Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8802

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
AWB 08/7512
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag OB 2002-2004 zonder boete. Verweerder heeft het verzoek van eiser om de behandeling van de bezwaren aan te houden totdat de tegen hem lopende strafzaak zou zijn afgerond dan wel toe te zeggen dat eventuele door eiser in de bezwaarfase verstrekte informatie niet zal worden aangewend ter onderbouwing van een eventuele op te leggen boete en ook niet in het kader van de strafzaak aan de Officier van Justitie of aan andere derden zal worden verstrekt, afgewezen. Eiser heeft vervolgens ervan afgezien te worden gehoord. Verweerder heeft met zijn afwijzing niet gehandeld in strijd met art. 6 EVRM, de Awb (zorgvuldigheidsbeginsel, belangenafweging, motiveringsplicht en hoorrecht) of algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eisers beroep op zijn zwijgrecht kan alleen in de strafzaak aan de orde komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0824
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08/7512 OB

Uitspraakdatum: 9 maart 2010

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Goes, verweerder.

I PROCESVERLOOP

1.1. Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 8.019 (aanslagnummer [nummer]).

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 september 2008 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 14 oktober 2008, op diezelfde dag per fax ontvangen door de rechtbank, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2010 te 's-Gravenhage. Namens eiser zijn daar verschenen [A] en [B]. Namens verweerder zijn verschenen [C] en [D].

1.5. Ter zitting zijn tevens behandeld de zaken met de nummers 08/7511 OB, 08/7513 OB, 08/7515 LB/PVV en 08/7516 LB/PVV. Al hetgeen in die zaken is aangevoerd en overgelegd geldt – voor zover van belang – tevens als aangevoerd en overgelegd in de onderhavige zaak.

II OVERWEGINGEN

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser exploiteerde in de jaren 2002 tot en met 2006 een onderneming in de vorm van een eenmansbedrijf. De activiteiten bestonden uit de in- en verkoop van bloembollen en het kweken en de verkoop van snijbloemen. Eiser was in de hiervoor genoemde periode tevens directeur en enig aandeelhouder van [...] B.V. (hierna: de B.V.). De activiteiten van de B.V. bestonden uit de inkoop, het ompakken, het telen en de verkoop van uien.

2.2. Op 17 maart 2006 is bij eiser en de B.V. een zogeheten derdenonderzoek als bedoeld in artikel 53 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) ingesteld. Tijdens dat onderzoek zijn in de administraties van eiser en van de B.V. facturen op naam van [E] en op naam van [F] (hierna: de facturen) aangetroffen. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft verweerder besloten bij eiser en de B.V. een boekenonderzoek in te stellen naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de jaren 2001 tot en met 2005. Het onderzoek is aangevangen op 16 mei 2006 met een bedrijfsbezoek. Aan het eind van het bedrijfsbezoek zijn de administraties van eiser en de B.V. over de jaren 2001 tot en met 2005 met toestemming van eiser meegenomen naar het kantoor van verweerder. Vervolgens is daar het boekenonderzoek daadwerkelijk uitgevoerd. In de loop van het boekenonderzoek is besloten dit uit te breiden tot – voor zover hier van belang – de aanvaardbaarheid van de aangiften loon- en omzetbelasting over de jaren 2001 tot en met 2006.

2.3. Naar aanleiding van de bevindingen in het boekenonderzoek is de zaak aangemeld bij de FIOD-ECD en is op 10 augustus 2006 een strafrechtelijk onderzoek tegen eiser en de B.V. gestart (hierna ook aangeduid als: de strafzaak). In het kader van het strafrechtelijk onderzoek is eiser op 6 maart 2007 aangehouden. Aan hem is toen meegedeeld waarvan hij werd verdacht en tevens is hem de cautie gegeven. Op diezelfde datum is aan hem de onderhavige naheffingsaanslag uitgereikt. Eiser heeft in de strafzaak (op onderdelen) gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht.

2.4. Op 7 maart 2004 heeft de Officier van Justitie aan verweerder schriftelijk toestemming verleend om gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek te gebruiken voor fiscale doeleinden.

2.5. Op 15 juni 2007 zijn de administraties van eiser en van de B.V. over de jaren 2001 tot en met 2005 teruggegeven en zijn de administraties van eiser en van de B.V. over 2006 ter controle meegenomen naar het kantoor van verweerder. Bij brieven van 2 en 4 juli 2007 heeft verweerder aan de gemachtigde van eiser op grond van artikel 47 AWR inlichtingen en documenten gevraagd betreffende de administratie van de B.V. over 2006. In reactie hierop heeft eisers gemachtigde verweerder bij brieven van 5 en 25 juli 2007 en van 4 oktober 2007 bericht dat verweerder zijns inziens niet bevoegd is tot onderzoek van de administraties over 2006 en heeft hij verweerder verzocht te bevestigen dat de gevraagde

inlichtingen en documenten niet zullen worden aangewend ter onderbouwing van een eventuele op te leggen boete en dat zij evenmin in het kader van de strafzaak aan de Officier van Justitie of aan andere derden zullen worden verstrekt. Verweerder heeft deze bevestiging niet gegeven en eiser heeft de gevraagde inlichtingen en documenten niet verstrekt. De administraties van eiser en van de B.V. over 2006 zijn op 6 juli 2007 bij eiser terugbezorgd.

