 18 december 2007 heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 30 december 2005 vernietigd, omdat die rechtbank - kort gezegd - bij de beoordeling van het beklag van een onjuiste maatstaf was uitgegaan. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat de Staat geen misbruik van zijn recht heeft gemaakt door cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam.

4.4. De vordering van [eiseres] tot schadevergoeding is hierop gegrond dat zij de auto in lease had en/of dat zij op enig moment na 16 mei 2006 eigenaresse van de auto is geworden, zodat het niet kunnen beschikken over de auto en de verkoop van de auto tegen een te lage waarde haar in haar vermogen hebben getroffen. Stelplicht en bewijslast van de stelling dat [eiseres] de auto in lease had en daarna eigenaresse van de auto is geworden, rusten op [eiseres]. Dat in de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 juli 2008 in de op artikel 552a Sv gebaseerde procedure teruggave van de auto is gelast dan wel uitbetaling van de prijs die de auto bij verkoop heeft opgebracht dan wel redelijkerwijs zou hebben opgebracht, maakt dit niet anders. De klaagschriftprocedure strekt er immers toe om op snelle en eenvoudige wijze, zonder dat de strafrechter diepgaand hoeft in te gaan op civielrechtelijke eigendoms- en bezitsvragen, een beslissing te verkrijgen over de vraag of een in beslag genomen voorwerp, indien het belang van de strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet, aan de beslagene of aan een ander moet worden teruggegeven. Ingevolge artikel 116 lid 6 Sv laten de in dat artikel bedoelde beslissingen ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet. De civiele rechter is derhalve niet gebonden aan het door de strafrechter op grond van artikel 552a Sv gegeven beschikking.

4.5. De stellingen van [eiseres] houden in dat zij de auto heeft doorverkocht aan Autolease Zeeland B.V. (thans: DutchLease), dat zij de auto van haar in lease heeft verkregen op grond van een sale and lease back-overeenkomst en dat zij op enig moment opnieuw eigenaresse van de auto is geworden door gebruik te maken van de koopoptie uit hoofde van deze overeenkomst. [eiseres] heeft daarmee aan haar stelplicht voldaan.

4.6. De Staat betwist dat [eiseres] de auto in lease had en vervolgens eigenaresse van de auto is geworden. De Staat stelt primair dat [verdachte] eigenaar is van de auto en subsidiair dat er sprake was van een schijnconstructie. De Staat heeft er daarbij onder meer op gewezen dat [eiseres] verschillende verklaringen heeft gegeven over de eigendom van de auto en geen redelijke verklaring heeft gegeven voor de aanzienlijke waardedaling van de auto tussen de aanschaf door [eiseres] op 9 mei 2003 voor € 141.393,- en de verkoop aan Autolease Zeeland B.V. (thans DutchLease) op 24 mei 2003 voor € 90.000,-. Ook is het volgens de Staat opmerkelijk dat tussen [eiseres] en CéCé Zeist Holding B.V., [verdachte] dan wel [D.] geen leasecontracten zijn opgemaakt, terwijl [D.] bovendien in het kader van het strafrechtelijke onderzoek naar [verdachte] heeft verklaard dat hij niet bekend is met een leasecontract tussen [eiseres] en hemzelf of CéCé Holding Zeist B.V. en dat hij nooit enige factuur heeft ontvangen van [eiseres]. De Staat wijst er verder nog op dat [eiseres] bij de dagvaarding van 12 juni 2006 heeft gesteld dat zij gebruik heeft gemaakt van de koopoptie en daardoor (weer) eigenaar is geworden van de auto, terwijl DutchLease bij brief van 22 januari 2008 aan mr. Buntsma heeft bericht dat alle rechten inzake de auto per 30 november 2007 zijn overgedragen aan [eiseres]. Bovendien blijft onduidelijk onder welke voorwaarden die gestelde overdracht zou hebben plaatsgevonden, aldus de Staat.

4.7. De rechtbank is met de Staat van oordeel dat onduidelijkheid bestaat over de gestelde verkoop van de auto door [eiseres] aan Autolease Zeeland B.V. (thans: DutchLease), de gestelde leaseovereenkomst tussen [eiseres] en CéCé Zeist Holding B.V. (dan wel [D.], dan wel [verdachte]) en de gestelde koop van de auto door [eiseres] van DutchLease. Daar komt nog bij dat uit de door [eiseres] overgelegde stukken niet blijkt dat vóór de datum van inbeslagneming van de auto al leasevergoedingen aan DutchLease zijn betaald, terwijl deze betalingen voortduurden na het moment waarop [eiseres] volgens haar eigen stellingen opnieuw eigenaresse van de auto zou zijn geworden (tussen 16 mei 2006 en 12 juni 2006). Ook heeft [eiseres] haar stelling dat [D.] een vooruitbetaling op de lease heeft gedaan door onder meer een op zijn naam staande Mercedes met [kenteken] aan [eiseres] over te dragen niet met stukken onderbouwd, ondanks het feit dat zij hiertoe uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld. Evenmin is met stukken onderbouwd wie het restant aan vooruitbetaling op de lease van € 9.500,- (€ 54.500,- -/- € 45.000,-) aan [eiseres] heeft betaald.

De rechtbank kan dan ook nog geen antwoord geven op de vraag of [eiseres] de auto ten tijde van het strafrechtelijke beslag aanvankelijk in lease en vervolgens in eigendom had. Het gelijk van [eiseres] volgt niet (zonder meer) uit de door haar overgelegde factuur aan Autolease Zeeland B.V. (thans DutchLease) noch uit de bewijsstukken van betaling van € 90.000,- op die factuur door Autolease Zeeland B.V. (thans DutchLease). Hetzelfde geldt voor de overgelegde leaseovereenkomst tussen [eiseres] en DutchLease en de betalingen daarop na de datum van inbeslagneming van de auto.

Nu de bewijslast op [eiseres] rust inzake de door haar ingenomen stellingen dat zij ten tijde van de inbeslagneming van de auto en de voortduring van dit beslag de auto aanvankelijk in lease en nadien in eigendom had, zal de rechtbank [eiseres], op de wijze als hierna vermeld, toelaten tot de bewijslevering.

4.8. Indien en voor zover komt vast te staan dat [eiseres] de auto gedurende de inbeslagneming aanvankelijk in lease had en vervolgens eigenaresse van de auto is geworden, komt de vraag aan de orde of het laten voortduren van het beslag jegens [eiseres] onrechtmatig was. De rechtbank begrijpt het standpunt van [eiseres] aldus dat zij stelt dat de auto nog vóór sprake was van een last tot teruggave, aan haar had moeten worden teruggegeven. De rechtbank verwerpt deze stelling. Er bestond immers een gegronde verdenking jegens [verdachte], terwijl er onduidelijkheid bestond over de vraag wie eigenaar van de auto was en of er sprake was een schijnconstructie ten aanzien van de auto. Deze onduidelijkheid was zodanig dat de mededelingen van [eiseres] en [verdachte] over de lease en de eigendom van de auto niet zonder meer door de Staat voor waar behoefden te worden aangenomen. Dit geldt temeer nu [eiseres] zelf wisselende verklaringen over de lease/eigendom van de auto heeft afgelegd. Bij brief van 15 september 2005 heeft mr. Buntsma namens [eiseres] immers aan de officier van justitie bericht dat [eiseres] eigenaar is van de auto, terwijl mr. Buntsma bij brief van 26 september 2005 aan het Bureau Ontnemingswetgeving OM heeft bericht dat 'de firma Dutch Lease Goes B.V. (voorheen genaamd Autolease Zeeland B.V.) eigenaresse is van de auto en deze heeft doorgeleasd naar autobedrijf Gebroeders [A.] B.V.' De lease/eigendomskwestie was dan ook niet zodanig duidelijk dat het niet-teruggeven van de auto (of de vervreemdingsopbrengst) in die fase aan [eiseres] onrechtmatig was jegens haar.

