Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8491

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
22-03-2010
Zaaknummer
Awb 10/4360
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM0762, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / termijnen / onderzoek ter zitting / vreemdeling niet aangevoerd

Het beroep is op 3 februari 2010 door de rechtbank ontvangen. Het beroep is aanvankelijk binnen de termijn behandeld. Bij de zitting van 15 februari 2010 is eiser niet aangevoerd. De gemachtigde van eiser heeft bij die zitting zijn belangen behartigd en namens hem het woord gevoerd. Derhalve kan niet staande worden gehouden dat niet tijdig een aanvang is gemaakt met het horen in de zin van artikel 94, tweede lid, Vw 2000. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen is overwogen in de eerder genoemde uitspraak van de AbRS van 17 december 2009, JV 2010, 64, over het maken van een aanvang met het door artikel 94, tweede lid, Vw 2000 voorgeschreven onderzoek ter zitting. Dat de betreffende overwegingen slechts gelden in het geval de oorzaak van het niet horen van de vreemdeling gelegen is in de afwezigheid van een tolk, valt naar het oordeel van de rechtbank daaruit niet af te leiden. Nu eiser een week later, en derhalve binnen een redelijke termijn, alsnog in persoon, met behulp van een tolk, is gehoord bestaat in de afwezigheid van eiser ter zitting van 15 februari 2010 geen aanleiding de bewaring op te heffen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 10/4360

Uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende:

X

van Sudanese nationaliteit,

V-nummer:

eiser,

gemachtigde: mr. B. de Haan, advocaat te Lemmer.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. De Staatssecretaris van Justitie, hierna verweerder, heeft op 2 februari 2010 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a,Vw 2000.

1.2. Eiser heeft hiertegen op 3 februari 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden.

1.4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 15 februari 2010. Voor eiser is verschenen zijn gemachtigde. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen drs. B.H. Wezeman. Het onderzoek is ter zitting geschorst.

1.5. Daaropvolgend is het beroep ter zitting van 22 februari 2010 behandeld. Aldaar is verschenen eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen D.A. Riezebos. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

2.1. In deze procedure dient op grond van de beroepsgronden te worden beoordeeld of de maatregel van bewaring niet in strijd is met de wet en of de maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2.2. Ingevolge artikel 94, tweede lid, Vw 2000, voor zover thans van belang, bepaalt de rechtbank onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting. De zitting vindt uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift plaats. De rechtbank roept de vreemdeling op om in persoon, dan wel in persoon of bij raadsman en de staatssecretaris om bij gemachtigde te verschijnen, teneinde te worden gehoord.

2.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) – zie onder meer de uitspraak van de AbRS van 17 december 2009, 200908930/1/V3, LJN: BK8694, JV 2010, 64 – is in de Vw 2000 de toepasselijkheid van artikel 8:64, eerste lid, Awb niet uitgesloten. Voorts strekt artikel 94, tweede lid, Vw 2000 er niet toe dat het onderzoek ter zitting van de rechtbank uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift dient te worden gesloten.

2.4. Eiser heeft ter zitting van 22 februari 2010 aangevoerd dat hij niet binnen de in artikel 94, tweede lid, Vw 2000 bedoelde termijn is gehoord en dat de bewaring daarom dient te worden opgeheven.

2.5. Hoewel daartoe opgeroepen, is eiser niet ter zitting van 15 februari 2010 verschenen, teneinde binnen de daartoe gestelde termijn te worden gehoord. Evenmin was een tolk verschenen. Naar de rechtbank na afloop van de zitting van 15 februari 2010 is gebleken, was eiser wel in de rechtbank aanwezig, maar is hij als gevolg van een organisatorische fout niet aangevoerd toen de behandeling van zijn zaak werd uitgeroepen. De onmogelijkheid om eiser ter zitting van 15 februari 2010 te horen was daardoor het gevolg van organisatorische gebreken, die niet aan verweerder en evenmin aan eiser zijn toe te rekenen.

Ter zitting van 15 februari 2010 heeft eisers gemachtigde aangegeven dat de aanwezigheid van eiser bij de behandeling van het beroep zeer op prijs werd gesteld. Voorts heeft hij, namens zijn cliënt, inhoudelijk gepleit.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 15 februari 2010 geschorst, teneinde eiser ter zitting van 22 februari 2010 alsnog in persoon te kunnen horen.

Het beroep is op 3 februari 2010 door de rechtbank ontvangen. Het beroep is aanvankelijk binnen de termijn behandeld. Bij de zitting van 15 februari 2010 is eiser niet aangevoerd. De gemachtigde van eiser heeft bij die zitting zijn belangen behartigd en namens hem het woord gevoerd. Derhalve kan niet staande worden gehouden dat niet tijdig een aanvang is gemaakt met het horen in de zin van artikel 94, tweede lid, Vw 2000. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen is overwogen in de eerder genoemde uitspraak van de AbRS van

17 december 2009, JV 2010, 64, over het maken van een aanvang met het door artikel 94, tweede lid, Vw 2000 voorgeschreven onderzoek ter zitting. Dat de betreffende overwegingen slechts gelden in het geval de oorzaak van het niet horen van de vreemdeling gelegen is in de afwezigheid van een tolk, valt naar het oordeel van de rechtbank daaruit niet af te leiden. Nu eiser een week later, en derhalve binnen een redelijke termijn, alsnog in persoon, met behulp van een tolk, is gehoord bestaat in de afwezigheid van eiser ter zitting van 15 februari 2010 geen aanleiding de bewaring op te heffen.

2.6. In de maatregel heeft verweerder het vermoeden van onttrekking aan de uitzetting gebaseerd op de omstandigheden dat eiser niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft,

zich niet gehouden heeft aan zijn vertrektermijn en niet beschikt over middelen van bestaan.

2.7. Eiser heeft aangevoerd dat deze gronden, behalve de grond dat eiser zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn, gelden voor elke asielzoeker.

2.8. Dat de bewaringsgronden – behoudens de grond dat eiser zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn – van toepassing zijn op iedere ongedocumenteerde asielzoeker maakt, zoals de AbRS heeft overwogen (zie de uitspraak van 22 januari 2008, in zaak nr. 200708267/1; www.raadvanstate.nl, JV 2008/115 en de uitspraak van 16 juni 2008, 200802486/1, LJN: BD 5536), niet dat die gronden niet zonder nadere motivering kunnen dienen ter ondersteuning van het vermoeden dat de vreemdeling zich aan zijn uitzetting zal onttrekken.

2.9. Gelet op de gronden van de maatregel heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de openbare orde de inbewaringstelling vordert.

2.10. De omstandigheid dat uit de telefoonnotitie van 19 februari 2010 blijkt dat de vermelding van de datum 30 november 2009 waarop eiser zou worden gepresenteerd ten overstaan van de Sudanese autoriteiten een kennelijke ambtelijke misslag is gebleken, leidt – anders dan eiser heeft gesteld – niet tot het oordeel dat eiser daardoor in zijn belangen is geschaad. Immers, uit de overige informatie als opgenomen in die telefoonnotitie en de brief van 12 februari 2010 van verweerder blijkt dat reeds op 8 september 2009 een verzoek tot afgifte van een laissez passer is ingediend bij de Sudanese autoriteiten, dat verweerder ten aanzien van die aanvraag laatstelijk op 15 februari 2010 heeft gerappelleerd, dat de ervaring leert dat het plannen van een presentatie in persoon bij de Sudanese autoriteiten meestal enkele maanden in beslag neemt en ten slotte dat voor 25 februari 2010 een presentatie in persoon van eiser ten overstaan van de Sudanese autoriteiten gepland staat.

2.11. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond en bestaat geen aanleiding om schadevergoeding toe te kennen.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. M.J.C. Dijkstra en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van H.M. Eleveld als griffier op 26 februari 2010.

Griffier

Rechter

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage) onder vermelding van ‘Hoger beroep vreemdelingenzaken’. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: