Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8492

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
22-03-2010
Zaaknummer
Awb 10/5891
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / voortduren bewaring / beroep op de zaak Mikolenko vs. Estonia

Het beroep van eiser op de uitspraak van het EHRM van 8 oktober 2009, no. 10664/05 (LJN BK9153), Mikolenko vs. Estonia, faalt nu de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot voornoemde uitspraak van het EHRM op essentiële onderdelen verschillen van die in de onderhavige zaak. In dit verband wijst de rechtbank erop dat in de zaak van Mikolenko de nationaliteit van de betrokken vreemdeling was vastgesteld, terwijl daarvan in de onderhavige zaak geen sprake is. Bovendien is in de onderhavige zaak de duur van de bewaring significant korter dan in de zaak van Mikolenko. Mikolenko zat in het kader van zijn uitzetting drie jaar en elf maanden in detentie. Eiser heeft bijna negen maanden in bewaring verbleven. Voorts is door verweerder in de onderhavige zaak diverse stappen ondernomen ter voorbereiding van de uitzetting van eiser en heeft verweerder daarbij immer voortvarend gehandeld. Daar komt bij dat eiser tijdens de bewaring evident heeft geweigerd medewerking te verlenen aan zijn uitzetting.

Tot slot acht de rechtbank het redelijk dat verweerder, nadat op 3 februari 2010 bekend werd dat eiser niet in aanmerking kwam voor het terugkeertraject Perspectief, enige tijd moest worden geboden om te onderzoeken welk uitzettingstraject in het geval van eiser zal worden bewandeld. Naar het oordeel van de rechtbank was het voortduren van de maatregel van bewaring tot 17 februari 2010 derhalve in redelijkheid gerechtvaardigd. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 10/5891

Uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende:

X

van onbekende nationaliteit,

V-nummer:

eiser,

gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters, advocaat te Rijsbergen.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. De Staatssecretaris van Justitie, hierna verweerder, heeft op 19 mei 2009 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Eerdere beroepen tegen de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel zijn, laatstelijk bij uitspraak van 29 januari 2010, ongegrond verklaard.

1.2. Eiser heeft tegen het voortduren van de bewaring op 15 februari 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank. Daarbij is tevens om schadevergoeding verzocht. De gronden van het beroep zijn ingediend op 25 februari 2010.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken - daaronder begrepen de inlichtingen met betrekking tot de (voortgang van de voorbereiding van de) verwijdering van eiser - aan de rechtbank en aan eiser toegestuurd.

1.4. De maatregel van bewaring is op 17 februari 2010 opgeheven.

1.5. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 1 maart 2010. Eiser en zijn gemachtigde zijn aldaar, met kennisgeving, niet verschenen. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen D.A. Riezebos. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

2.1. Ingevolge artikel 106 Vw 2000 kan de rechtbank, indien de maatregel strekkende tot vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel is opgeheven, de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Hoewel de maatregel van bewaring reeds is opgeheven, zal de rechtbank derhalve - gelet op het verzoek om schadevergoeding - dienen te beoordelen of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel gerechtvaardigd waren en of de maatregel niet langer heeft geduurd dan noodzakelijk is.

2.2. Eiser heeft in de gronden van het beroep aangevoerd dat de maatregel van bewaring enkel mag worden opgelegd en voortduren met het oog op uitzetting. Met andere woorden, met het oog op het tegen diens wil uit Nederland verwijderen van eiser, zonder dat de medewerking van eiser daartoe vereist is. Nu verweerder daarin niet slaagde en het kennelijke doel van de bewaring niet langer de uitzetting maar het vrijwillig vertrek van eiser was, dient de maatregel onrechtmatig te worden verklaard vanaf de sluiting van het vorige onderzoek. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 oktober 2009, Application no. 10664/05, Mikolenko vs. Estonia.

2.3. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Het beroep van eiser op de uitspraak van het EHRM van 8 oktober 2009, no. 10664/05 (LJN BK9153), faalt nu de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot voornoemde uitspraak van het EHRM op essentiële onderdelen verschillen van die in de onderhavige zaak. In dit verband wijst de rechtbank erop dat in de zaak van Mikolenko de nationaliteit van de betrokken vreemdeling was vastgesteld, terwijl daarvan in de onderhavige zaak geen sprake is. Bovendien is in de onderhavige zaak de duur van de bewaring significant korter dan in de zaak van Mikolenko. Mikolenko zat in het kader van zijn uitzetting drie jaar en elf maanden in detentie. Eiser heeft bijna negen maanden in bewaring verbleven. Voorts is door verweerder in de onderhavige zaak diverse stappen ondernomen ter voorbereiding van de uitzetting van eiser en heeft verweerder daarbij immer voortvarend gehandeld. Daar komt bij dat eiser tijdens de bewaring evident heeft geweigerd medewerking te verlenen aan zijn uitzetting. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de maatregel van bewaring langer heeft geduurd dan noodzakelijk.

2.4. Voorts acht de rechtbank het redelijk dat verweerder, nadat op 3 februari 2010 bekend werd dat eiser niet in aanmerking kwam voor het terugkeertraject Perspectief, enige tijd moest worden geboden om te onderzoeken welk uitzettingstraject in het geval van eiser zal worden bewandeld. Verweerder heeft de maatregel van bewaring op de 14e dag na 3 februari 2010, te weten op 17 februari 2010, opgeheven. De rechtbank acht een dergelijke onderzoekstermijn niet onredelijk. Naar het oordeel van de rechtbank was het voortduren van de maatregel van bewaring tot 17 februari 2010 derhalve in redelijkheid gerechtvaardigd.

2.5. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond en bestaat geen aanleiding om schadevergoeding toe te kennen.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. R. Depping en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H. Wachtmeester-Koning als griffier op 2 maart 2010.

Griffier

Rechter

Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.

Afschrift verzonden: