Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8548

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
23-03-2010
Zaaknummer
360256 KG ZA 10-259
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voldoet de door eiser gewenste plaats van de buitenbrievenbus, op 2,3 meter afstand van de openbare weg en in de heg van zijn tuin, aan het in artikel 5 lid 1 van de Postregeling 2009 opgenomen vereiste dat een buitenbrievenbus zo dicht mogelijk bij de openbare weg moet worden geplaatst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 23 maart 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 360256 / KG ZA 10-259 van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.S. Douma te Rijswijk,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Koninklijke TNT Post B.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. F. Diepraam te Haarlem.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 16 maart 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Eiser heeft op 26 november 2008 een klacht ingediend bij de geschillencommissie Post (hierna: de geschillencommissie) met betrekking tot het plaatsen van een buitenbrievenbus op zijn woonadres.

1.2. Bij Bindend Advies van de geschillencommissie van 3 augustus 2009 (hierna: het bindend advies) heeft de geschillencommissie het verzoek van eiser, om vast te stellen dat hij niet verplicht is een buitenbrievenbus te plaatsen en dat gedaagde de post in de brievenbus in zijn voordeur moet blijven bezorgen, afgewezen. In het bindend advies wordt, voor zover hier relevant, overwogen:

“Vast staat dat de brievenbus in de voordeur van de woning van de consument zich op meer dan 10 meter van de openbare weg bevindt. Op grond van het bepaalde in de Postwet en het Besluit brievenbussen (die op 1 april 2009 is vervangen door de Postregeling 2009) dient de consument in dat geval zo dicht mogelijk bij de openbare weg een buitenbrievenbus te plaatsen.

De praktische redenering van de consument, hoe voorstelbaar ook, leidt niet tot een ander oordeel. Van TNT Post kan in redelijkheid niet worden verlangd dat in ieder individueel geval wordt bezien of afwijking van de objectieve norm (10 meter vanaf de openbare weg) gerechtvaardigd is. Individuele belangen van consumenten zijn immers reeds meegewogen bij de keuze voor de norm van 10 meter. Bovendien kan een bestaande situatie, zoals TNT Post terecht heeft aangevoerd, op ieder gewenst moment door de consument zelf worden gewijzigd.”

1.3. Gedaagde heeft in de brief van 13 oktober 2009 eiser verzocht om zijn brievenbus op basis van het bindend advies uiterlijk per 13 november 2009 aan te passen.

1.4. Bij brief van 19 november 2009 heeft gedaagde aan eiser medegedeeld dat de brievenbus van eiser nog steeds niet voldoet aan de wettelijke eisen. Tevens wordt medegedeeld dat gedaagde hierdoor genoodzaakt is de postbezorging op het adres van eiser stop te zetten met ingang van 23 november 2009.

1.5. Bij brief van 14 december 2009 heeft gedaagde onder meer aan eiser medegedeeld dat de door eiser geplaatste buitenbrievenbus niet zo dicht mogelijk aan de openbare weg is geplaatst. Tevens wordt aangegeven dat de buitenbrievenbus van eiser op circa 2,5 meter afstand staat en bovendien zodanig in de heg is geplaatst dat deze voor de postbezorgers uit het zicht staat. Gedaagde verzoekt eiser de buitenbrievenbus uiterlijk maandag 4 januari 2010 zo dicht mogelijk en in het zicht aan de openbare weg te plaatsen.

1.6. Bij e-mail van 10 februari 2010 heeft gedaagde aan de advocaat van eiser onder meer medegedeeld dat eiser de buitenbrievenbus weer op de “oude plek” heeft geplaatst en dat gedaagde zich daarom genoodzaakt ziet de post voor eiser met onmiddellijke ingang als onbestelbaar aan te merken.

1.7. Vanaf 10 februari 2010 wordt er geen post meer bezorgd bij eiser.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiser vordert – zakelijk weergegeven – gedaagde te gelasten de postbestelling onmiddellijk te hervatten, op straffe van een dwangsom, alsmede gedaagde te veroordelen in de proceskosten.

