Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8497

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2010
Datum publicatie
22-03-2010
Zaaknummer
Awb 09-26841 en 09-26842
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / beleid verwesterde vrouwen / positie in Nederland geboren Afghaanse meisjes / motiveringsgebrek

De rechtbank concludeert dat verweerder, gelet op de bijzonder ernstige situatie van vrouwen in Afghanistan, welke in de afgelopen periode verder is verslechterd, in de bestreden besluiten niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom van eiseres en haar dochters kan worden gevergd dat zij naar Afghanistan (terug)gaan en zich aanpassen aan de Afghaanse levensstijl. De verwijzing naar het beleid is daartoe onvoldoende, nu in het beleid niet wordt ingegaan op de positie van Afghaanse meisjes die in Nederland zijn geboren en getogen en het beleid ruimte openlaat om af te wijken van de hoofdregel dat vrouwen zich dienen aan te passen aan de levensstijl in Afghanistan. In het bijzonder had verweerder specifiek moeten ingaan op de positie van de beide dochters van eisers. Zij zijn in Nederland geboren. Voor hen geldt niet zonder meer dat zij zich bij terugkeer naar Afghanistan “wederom” zullen kunnen accommoderen. Evenmin is verweerder ingegaan op de gevolgen van de nieuwe wetgeving voor Shia vrouwen in Afghanistan, welke wetgeving reeds ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten in voorbereiding was. Aldus zijn de bestreden besluiten in zoverre genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Rechtbank

Zaaknummers: Awb 09/26841 en 09/26842

Uitspraak in het geschillen tussen:

[Eiser 1],

geboren op [geboortedatum],

V-nummer: [xxx],

eiser,

en

[Eiseres 2],

geboren op [geboortedatum],

V-nummer: [xxx],

eiseres,

mede namens hun twee minderjarige dochters

[dochter 1],

geboren op [datum] 2003,

V-nummer: [xxx],

en

[dochter 2],

geboren op [datum] 2008,

V-nummer: [xxx],

allen van Afghaanse nationaliteit,

gemachtigde: mr. H.J. Janse, advocaat te Groningen,

en

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. J.P. Guérain, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. Op 2 april 2008 hebben eisers aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij besluiten van 29 juni 2009 afwijzend op de aanvragen beslist.

1.2. Op 24 juli 2009 hebben eisers hiertegen beroepen ingesteld. Op 5 oktober 2009 zijn de gronden van de beroepen ingediend.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eisers toegezonden en hen in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft op 20 november 2009 een verweerschrift ingediend.

1.4. De beroepen zijn behandeld ter openbare zitting van 1 december 2009. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.R. de Vos. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

1.5. Bij brief van 14 december 2009 heeft de rechtbank partijen bericht dat het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is heropend.

1.6. Op 11 januari 2010 hebben eisers nog nadere gronden van beroep ingediend.

1.7. De beroepen zijn vervolgens behandeld ter zitting van een meervoudige kamer van de rechtbank op 22 januari 2010. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.P. Guérain. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen.

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Eisers hebben eerder, te weten op 27 oktober 2001, aanvragen ingediend om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel. Eiser heeft verklaard dat hij als shi’itisch moslim problemen heeft met de Taliban en zijn broer is meegenomen door de Taliban. Bij besluiten van 18 maart 2003 zijn deze aanvragen afgewezen omdat eisers niet aannemelijk hebben kunnen maken dat zij in de negatieve belangstelling van de van de Afghaanse autoriteiten staan. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Leeuwarden, heeft bij uitspraak van 11 mei 2005 de hiertegen gerichte beroepen van 14 april 2003 ongegrond verklaard.

2.2. Eisers hebben aan hun, thans aan de orde zijnde, herhaalde aanvragen van 2 april 2008 ten grondslag gelegd dat eiser uit Afghanistan documenten heeft ontvangen, waarin is vermeld dat hij door de Hezb-e-Wahdat beschuldigd wordt van betrokkenheid bij de Taliban. Eiser stelt dat zijn vader om deze reden is vermoord. Eisers hebben een verklaring van de wijkvertegenwoordiger overgelegd. Daarnaast wijzen eisers op de verslechterde veiligheidssituatie in Afghanistan die ertoe zou behoren te leiden dat er een categoriaal beschermingsbeleid wordt ingesteld voor personen afkomstig uit Afghanistan. Eisers verwijzen in dit kader naar de ambtsberichten van januari en augustus 2007, het jaarrapport van Human Right Watch van januari 2008, de Richtlijn van de UNHCR van 31 december 2007 en een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen van 19 oktober 2007.