2.6. Van het boekenonderzoek zijn twee controlerapporten opgemaakt, respectievelijk gedagtekend 23 mei 2007 (betreffende de periode 2001-2005) en 21 november 2007 (betreffende het jaar 2006). Beide rapporten zijn op 21 november 2007 aan (de gemachtigde van) eiser toegezonden. In de controlerapporten wordt op grond van het boekenonderzoek en het strafrechtelijk onderzoek kort gezegd het volgende geconcludeerd. De facturen zijn valselijk opgemaakt en opgenomen in de administratie van eiser en van de B.V. De op de facturen vermelde leveringen zijn gefingeerd en hebben nooit plaatsgehad. De op de facturen vermelde bedragen zijn in contanten bij de bank opgenomen en door eiser gebruikt voor de betaling van lonen aan zijn werknemers in de periode 2001 tot en met 2006. De op de facturen vermelde omzetbelasting is – tot een bedrag van € 63.312 door de B.V. en tot een bedrag van € 8.019 door eiser – als voorbelasting in aftrek gebracht.

Op grond van de hiervoor vermelde conclusies uit de controlerapporten heeft verweerder de op de facturen vermelde en door eiser in aftrek gebrachte omzetbelasting van hem nageheven.

2.7. In de bezwaarfase heeft eisers gemachtigde verweerder verzocht de afdoening van het bezwaarschrift aan te houden totdat de strafzaak zou zijn afgerond. Verweerder heeft dit verzoek bij brief van 14 februari 2008 afgewezen. Op 15 april 2008 heeft eisers gemachtigde in het kader van de bezwaarprocedure inzage gehad in het dossier van eiser. Eiser heeft in verband met de lopende strafzaak en na afwijzing van zijn hiervoor genoemde verzoek afgezien van de door verweerder geboden mogelijkheid om te worden gehoord.

2.8. Bij vonnis van de rechtbank Middelburg van 2 december 2009 is eiser strafrechtelijk veroordeeld wegens – kort gezegd – het opzettelijk (laten) doen van onjuiste aangiften omzetbelasting (door de B.V.) en onjuiste en/of onvolledige aangiften loonbelasting/premie volksverzekeringen (door eiser) over de jaren 2001 tot en met 2005, alsmede wegens valsheid in geschrift (door de B.V.) door in de jaren 2001 tot en met 2005 118 facturen valselijk te laten opmaken. Eiser is vrijgesproken van het ten laste gelegde opzettelijk niet verstrekken van inlichtingen en gegevens en/of het opzettelijk niet voor raadpleging beschikbaar stellen van (de inhoud van) boeken, bescheiden of andere gegevensdragers.

3. Geschil

3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd en voorts of de uitspraak op bezwaar is gedaan in strijd met de Awb, algemene beginselen van behoorlijk bestuur en/of artikel 6 EVRM.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

3.3. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot terugwijzing van de zaken naar verweerder dan wel vernietiging of althans vermindering van de naheffingsaanslagen.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Overwegingen

4.1. Aan zijn standpunt dat de zaken moeten worden teruggewezen naar verweerder heeft eiser – kort gezegd – het volgende ten grondslag gelegd.

De strafzaak had betrekking op dezelfde periode en dezelfde feiten als het boekenonderzoek en de naheffingsaanslagen. De strafzaak en de fiscale procedure zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Eiser heeft zich in de strafzaak beroepen op zijn zwijgrecht. Dit zwijgrecht is alleen gewaarborgd als eiser niet in de fiscale procedure wordt "gedwongen" om verklaringen af te leggen of informatie te verstrekken die mogelijk in de strafzaak tegen hem kan worden gebruikt. Eiseres doet in dit verband een beroep op EHRM 4 oktober 2005, nr. 6563/03 (arrest-Shannon). Door het opleggen van de naheffingsaanslagen is op eiser impliciet dwang uitgeoefend om verklaringen af te leggen of informatie te verstrekken die mogelijk in een strafzaak tegen hem kan worden gebruikt. Eiser heeft zich aldus in de bezwaarfase niet adequaat kunnen verdedigen, hetgeen in strijd is met de beginselen van fair play en van hoor en wederhoor.