4.9. Voor zover [eiseres] stelt dat zij recht op vergoeding van de door haar geleden schade heeft als gevolg van haar verplichting om de leasetermijnen aan DutchLease te betalen terwijl geen leasetermijnen van CéCé Zeist Holding B.V./[D.]/[verdachte] werden ontvangen, ook indien het voortduren van het beslag strafvorderlijk aanvaardbaar was, overweegt de rechtbank als volgt.

4.10. Naar vaste jurisprudentie hebben onschuldige derden, niet-verdachten, recht op vergoeding van de door hen als gevolg van strafvorderlijk optreden geleden schade voor zover deze schade buiten het normale maatschappelijke risico of bedrijfsrisico valt. Voorop staat dat [eiseres] vooralsnog onvoldoende heeft onderbouwd dat zij schade heeft geleden in de periode dat zij de auto in lease had van DutchLease. [eiseres] stelt immers zelf dat de auto door haar in lease was gegeven aan CéCé Zeist Holding B.V./[D.]/ [verdachte]. Gesteld noch gebleken is dat en waarom [eiseres] op grond van deze (mondelinge) leaseovereenkomst geen aanspraak kan maken op betaling aan haar van de overeengekomen leasevergoeding in verband met een aan de Staat tegen te werpen omstandigheid. Hierbij is het volgende van belang. In het handelsverkeer kan het voorkomen dat een wederpartij niet betrouwbaar blijkt en haar contractuele verplichtingen niet kan nakomen. In beginsel komt een dergelijke omstandigheid voor risico van degene die zaken doet met deze partij. Daarbij is niet van belang of de onbetrouwbaarheid zich uit door betalingsonmacht of doordat de contractspartner, zoals hier het geval is, wordt getroffen door op zichzelf rechtmatige - want door een redelijke verdenking jegens deze contractspartner gerechtvaardigde - strafvorderlijke maatregelen. De rechtbank is in dit verband vooralsnog van oordeel dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij als gevolg van het beslag schade heeft geleden die buiten haar normale bedrijfsrisico valt. Het feit dat [eiseres] in CéCé Zeist Holding B.V./[D.]/[verdachte] een dergelijke "dubieuze" handelspartner heeft getroffen, komt dan ook voor haar risico. Hetzelfde geldt voor de bestaande onduidelijkheid over de handelspartner van [eiseres] en de voorwaarden waaronder de gestelde mondelinge leaseovereenkomst tussen [eiseres] en CéCé Zeist Holding B.V./[D.]/[verdachte] zou zijn gesloten. Ook als de schade die wordt geleden doordat een handelspartner te maken krijgt met op zichzelf rechtmatige strafvorderlijke maatregelen niet voorzienbaar is, kan die niet op de Staat worden afgewenteld.

4.11. Indien en voor zover vast komt te staan dat [eiseres] op enig moment na 16 mei 2006 opnieuw eigenaar is geworden van de auto, moet vervolgens de vraag worden beantwoord of de vervreemding van de auto tijdens de beklagprocedure jegens [eiseres] onrechtmatig was.

De vervreemding was niet in strijd met het in opdracht van [eiseres] gelegde conservatoir beslag tot afgifte van de auto, omdat bij het leggen van dit beslag niet aan alle betekeningsvereisten is voldaan. Nu er eerder beslag op de auto was gelegd op de grondslag van het Wetboek van Strafvordering, was de beslaglegger op grond van artikel 702 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) in samenhang met artikel 457 lid 2 Rv verplicht het conservatoir beslag tot afgifte onverwijld te betekenen aan het parket van het openbaar ministerie bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de strafzaak op grond waarvan het strafvorderlijke beslag was gelegd, wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Niet is gesteld of gebleken dat betekening aan het parket van het openbaar ministerie heeft plaatsgevonden. Ter comparitie van 27 oktober 2009 heeft [eiseres] dan ook erkend dat het conservatoir beslag tot afgifte van onwaarde is. De nadien door [eiseres] bij akte na comparitie van partijen tevens houdende akte tot wijziging van eis en vermeerdering van eis overgelegde beslagstukken doen hieraan niet af.

Nu voor het overige niet gesteld of gebleken is dat de Staat niet gerechtigd was de auto te vervreemden, is de rechtbank van oordeel dat de vervreemding niet onrechtmatig was jegens [eiseres].

4.12. Een andere vraag is of de Staat de auto voor een te laag bedrag heeft vervreemd. Indien vast komt te staan dat [eiseres] op enig moment na 16 mei 2006 eigenaar van de auto is geworden, zou zij hierdoor schade kunnen hebben geleden. [eiseres] stelt dat de auto een bijzonder kostbaar en gewild exemplaar was, waarvan de reële handelswaarde ten tijde van de verkoop € 75.000,- was, althans ruim meer dan de verkoopprijs van € 49.350,-.

De Staat betwist dat de auto voor een onredelijk laag bedrag is vervreemd en wijst op de taxatie door Domeinen op 9 mei 2005 (€ 63.631,-) en de waardedaling van de auto als gevolg van tijdsverloop tussen de taxatie en de verkoop op 6 juni 2006 (ongeveer € 6.000,- op jaarbasis.

4.13. De rechtbank kan niet vaststellen wie van partijen op dit punt gelijk heeft. De bewijslast inzake de door [eiseres] ingenomen en door de Staat betwiste stelling dat de auto voor een te laag bedrag is vervreemd, rust op [eiseres], nu zij aan deze stelling rechtsgevolgen wil verbinden. De rechtbank zal [eiseres] daarom, op de wijze zoals hierna vermeld, toelaten tot bewijslevering.

Slotsom

4.14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiseres] zal worden toegelaten tot bewijslevering. [eiseres] zal in de gelegenheid worden gesteld om de rechtbank binnen twee weken na heden te berichten of, en zo ja op welke wijze, zij het bewijs wil leveren.

4.15. Voor zover [eiseres] het bewijs door middel van een deskundigenbericht wil leveren, geeft de rechtbank haar in overweging de rechtbank te verzoeken een of meer deskundigen te benoemen. In dat geval kan zij suggesties doen voor de persoon/personen van de te benoemen deskundige(n) en voor de vragen aan de deskundige(n). De Staat krijgt de gelegenheid daarop te reageren en evenzo suggesties te doen.

4.16. Voor zover [eiseres] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, zal het getuigenverhoor op het hierna vermelde tijdstip plaatsvinden. In geval van verhindering op dit tijdstip voor het getuigenverhoor dienen partijen hiervan binnen twee weken na heden melding te maken onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen in de periode van 15 mei tot 15 juni 2010. [eiseres] wordt verzocht om uiterlijk tien dagen vóór het tijdstip van het getuigenverhoor opgave te doen van de getuige(n) aan haar zijde.

4.17. Voor zover [eiseres] het bewijs door schriftelijke stukken wil leveren, dient zij afschriften hiervan uiterlijk op de hierna te melden datum aan de rechtbank en de wederpartij toe te zenden.

4.18. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. laat [eiseres] toe het onder 4.7 en 4.13 bedoelde bewijs te leveren;

5.2. bepaalt dat [eiseres] binnen twee weken na heden schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de sector civiel recht onder vermelding van het zaak- en rolnummer - en aan de Staat opgeeft of, en zo ja op welke wijze(n), zij het bewijs wil leveren;

5.3. bepaalt dat, indien [eiseres] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. H.F.M. Hofhuis in één van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te 's-Gravenhage op donderdag 29 april 2010 om 14.00 uur;

5.4. bepaalt dat [eiseres], indien zij het bewijs wil leveren door overlegging van schriftelijke stukken, afschriften hiervan uiterlijk op 15 april 2010 aan de griffie van de sector civiel recht (onder vermelding van het zaak- en rolnummer) en aan de Staat dient toe te zenden;

5.5. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2010.