In de aanvullende zienswijze is daarnaast gewezen op de positie van vrouwen in Afghanistan, waarbij in het bijzonder is gewezen op de leeftijd van de oudste dochter van eisers, de omstandigheid dat zij in Nederland is opgegroeid en ook eiseres zich heeft aangepast aan de Nederlandse cultuur.

2.3. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d en f Vw 2000. Blijkens een proces verbaal van de KMar van 3 april 2008 is de door eiser overgelegde verklaring van de wijkvertegenwoordiger vals. Volgens verweerder hebben eisers evenwel volhard in de echtheid van het document. Daarnaast heeft verweerder eisers het niet overleggen van een huwelijksakte en van taskera’s tegengeworpen. Verweerder is van mening dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht mist. Verweerder acht de gestelde beschuldiging van lidmaatschap van of banden met de Taliban en de gestelde problemen met de Hezb-e-Wahdat ongeloofwaardig. Ook kan niet gezegd worden dat de Hazara’s waartoe eisers behoren in Mazar-e-Sharif een kwetsbare minderheid vormen.

Wat betreft de positie van vrouwen in Afghanistan is in de bestreden besluiten overwogen dat het landgebonden asielbeleid er vanuit gaat dat als vrouwen en meisjes voor hun vertrek niet zijn “gebrandmerkt” als verwesterd, dat wil zeggen dat zij voor hun vertrek geen zwaarwegende problemen hebben ondervonden vanwege hun westerse levensstijl, mag worden verwacht dat zij zich bij terugkeer aanpassen aan de gewoonten ter plaatse, teneinde een schending van artikel 3 EVRM te voorkomen. Dat geldt temeer in de situatie van eisers, waarin op geen enkel moment sprake is geweest van een stabiele verblijfspositie in Nederland. Eiseres heeft in Afghanistan geen westerse levensstijl ten toon gespreid en ook geen problemen in dat verband meegemaakt. Derhalve mag van eiseres en haar dochters worden verwacht dat zij zich bij terugkeer accommoderen aan de in Afghanistan geldende gewoonten.

Verder verwerpt verweerder het beroep dat eisers hebben gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG (de Definitierichtelijn). Verweerder is mening dat in het gebied waar eisers vandaan komen, Mazar-e-Sharif, in het noorden van Afghanistan geen sprake is van een intern gewapend conflict. Evenmin is hier voor eisers sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 17 februari 2009 (JV 2009/111). Ook overigens komen eisers, in de visie van verweerder, niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op een van de gronden van artikel 29 van de Vw 2000.

2.4. Eisers stellen zich in beroep op het standpunt dat ten opzichte van de vorige aanvragen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Daartoe is ondermeer gewezen op de verslechterde veiligheidssituatie in Afghanistan.

Volgens eisers leidt hun uitzetting tot schending van artikel 3 EVRM vanwege de problemen die eiser en zijn familie heeft ondervonden van de Hezb-e-Wahdat en de omstandigheid dat eiseres en haar dochters zich hebben aangepast aan de Nederlandse cultuur. Eiseres en haar dochters zijn van mening zijn dat hen bij terugkeer in Afghanistan een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 EVRM te wachten staat indien zij zich zo gedragen zoals zij dat in Nederland doen. Dit zou slechts voorkomen kunnen worden indien zij afstand doen van hun rechten om zich als zelfstandige vrouw in het openbare teven te begeven. Eisers betwisten dat eiseres en haar dochters zich maar moeten aanpassen aan de normen van Afghanistan. Zij achten dit onredelijk nu vrouwen in Afghanistan stelselmatig worden achtergesteld en gediscrimineerd. Onlangs is er nog een wet van kracht geworden die dit bevestigd. Daarnaast stellen eisers dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat zij behoren tot de minderheidsgroepering der Hazara’s. Eisers menen dat zij moeten worden beschouwd als risicogroep en als kwetsbare minderheidsgroep. Voor hen zal dus reeds met geringe indicaties aangenomen moeten worden dat sprake is van een situatie waarin is aangetoond dat vergunningverlening op zijn plaats is.