2.2. Daartoe voert eiser in hoofdzaak – samengevat – het volgende aan. Gedaagde stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de plaats van de buitenbrievenbus op 2,3 meter afstand van de openbare weg niet aan de wettelijke eisen voldoet. Op grond van artikel 5 van de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 22 maart 2009, houdende regels betreffende de universele postdienst 2009 (hierna: Postregeling 2009) moet een buitenbrievenbus zo dicht mogelijk bij de rijbaan van een openbare weg geplaatst worden. Uit de brief van de minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer van 9 juni 2005 volgt dat het aan de ontvanger van de post is om een geschikte plaats voor de buitenbrievenbus te vinden. De plaats van de buitenbrievenbus op 2,3 meter afstand van de openbare weg is de meest geschikte plek die zo dicht mogelijk bij de openbare weg ligt. Van eiser kan in redelijkheid niet verlangd worden dat hij de buitenbrievenbus dichter bij de openbare weg moet plaatsen, omdat daarmee schade wordt toegebracht aan de beplanting. Nu eiser vanaf 10 februari 2010 geen post meer ontvangt dreigt hij schade te lijden en heeft hij een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Nu eiser sinds 10 februari 2010 geen post meer ontvangt, is de spoedeisendheid bij de gevraagde voorziening voldoende gegeven.

3.2. Kern van het geschil is de vraag of de door eiser gewenste plaats van de buitenbrievenbus, te weten op 2,3 meter afstand van de openbare weg en in de heg van zijn tuin, voldoet aan het in artikel 5 lid 1 van de Postregeling 2009 opgenomen vereiste dat een buitenbrievenbus zo dicht mogelijk bij de openbare weg moet worden geplaatst. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Hiertoe is het volgende van belang.

3.3. Gedaagde heeft ter zitting gemotiveerd uiteengezet dat er mogelijkheden zijn om de buitenbrievenbus dichter bij de openbare weg te plaatsen dan de door eiser gewenste plaats voor de buitenbrievenbus. Zo kan de buitenbrievenbus op het muurtje van de tuin van eiser geplaatst worden of kan de buitenbrievenbus achter dit muurtje geplaatst worden, waarbij de aanwezige heg dan iets gesnoeid moet worden. In reactie hierop heeft eiser ter zitting verklaard dat hij niet aan deze mogelijkheden heeft gedacht, maar dat hij deze opties niet ideaal vindt. Eiser wil namelijk niet dat de buitenbrievenbus zó dicht bij de openbare weg geplaatst wordt, omdat dan het risico bestaat dat de buitenbrievenbus door passanten bijvoorbeeld als afvalbak gebruikt zal worden.

Anders dan eiser stelt volgt uit de onder 2.2 genoemde brief van de minister van Economische Zaken van 9 juni 2005 (productie 7 van de zijde van eiser) niet zonder meer dat het eiser vrijstaat om te bepalen welke plaats geschikt is voor de plaatsing van de buitenbrievenbus. Weliswaar is in deze brief opgenomen dat het “aan de ontvanger van post” is om een geschikte plaats te vinden voor de brievenbus, maar gedaagde heeft gemotiveerd uiteengezet dat deze passage gaat over de situatie waarin zich tussen het erf van de geadresseerde en de openbare weg nog een ander(e) weg, erf of stuk grond van een derde bevindt. Dat deze situatie zich hier voordoet, is gesteld noch aannemelijk geworden.

Daarnaast heeft gedaagde betoogd dat het ook mogelijk is om een brievenbus aan de gevel van de woning van eiser te bevestigen. Dit dient dan wel op een deugdelijke wijze te geschieden. In deze situatie voldoet eiser aan het bepaalde van artikel 5 lid 4 van de Postregeling 2009 en kan de postbezorging dus weer hervat worden, aldus nog steeds gedaagde. Eiser heeft ter zitting echter desgevraagd verklaard dat hij geen brievenbus aan de gevel van zijn woning wil bevestigen.

3.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat er alternatieven voor eiser bestaan om de buitenbrievenbus dichter bij de openbare weg te plaatsen dan de door hem gewenste plek. Voorts kan eiser een brievenbus aan de gevel van zijn woning bevestigen, zodat hij voldoet aan het bepaalde in artikel 5 lid 4 van de Postregeling 2009. Nu eiser voor geen van deze mogelijkheden kiest, komt deze keuze in het kader van dit kort geding voor risico van eiser. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het ervoor dient te houden dat eiser niet voldoet aan de eisen van de Postregeling 2009. De vordering van eiser is dan ook niet toewijsbaar.

3.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van eiser zal worden afgewezen. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst af de vordering;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.079,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 263,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2010.

Adz