Verweerder heeft het verzoek van eiser om de behandeling van de bezwaren aan te houden totdat de strafzaak zou zijn afgerond dan wel toe te zeggen dat eventuele verstrekte informatie niet zal worden aangewend ter onderbouwing van een eventuele op te leggen boete en ook niet in het kader van de strafzaak aan de Officier van Justitie of aan andere derden zal worden verstrekt, afgewezen. Met deze afwijzing heeft verweerder een onjuiste belangenafweging gemaakt (art. 3:4 Awb), omdat hij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het zwijgrecht van eiser in de strafzaak en met het recht van hoor en wederhoor. De afwijzing is bovendien is strijd met de artikelen 3:2 Awb (zorgvuldigheidsbeginsel) en 7:2 Awb (hoorrecht).

4.2. De rechtbank overweegt met betrekking tot dit standpunt als volgt.

4.2.1. Voorop moet worden gesteld dat op geschillen die – zoals hier – uitsluitend betrekking hebben op belastingaanslagen niet het bepaalde in artikel 6 EVRM van toepassing is (HR 11 december 2009, nr. 08/4645, LJN: BK5986). In de onderhavige procedures kan eiser derhalve niet met succes een beroep doen op de door dit artikel gewaarborgde rechten. Het arrest-Shannon doet daar niet aan af, aangezien in die zaak zelf

– anders dan in de onderhavige zaken – sprake was van een met een strafsanctie bedreigde verplichting tot het verstrekken van informatie.

4.2.2. De vraag of, en zo ja in hoeverre, het aan eiser in de strafzaak toekomende zwijgrecht is geschonden, is een vraag die alleen in de strafzaak aan de orde had kunnen komen (vgl. HR 27 februari 2004, nr. 37 465, LJN: AF5556, BNB 2004/225).

4.2.3. De klacht dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor faalt reeds, omdat dit beginsel, als behorende tot de beginselen van behoorlijk procesrecht, slechts van toepassing is op de procedure voor de rechter.

4.2.4. De rechtbank verwerpt eveneens eisers standpunt dat bij de totstandkoming van de uitspraak op bezwaar sprake is geweest van schending van het beginsel van fair play of het zorgvuldigheidsbeginsel, een onjuiste belangenafweging of van schending van eisers recht om te worden gehoord. Verweerder heeft van meet af aan het verzoek van eiser om de behandeling van het bezwaar aan te houden totdat de strafzaak zou zijn afgerond dan wel toe te zeggen dat eventuele verstrekte informatie niet zal worden aangewend ter onderbouwing van een eventuele op te leggen boete en ook niet in het kader van de strafzaak aan de Officier van Justitie of aan andere derden zal worden verstrekt, afgewezen. Hij heeft dat ook gemotiveerd aan eisers gemachtigde meegedeeld – onder meer in zijn brieven van 14 februari 2008 en 19 juni 2008 – en eiser in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Uit het overwogene onder 4.2.1 en 4.2.2 volgt dat verweerder daarbij terecht het standpunt heeft ingenomen dat de strafzaak tegen eiser geen afdoende reden vormt om het bezwaar in de fiscale procedures aan te houden en voorts dat er geen reden was om de door eiser gevraagde toezegging omtrent het aanwenden van eventuele verstrekte informatie te doen. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat verweerder het beginsel van fair play heeft geschonden, onzorgvuldig heeft gehandeld of een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt door niet te voldoen aan eisers verzoek. Dat eiser, die werd en wordt bijgestaan door een ter zake kundig advocaat, destijds een andere inschatting heeft gemaakt van de door hem te lopen risico's indien hij informatie aan verweerder zou verstrekken, is een omstandigheid die voor zijn rekening komt. Hetzelfde geldt voor eisers eigen keuze om af te zien van de hem geboden gelegenheid om te worden gehoord. Van schending van het hoorrecht is dan ook geen sprake.

4.2.5. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de rechtbank geen aanleiding ziet de uitspraak op bezwaar te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar verweerder.

4.3. De in geschil zijnde naheffingsaanslag heeft betrekking op als voorbelasting in aftrek gebrachte omzetbelasting. De stelplicht en de bewijslast inzake de juistheid van die aftrek rusten op eiser, ook zonder omkering van de bewijslast.

4.4. Verweerder heeft de geclaimde en verleende aftrek gemotiveerd betwist. Gezien de inhoud van de door verweerder als bijlagen 1 tot en met 23 bij het verweerschrift gevoegde bijlagen acht de rechtbank, voor zover dit door eiser nog wordt betwist, aannemelijk dat de facturen valselijk zijn opgemaakt en dat de daarop vermelde leveringen niet hebben plaatsgehad.

4.5. Het hiervoor overwogene brengt mee dat niet is voldaan aan de in artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 aan aftrek gestelde voorwaarde dat de belasting door een ondernemer in rekening is gebracht ter zake van door deze jegens eiser verrichte prestaties. De op de facturen vermelde en door eiser in aftrek gebrachte omzetbelasting is derhalve terecht nageheven.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. Ebbeling, mr. T. van Rij en mr. A. Zonneveld, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. Holdert.

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.