Ten slotte voeren eisers in beroep aan dat zij vanwege de slechte veiligheidssituatie in Afghanistan in aanmerking dienen te komen voor bescherming krachtens artikel 15 aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn dan wel artikel 29, eerste lid, onder d Vw 2000.

2.5. In het verweerschrift heeft verweerder, in aanvulling op het bestreden besluit, toegelicht de aanvraag van eisers niet te hebben afgedaan met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat het beleid inzake Afghanistan sinds de vorige beslissing in de zaak van eisers (van 18 maart 2003) zodanig is veranderd dat er een relevante wijziging van recht is die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigt.

2.6. Ter zitting is van verweerders zijde desgevraagd verklaard dat wel wordt getwijfeld aan de identiteit en nationaliteit van eisers maar niet wordt getwijfeld aan hun herkomst uit Mazar-e-Sharif, in de provincie Balkh in Afghanistan.

Beoordeling van de beroepen

2.7. Vooropgesteld moet worden dat met de uitspraak van 11 mei 2005 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Leeuwarden, in rechte is komen vast te staan dat verweerder op goede gronden heeft besloten dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 Vw 2000. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) -onder meer de uitspraak van 8 oktober 2007, AB 2007,378- volgt dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het door de ABRS gehanteerde beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45) voordoen, staat voornoemd beoordelingskader evenmin in de weg aan een rechterlijke toetsing van het besluit als ware het een eerste afwijzing.

2.8. De rechtbank constateert allereerst dat de onderhavige aanvragen van eisers voor zover het hun minderjarige dochters betreft eerste asielaanvragen zijn. Met betrekking tot de aanvragen van eiser en eiseres is de rechtbank van oordeel dat uit de door eisers aangehaalde stukken blijkt dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan ten tijde van de thans bestreden besluiten ten opzichte van de situatie ten tijde van de besluiten van 18 maart 2003 zodanig is verslechterd dat niet op voorhand is uitgesloten dat deze verslechterde situatie kan afdoen aan de eerdere besluiten in zoverre die zien op artikel 29, eerste lid onder b en d Vw 2000. Dit brengt met zich dat de bestreden besluiten, de motivering ervan en de wijze waarop ze tot stand zijn gekomen inzoverre door de bestuursrechter kunnen worden getoetst als ware het eerste afwijzingen. De rechtbank voelt zich gesteund in dit oordeel door de uitspraak van de AbRS van 7 december 2009 (200802177/1/V2, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl , LJN: BK6136).

2.9. Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder b, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.10. Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlenen vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover verweerder aannemelijk te maken. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, van dat artikel, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan heeft volgehouden. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van dat artikel, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het bepaalde in artikel 31, tweede lid onder d en f Vw 2000 heeft tegengeworpen. De rechtbank gaat er vanuit dat de door eiser overgelegde verklaring van de wijkvertegenwoordiger vals is, nu het rapport van de KMar moet worden aangemerkt als een deskundigenadvies en door eiser geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het advies zijn aangedragen. Eiser heeft volhard in de echtheid van deze verklaring. Verder is niet in geschil dat eisers toerekenbaar geen huwelijksakte en geen taskara hebben overgelegd. De door eisers in beroep overgelegde documenten kunnen daar niet aan afdoen. Dat betekent dat volgens de jurisprudentie van de AbRS van hun asielrelaas een positieve overtuigingskracht dient uit te gaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voor wat betreft de door eiser gestelde problemen met de Hezb-e-Wahdat in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hiervan geen sprake is. Niet alleen is het door eiser ingebrachte document vals bevonden, maar ook is zijn nieuwe asielrelaas in tegenspraak met het relaas van eiser in de eerste procedure. In de eerste procedure heeft eiser verklaard te vrezen voor de Taliban en te vrezen dat zijn broer was meegenomen door de Taliban. In de eerste procedure heeft eiser niets verklaard over problemen van hemzelf of zijn familie met de Hezb Whadat. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat niet valt in te zien waarom hij zeven jaar later ineens beschuldigd zou worden van lidmaatschap van de Taliban. Ook hetgeen verweerder heeft overwogen met betrekking tot de gestelde moord op zijn vader en het late tijdstip waarop hij daar kennis van zou hebben gekregen en de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheid in eisers verklaring over het tijdstip van zijn laatste contact met zijn zus kan de ten deze geldende rechterlijke toets doorstaan.

2.12. Niet in geschil is dat eisers Hazara zijn. Eisers hebben echter niet bestreden dat Hazara’s in het gebied waar zij vandaan komen, Mazar-e-Sharif, geen minderheid vormen. Derhalve zijn zij, zoals verweerder terecht heeft overwogen, niet als behorend tot een kwetsbare minderheidsgroep in de zin van het landgebonden asielbeleid (C24/1/3/2/1 Vreemdelingencirculaire 2000) te beschouwen. Eisers hebben ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege de enkele omstandigheid dat zij Hazara zijn bij uitzetting een reëel risico lopen op een behandeling als bedoeld in artikel 29, aanhef en onder b, Vw 2000.

2.13. Met betrekking tot de stelling in beroep dat eiseres dat en haar dochters vanwege de aanpassing aan de Nederlandse levensstijl in aanmerking moeten komen voor een verblijfsvergunning overweegt de rechtbank het volgende.

2.14. In het beleid van verweerder, zoals neergelegd in paragraaf C24/1/3.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, wordt uitgegaan van het volgende. Blijkens het ambtsbericht is de situatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan buitengewoon slecht. In heel Afghanistan, Mazar-i-Sharif incluis, komt op grote schaal geweld tegen vrouwen voor. Voor zover vrouwen al de kans krijgen hun zaak juridisch aanhangig te maken, biedt het gerechtelijk apparaat geen bescherming. Vrouwen hebben niet dezelfde rechten als mannen. De toegang voor vrouwen tot de gezondheidszorg en het onderwijs is slecht. Blijkens de inhoud van het ambtsbericht is er meer in het algemeen een risico voor vrouwen die de geldende sociale zeden overschrijden of waaraan dergelijk gedrag wordt toegeschreven. Wanneer een individuele asielzoekster aannemelijk maakt dat zij vanwege haar levensstijl zwaarwegende problemen heeft ondervonden in Afghanistan en deze problemen (mede) aanleiding zijn geweest voor het vertrek, kan dit voldoende zijn om op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Voorts geeft het ambtsbericht aan dat UNHCR meent dat van Afghaanse vrouwen die na hun vertrek een westerse levensstijl hebben aangenomen die als overtreding van de in Afghanistan geldende sociale zeden wordt aangemerkt, niet kan worden verlangd terug te keren. Overtreding van de geldende sociale normen kan blijkens het ambtsbericht voor het betrokken individu ernstige gevolgen hebben. Hoewel dit zo is, zal het aannemen van een andere levensstijl na het vertrek uit het land van herkomst in de regel toch niet leiden tot verblijfsaanvaarding. Immers het feit dat betrokkene in Nederland gebruik heeft gemaakt van mogelijkheden en rechten van de Nederlandse samenleving betekent niet dat zij zich bij terugkeer niet wederom zal kunnen accommoderen. De omstandigheid dat betrokkene zich bij terugkeer niet op gelijke wijze kan uiten of ontplooien als in Nederland is daarbij onvoldoende grond om tot vergunningverlening over te gaan, aldus het beleid van verweerder.

2.15. Ter ondersteuning van hun beroep hebben eisers in het bijzonder verwezen naar de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken van 28 februari 2008 en maart 2009, de Eligibility Guidelines van juli 2009 van de United High Commissioner for Human Rights (UNHCR), het rapport ‘Silence is Violence’ van de United Nations Assistence Mission in Afghanistan (UNAMA) van 8 juli 2009 en een persbericht van Human Rights Watch (HRW) van 13 augustus 2009. In de aanvullende gronden van beroep van 11 januari 2010 hebben eisers voorts verwezen naar het rapport ‘Knowledge on Fire: attacks on education in Afghanistan’ van de Coordination of Afghan Relief (CoAR) en het rapport ‘We Have the Promises of the World: Women’s Rights in Afghanistan’ van HRW van 6 december 2009.

In het ambtsbericht van maart 2009 is onder meer het volgende opgenomen:

‘Hoewel de positie van de Afghaanse vrouw sinds de verdrijving van de Taliban is verbeterd, staan zij wereldwijd nog steeds onderaan op vrijwel elke indicator van Human Development Index. (p. 89) (…) Vrouwen worden gediscrimineerd op zowel juridisch als sociaal gebied. (…)

Desondanks blijft de situatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan en vooral buiten Kaboel en andere grote steden, buitengewoon slecht. Geweld tegen vrouwen is diepgeworteld in de Afghaanse samenleving. Door de moeilijke economische situatie verslechtert de positie van vrouwen verder. Doordat de veiligheidssituatie in de verslagperiode is verslechterd en de invloed van fundamentalistische krachten is toegenomen, wordt de handhaving van rechten voor vrouwen allerminst gewaarborgd. (p. 90) (…)

De grondwet van Afghanistan stelt dat mannen en vrouwen gelijk zijn, maar in de praktijk is het met deze rechtsgelijkheid slecht gesteld. De positie van de vrouw wordt voor een groot deel bepaald door de toepassing van strikte tradities. Zo bestaan er geen officiële kledingvoorschriften voor vrouwen, maar dragen veel vrouwen toch een boerka, daar ze dan minder risico lopen te worden aangevallen. Veel vrouwen worden ook door hun omgeving gedwongen een boerka te dragen. De status van vrouwen is laag en ze worden gezien als eigendom van de man. Ook hebben vrouwen structureel te lijden onder (traditionele) toepassing van de shari’a. Het komt voor dat vrouwen en meisjes vervolgd worden voor daden die onder het Afghaanse recht niet als misdaad staan omschreven. (p. 91) (…)

Ook wat betreft toegang tot onderwijs hebben vrouwen in de praktijk een achtergestelde positie. In theorie hebben zowel jongens als meisjes toegang tot onderwijs. Het hangt met name af van de familie af of meisjes daadwerkelijk naar school kunnen. Ook in gebieden waar de veiligheidssituatie het toestaat, komt het voor dat mannelijke familieleden meisjes verbieden naar school te gaan.

Net als in de vorige verslagperiode is er een hele reeks van aanslagen gepleegd op met name meisjesscholen. Scholen, meisjes en leraren werden voornamelijk door Taliban en strijders van Hekmatyar aangevallen. Het is moeilijk om vrouwelijke docenten te vinden die bereid zijn onder dergelijke omstandigheden te werken en zonder vrouwelijke docenten mogen meisjes niet naar school. In november 2008 werden acht schoolmeisjes en vier vrouwelijke docenten in Kandahar-stad verminkt nadat Taliban zuur in hun gezicht spoten. Direct na de aanslag zouden veel ouders hun dochters niet meer naar school sturen, uit vrees voor nieuwe aanslagen. (p. 92)

In heel Afghanistan, de steden Kaboel, Herat en Mazar-i-Sharif incluis, komt op grote schaal geweld tegen vrouwen voor. De misdrijven waarvan vrouwen en meisjes het slachtoffer worden zijn heel divers. In de eerste plaats hebben vrouwen vooral in de rurale gebieden te lijden onder huiselijk geweld. Geweld tegen vrouwen wordt gezien als een privé-zaak. In de tweede plaats sluimert voor vrouwen in Afghanistan de continue dreiging van seksueel geweld. Die dreiging komt zowel van echtgenoten als van andere mannen (vooral lokale commandanten en politieagenten). Het aantal verkrachtingen van zeer jonge meisjes zou toenemen in Afghanistan. In de derde plaats bestaat in Afghanistan een levendige vrouwenhandel. In de vierde plaats komen zaken als bloedwraak; ‘bad’p en ‘zina’(overspel)-misdrijven nog steeds voor. (…) (p. 93)

Gearrangeerde huwelijken zijn wijdverbreid in Afghanistan. Volgens een rapport van UNHCR wordt 57 procent van alle meisjes voor haar 16e verjaardag uitgehuwelijkt. Volgens het Afghaanse wetboek mogen meisjes trouwen vanaf hun 15e levenjaar, maar vaak worden zij al op veel jongere leeftijd gedwongen in het huwelijk te treden, zonder op wettelijke bescherming te kunnen rekenen (…) Veel meisjes worden gedwongen met een oudere man te trouwen of met een lokale commandant ter ‘bescherming’ van de familie. Dit kan al plaatsvinden vanaf de leeftijd van zeven jaar. (…) (p. 94)’

In de UNHCR Eligibility Guidelines van juli 2009 is onder meer het volgende opgenomen:

‘Cases of physical violence perpetrated against women and girls in Afghanistan have increased by about 40 percent in the period from March 2007 to March 2008. Existing figures indicate that currently up to 80 percent of Afghan women are affected by domestic violence. (…) Forced and child marriages continue to be widely practiced in Afghanistan, and can occur in a variety of forms. (…) Access to education for girls is also severely curtailed. According to the Ministry of Education and aid agencies over five million school-age children (three million of them girls) have been deprived of education as a consequence of conservative customs, poverty, lack of education facilities and a culture of gender discrimination. (…) Armed anti-Government groups have continued their systematic attacks on schools, teachers, pupils (particularly schoolgirls) and parents (p. 31-34).

In het rapport ‘Silence is Violence’ van de UNAMA is onder meer het volgende opgenomen:

‘Violence against women is widespread and deeply-rooted as well as acute. The violence which scars the lives of a huge proportion of Afghan women and girls is rooted in Afghan culture, customs, attitudes, and practices (p. 1). (…) While not all attacks on schools have been attributed, an increasing number of security incidents involve what is described as a deliberate insurgent strategy to limit girls’ education and to polarise local communities and foment support for their cause. The situation is extremely worrisome given the very low literacy rates, particularly for women and girls, and the long-term impact it has on the involvement of women in society (p. 17).

In het rapport ‘We Have the Promises of the World’ van HRW is onder meer het volgende opgenomen:

“Eight years after the fall of Taliban, and the establishemt of the Karzai government, Afghan women continue to be among the worst off in the world. Their dismal in every area, including in health, education, employment, freedom from violence, equality before the law, and political participation. (…) The diminishing status of women’s rights in Afghanistan came back into focus in March 2009 when the Shia Personal Status law (…) was passed by parliament and signed bij President Hamid Karzai. The law regulates the personal affairs of Shia Muslims, including divorce, inheritance, and minimum age of marriage, but (…) severely restricts women’s basic freedoms. (…) A month before the presidential election he issued by decree an amended version of the law which still includes articles that impose drastic restrictions upon Shia women, including the requirement that wives seek their husband’s permission before leaving home except for unspecified “reasonable legal reasons.” The law also gives custody rights to fathers and grandfathers, not mothers or grandmothers, and allows a husband to cease maintenance to his wife is she does not meet her marital duties, including sexual duties. (p. 2 en p. 3) (…)

“Whereas the trend had clearly been positieve for women’s rights from 2001-2005, the trend is now negative in manu areas. (p. 4)’

Violance against women in Afghanistan is endemic. A nationwide survey of 4.700 women, published in 2008, found that 87.2 percent had experiences at least one form of physical, sexual, or psychological violance or forced marriage in their lifetime. The forms of violence include rape, physical ciolense, forced marriage, and “honor killings”.

In het persbericht van HRW van 13 augustus 2009 is onder meer het volgende opgenomen:‘ Human Rights Watch learned toaday that the amended bill was published in the official Gazette onJuly 27, 2009 (Gazette 988), bringing the law into force. (…) A copy of the final law seen bij Human Rights Watch show that many regressive articles remain, which strip away women’s rights that are enshrined in Afghanistan’s constitution. The law gives a husband the right tot withdraw basic maintenance form his wife, including food, if she refuses to obey his sexual demands. (…) It requires women to get permission from their husbands to work.’

2.16. Uit de hiervoor aangehaalde stukken blijkt van een bijzonder slechte positie van vrouwen in Afghanistan. Zij lopen een zeer groot risico om slachtoffer te worden van geweld en hebben te maken met ernstige beperkingen op het gebied van kleding, educatie, arbeid, veiligheid en huwelijk. Deze situatie is na 2005 ernstig verslechterd. Verweerder gaat er vanuit dat eiseres en haar dochters zich bij terugkeer in Afghanistan kunnen en moeten aanpassen aan de Afghaanse levensstijl. Indien zij dat niet doen, is ook verweerder van mening dat een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM. Verweerder heeft echter noch in het bestreden besluit, noch in het verweerschrift, gemotiveerd waarom van eiseres en in het bijzonder van haar dochters, die in Nederland zijn geboren en opgegroeid, kan worden verwacht dat zij zich aanpassen aan de Afghaanse levensstijl en waarom het daaraan aanpassen voor eiseres en haar minderjarige dochters geen schending oplevert van artikel 3 EVRM.

Voor zover verweerder heeft verwezen naar zijn beleid, zoals neergelegd in paragraaf C24/1/3.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, gaat deze verwijzing voor wat betreft de dochters van eisers in ieder geval niet op nu in het beleid niet wordt ingegaan op de positie van meisjes die in Nederland zijn geboren en zich nog nooit hebben hoeven accommoderen aan de Afghaanse levensstijl.

Voor wat betreft eiseres is de verwijzing naar het beleid evenmin een voldoende motivering. Hoewel gesteld noch gebleken is dat eiseres valt onder de in het beleid genoemde categorie vrouwen die vanwege hun levensstijl zwaarwegende problemen hebben ondervonden in Afghanistan, waarbij deze problemen aanleiding waren voor het vertrek, sluit het beleid niet uit dat ook andere vrouwen voor een verblijfsvergunning in aanmerking kunnen komen. Dit leidt de rechtbank af uit de woorden “in de regel”en “wederom” in de navolgende passage uit het beleid:

“(…) Hoewel dit zo is, zal het aannemen van een andere levensstijl na het vertrek uit het land van herkomst in de regel toch niet leiden tot verblijfsaanvaarding. Immers, het feit dat betrokkene in Nederland gebruik heeft gemaakt van mogelijkheden en rechten van de Nederlandse samenleving betekent niet dat zij zich bij terugkeer niet wederom zal kunnen accommoderen(..)”.

2.17. De rechtbank concludeert dat verweerder, gelet op de bijzonder ernstige situatie van vrouwen in Afghanistan, welke in de afgelopen periode verder is verslechterd, in de bestreden besluiten niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom van eiseres en haar dochters kan worden gevergd dat zij naar Afghanistan (terug)gaan en zich aanpassen aan de Afghaanse levensstijl. De verwijzing naar het beleid is daartoe onvoldoende, nu in het beleid niet wordt ingegaan op de positie van Afghaanse meisjes die in Nederland zijn geboren en getogen en het beleid ruimte openlaat om af te wijken van de hoofdregel dat vrouwen zich dienen aan te passen aan de levensstijl in Afghanistan. In het bijzonder had verweerder specifiek moeten ingaan op de positie van de beide dochters van eisers. Zij zijn in Nederland geboren. Voor hen geldt niet zonder meer dat zij zich bij terugkeer naar Afghanistan “wederom” zullen kunnen accommoderen. Evenmin is verweerder ingegaan op de gevolgen van de nieuwe wetgeving voor Shia vrouwen in Afghanistan, welke wetgeving reeds ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten in voorbereiding was. Aldus zijn de bestreden besluiten in zoverre genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.18. De beroepen van eiseres en haar dochters zijn gegrond. Nu het relaas van eiser in zoverre afhankelijk is van dat van eiseres en haar dochters, is ook het beroep van eiser gegrond. De bestreden besluiten dienen te worden vernietigd. In verband hiermee komt de rechtbank niet toe aan hetgeen door eisers overigens is aangevoerd.

2.19. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. De rechtbank kent daarbij in het kader van de toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht 3 punten toe (1 voor het beroepschrift, 0,5 voor repliek en 1,5 voor de beide zittingen). Gelet op de gelijkvormigheid van de zaken van eisers worden de proceskosten voor de beide beroepen gematigd als ware het 1 beroep.

3. Beslissing

De rechtbank :

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten van 29 juni 2009 ;

- bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de aanvragen van eisers, met in achtneming van het in deze uitspraak overwogene;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,-- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan eisers dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. S.M. Schothorst, voorzitter en mr. T.F. Bruinenberg en mr. A.W. Wassink, leden, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H. Wind als griffier op 12 maart 2010.

de griffier

de rechter

Tegen de uitspraak in de bodemzaak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: