Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8304

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
22-03-2010
Zaaknummer
AWB 09-3538
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Datum uitspraak: 10 maart 2010

Uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats:

‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer:

AWB 09/3538

Suggestie voor kop:

Artikel 3 EVRM, risicovolle beroepsgroep, kunstenaars in Irak, individuele indicaties

Samenvatting:

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 26 juni 2008 dat hoewel de algemene situatie in Irak onzeker en problematisch is, deze niet zo ernstig is dat het een schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. Wat de individuele situatie van eiser betreft, overweegt de rechtbank – in navolging van de Afdeling in haar uitspraak van 8 juni 2009 (LJN: BI7619) – dat een vreemdeling die tot een als zodanig aangewezen kwetsbare minderheidsgroep behoort, reeds met beperkte individuele indicaties aan het in beginsel op grond van de jurisprudentie van het EHRM geldende individualiseringsvereiste kan voldoen. Aan de aanwijzing als kwetsbare minderheidsgroep ligt derhalve niet mede ten grondslag de beoordeling dat deze groep systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen, als bedoeld in de zaak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk. Die beoordeling dient ingeval de vreemdeling betoogt dat hij tot een zodanige groep behoort, nog te worden verricht aan de hand van de in dat verband ingebrachte informatie over de situatie van de desbetreffende groep en de mate waarin de leden van die groep bescherming kunnen verkrijgen tegen onmenselijke behandelingen. Uit de door eiser overgelegde artikelen inzake de positie van kunstenaars in Irak kan niet worden afgeleid dat kunstenaars in Irak dienen te worden aangemerkt als een groep die systematisch wordt blootgesteld aan onmenselijke behandelingen en eiser reeds enkel vanwege het behoren tot deze groep aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Bovendien is er geen sprake van door de Iraakse autoriteiten gesanctioneerde vervolging van kunstenaars in Irak. Echter, verweerder heeft niet bij de beoordeling of artikel 3 van het EVRM is geschonden betrokken dat in de nabije omgeving van eiser mensenrechten zijn geschonden van personen die tot dezelfde risicovolle beroepgroep behoren. Immers, hij heeft verklaard dat twee kunstenaars uit zijn directe omgeving zijn doodgeschoten. Ter zitting heeft eiser, gevraagd naar het verband met deze twee kunstenaars, toegelicht dat zij een portret voor de Amerikanen maakten en dat hij op dezelfde plek als zij ook voor de Amerikanen werkzaam was. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden – omtrent de geloofwaardigheid waarvan verweerder zich niet heeft uitgelaten – een aanwijzing dat er een reëel risico bestaat dat eiser vanwege het uitoefenen van zijn risicovolle beroep als kunstenaar, die bovendien werk in opdracht voor de Amerikanen heeft gemaakt, slachtoffer kan worden van mensenrechtenschendingen in Irak. Verweerder heeft derhalve naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom het beroep van eiser op artikel 3 van het EVRM, gelet op zijn aangevoerde (beperkte) individuele indicaties, niet kan slagen. Het vorenstaande brengt met zich dat het bestreden besluit op dit punt een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert. Het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb in aanmerking, zulks onder gegrondverklaring van het beroep.

Eventuele opmerkingen:

Plaatsing op rechtspraak.nl

Uitspraak:

Als tweede bijlage mailen en niet hier invoegen (bestandsnaam is: zaaknummer.doc)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/3538

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2010

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1976,

van Iraakse nationaliteit,

eiser,

[gemachtigde],

tegen

[verweerder],

te Den Haag,

verweerder,

[gemachtigde].

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft op 4 februari 2009 tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 29 september 2009, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

De rechtbank heeft op 23 november 2009 het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend omdat het onderzoek niet volledig is geweest.

Op 8 december 2009 heeft verweerder schriftelijk gereageerd op de uitspraak van de Meervoudige Kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 11 november 2009 (LJN: BK3813). Bij faxbericht van 18 december 2009 heeft de gemachtigde van eiser hierop gereageerd.

Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend voor het achterwege laten van de behandeling van het beroep ter zitting, zoals bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb, waarna het onderzoek op 1 maart 2010 is gesloten.

Overwegingen

1. Aan de orde is of het besluit van 19 januari 2009 in rechte stand kan houden.

2. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser het volgende aangevoerd. Eiser, een kunstschilder, behoort tot de Arabische bevolkingsgroep en is afkomstig uit Bagdad te Irak. Hij heeft in Irak voor de [galarie] tekeningen gemaakt voor Amerikaanse opdrachtgevers. Hiermee is hij in 2005 gestopt en daarna kon eiser alleen nog maar werk maken dat algemeen werd aanvaard maar dat geen recht deed aan zijn wensen. In 2005 zijn twee [kunstenaars], doodgeschoten. Eiser heeft in opdracht van de Amerikanen tekeningen aangebracht op de muren van scholen. Als gevolg van die werkzaamheden werd hij sinds november 2007 per sms bedreigd. Daarop heeft eiser besloten Irak te verlaten. Ook heeft hij Irak verlaten omdat de Arabische cultuur niet de zijne is. Een [vriend van eiser], heeft voor hem een vliegticket geregeld en op 10 februari 2008 is hij vanuit Bagdad per vliegtuig naar Istanbul in Turkije gereisd. In Istanbul heeft de Iraakse [reisagent] eiser naar [Hotel] gebracht, alwaar hij drie dagen heeft verbleven. Daarna heeft eiser nog zes dagen in een appartement in de kelder van een flatgebouw in Istanbul verbleven alvorens hij met een minibus werd opgehaald die hem naar een parkeerplaats heeft gebracht. Eiser is op deze parkeerplaats in de laadruimte van een vrachtwagen gestapt en in deze vrachtwagen is hij in zes of zeven dagen naar Nederland gereisd, alwaar hij op 25 februari 2008 is aangekomen.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

4. Voorop wordt gesteld dat uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 26 juni 2008 (DPV/AM 20546) volgt de algehele situatie in Irak niet zodanig is dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit Irak in het algemeen en die behoren tot de Arabische bevolkingsgroep in het bijzonder, zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Eiser dient derhalve aannemelijk te maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning vormen. Die afwijzing is gebaseerd op het bepaalde in het eerste lid in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van artikel 31 van de Vw 2000.

6. Verweerder heeft zich in het kader van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 op het standpunt gesteld dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn reisroute. Naar de mening van verweerder heeft eiser onvoldoende meegewerkt aan de vaststelling van de door hem gestelde reisroute, nu hij zijn reisverhaal niet heeft onderbouwd met het gebruikte grensoverschrijdingsdocument, noch met enig ander (indicatief) bewijs van de reis. Immers, eiser heeft verklaard dat hij legaal vanuit Irak naar Turkije is gereisd, van welke reis in redelijkheid mag worden verondersteld dat deze met documenten is te staven. Eiser heeft verklaard op 10 februari 2008 per vliegtuig van Irak naar Turkije te zijn gereisd, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van een paspoort dat bij aankomst in Turkije is voorzien van een Turks visum (stempel). De verklaring van eiser dat hij dit paspoort heeft verscheurd zodat het niet door de reisagent zou worden ingenomen en misbruikt, alsmede zijn verklaring dat hij evenmin een vliegticket kan overleggen omdat hij deze eveneens heeft verscheurd bij vertrek vanuit Istanbul, worden door verweerder als onvoldoende van de hand gewezen om hem niet toe te rekenen dat hij geen reisdocumenten heeft ter staving van zijn gestelde reis heeft overgelegd bij zijn aanvraag. Derhalve heeft eiser naar de mening van verweerder niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van de documenten ter onderbouwing van zijn reisverhaal niet aan hem is toe te rekenen.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van reisdocumenten hem niet kan worden toegerekend. In navolging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in haar uitspraak van 8 april 2008 (LJN: BC9690) overweegt de rechtbank dat het in paragraaf C4/3.6.2 en C4/3.6.3 van de Vc 2000 weergegeven beleid inhoudt dat met het afleggen van consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reis op zich nog niet aannemelijk is gemaakt dat het afgeven van reisdocumenten aan de reisagent de vreemdeling niet kan worden toegerekend. Daarvan is pas sprake indien de documenten onder dwang zijn afgegeven. Hiervan is in casu niet gebleken. Immers, het enkele feit dat de reisagent expliciet heeft gevraagd om het paspoort van eiser maakt nog niet aannemelijk dat sprake was van dwang van de reisagent. Verweerder heeft derhalve aan eiser op goede gronden artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 tegengeworpen, zodat op voorhand twijfel is ontstaan aan de oprechtheid van eiser en afbreuk is gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

8. Indien, zoals in casu het geval is, sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, en onder f, van de Vw 2000, geldt volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dat in het asielrelaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden mogen voorkomen. Van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan om geloofwaardig geacht te kunnen worden.

9. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2005 (LJN AS8539) volgt dat zowel van de feiten als van de aan de feiten ontleende vermoedens positieve overtuigingskracht dient uit te gaan. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2009 (LJN BJ3621) dient daarbij wel onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de vermoedens van de vreemdeling die deel uitmaken van de gebeurtenissen die volgens zijn asielrelaas hebben plaatsgevonden en anderzijds de door de vreemdeling aan die gebeurtenissen ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer naar zijn land van herkomst te wachten staat. Bij de toetsing door de rechter van het standpunt van verweerder omtrent het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling aan de niet ongeloofwaardig geachte feiten en omstandigheden ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer naar zijn land te wachten staat, is voor terughoudendheid geen plaats.

10. Verweerder heeft zich voorts in dit kader op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser geen positieve overtuigingskracht bezit en derhalve ongeloofwaardig wordt geacht. Ten aanzien van de gestelde vrees van eiser voor het [leger], welke hij baseert op het voorval dat van hem een foto is genomen door iemand waarvan volgens eiser bekend is dat hij tot deze milities behoort, acht verweerder het enkele feit dat van eiser een foto is genomen vanuit een auto onvoldoende voor de conclusie dat hij te vrezen heeft voor het [leger]. Er zijn immers geen concrete aanwijzingen dat eiser als gevolg van dit voorval gevaar zou lopen of op zijn persoon gericht negatieve aandacht heeft te vrezen van de zijde van deze milities. Weliswaar heeft eiser dreigsms'jes ontvangen, maar hij nam deze aanvankelijk niet serieus, zodat door verweerder niet valt in te zien waarom de enkele omstandigheid dat hij zou hebben gezien dat er een foto van hem werd genomen, in deze situatie verandering zou brengen.

11. Verder wordt door verweerder aangegeven dat de vrees van eiser om eventueel op straat te worden doodgeschoten als gevolg van het huidige sektarische geweld in Irak op zichzelf geen grond is om te concluderen dat hij persoonlijk direct gevaar loopt of heeft te vrezen voor zijn leven.

12. Marginaal toetsend is de rechtbank van oordeel dat verweerder met het voorgaande – in onderlinge samenhang bezien – voldoende steekhoudende argumenten heeft aangedragen om aan het asielrelaas van eiser geen positieve overtuigingskracht toe te kennen. Immers, de vrees van eiser om te worden gedood naar aanleiding van zijn werkzaamheden om in opdracht van de Amerikanen tekeningen op de muren van scholen aan te brengen is onvoldoende reëel te achten. Voorts bestaat er – ondanks dat onbetwist is dat eiser als kunstenaar tot een risicogroep behoort op grond van paragraaf 3.5 van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2008/28 – evenmin reden om aan te nemen dat hij deswege te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Verdrag bij terugkeer naar Irak. Een enkele verwijzing naar de algemene slechte situatie in Irak is onvoldoende voor de conclusie dat eiser persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging. Derhalve heeft verweerder op goede gronden overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

13. Voort staat ter beoordeling of eiser bij terugkeer naar Irak het risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

14. Ten aanzien van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 heeft verweerder overwogen dat uit het vluchtrelaas van eiser – bezien tegen de achtergrond van de politieke en maatschappelijke situatie in Irak – niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van een reëel en voorzienbaar risico dat juist eiser bij terugkeer naar Irak zal worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. De enkele mogelijkheid van schending van artikel 3 van het EVRM is onvoldoende.

15. Bij de toetsing aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 wordt aan personen behorende tot een kwetsbare minderheidsgroep minder hoge eisen gesteld aan het aannemelijk maken van een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Uit paragraaf C2/3.1.3 van de Vc 2000 volgt dat om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 de vreemdeling aannemelijk dient te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde behandeling. Hiertoe dient de vreemdeling specifieke individuele kenmerken (special distinguishing features) naar voren te brengen, waaruit dit risico op een behandeling in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw valt af te leiden. In die gevallen dat in het land van herkomst sprake is van een willekeurige geweldssituatie of van willekeurige mensenrechtenschendingen, vormt dit op zichzelf onvoldoende grond om een reëel en individueel risico op eerder beschreven behandeling aan te nemen. Echter, een reëel en individueel risico bij terugkeer wordt – ook in een situatie van willekeurige geweld of van willekeurige mensenrechtenschendingen – ook aangenomen indien:

a. de vreemdeling behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep in zijn land van herkomst; en

b. hij met op zichzelf beperkte individuele indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat in samenhang daarmee een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM aanwezig is.

Dit betekent dat een asielzoeker die behoort tot deze groep reeds in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, indien hij met op zichzelf beperkte individuele indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat in samenhang met het behoren tot de risicogroep in Irak een dreigende schending van artikel van het 3 EVRM aanwezig is. Daarvoor is niet vereist dat betrokkene persoonlijk te maken heeft gehad met een behandeling die op zichzelf voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om zulks aan te nemen. Daarbij wordt niet van de vreemdeling verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep.

16. In casu is onbetwist dat kunstenaars in Irak behoren tot een groep die een risicoberoep uitoefenen. Eiser heeft dit onderbouwd met de door hem overgelegde artikelen uit onder andere The Observer van 11 mei 2008 en verweerder heeft dit bevestigd in WBV 2008/28. Naar de mening van verweerder vloeit uit het zogenaamde individualiseringsvereiste voort dat ook een lid van een risicogroep steeds aannemelijk zal moeten maken dat juist hij een extra groot risico loopt op een behandeling die door artikel 3 van het EVRM wordt verboden. Echter, volgens verweerder heeft eiser op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat er enige indicaties zijn dat hem, in samenhang met het zijn van kunstenaar, een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM te wachten staat.

17. Uit de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 11 januari 2007 in de [zaak] tegen Nederland (LJN: AZ5971) volgt dat het behoren tot een aanwijsbare risicogroep sneller tot de conclusie kan leiden dat bij terugkeer een schending van artikel 3 van het EVRM dreigt. Het EHRM verlaat hiermee niet het vereiste dat er sprake dient te zijn van een geïndividualiseerd reëel risico op een schending van artikel 3 van het EVRM, maar verwerpt in een dergelijk geval de stelling dat asielzoekers daar bovenop nog meer specifiek hen betreffende kenmerken (further special distinguishing features) aannemelijk moeten maken om een succesvol beroep op artikel 3 van het EVRM te kunnen doen. In de zaak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk van 17 juli 2008 (LJN: BF0248) heeft het EHRM twee soorten groepsvervolging aangewezen. De eerste betreft de situatie dat de algemene situatie in het land van herkomst zodanig ernstig is dat een uitzetting van een ieder naar dat land in strijd met artikel 3 van het EVRM is. Dat zal alleen in uitzonderlijke gevallen zo zijn, welke het EHRM nog nooit aanwezig heeft geacht. De tweede is dat de uitzetting van de leden van een bepaalde groep in zijn algemeenheid in strijd met artikel 3 van het EVRM wordt geacht. Die situatie is tot op heden alleen in de [zaak] door het EHRM aan de orde geacht. Is van deze twee situaties van collectieve risico’s geen sprake, dan vervolgt het EHRM met een individuele beoordeling. Uit de zaak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk blijkt, dat het EHRM daarbij het individuele geval beoordeelt tegen de achtergrond van de risico’s die uit de algemene situatie kunnen voortvloeien voor dit individu.

18. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 26 juni 2008 dat hoewel de algemene situatie in Irak onzeker en problematisch is, deze niet zo ernstig is dat het een schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. Wat de individuele situatie van eiser betreft, overweegt de rechtbank – in navolging van de Afdeling in haar uitspraak van 8 juni 2009 (LJN: BI7619) – dat een vreemdeling die tot een als zodanig aangewezen kwetsbare minderheidsgroep behoort, reeds met beperkte individuele indicaties aan het in beginsel op grond van de jurisprudentie van het EHRM geldende individualiseringsvereiste kan voldoen. Aan de aanwijzing als kwetsbare minderheidsgroep ligt derhalve niet mede ten grondslag de beoordeling dat deze groep systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen, als bedoeld in de zaak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk. Die beoordeling dient ingeval de vreemdeling betoogt dat hij tot een zodanige groep behoort, nog te worden verricht aan de hand van de in dat verband ingebrachte informatie over de situatie van de desbetreffende groep en de mate waarin de leden van die groep bescherming kunnen verkrijgen tegen onmenselijke behandelingen. Uit de door eiser overgelegde artikelen inzake de positie van kunstenaars in Irak kan niet worden afgeleid dat kunstenaars in Irak dienen te worden aangemerkt als een groep die systematisch wordt blootgesteld aan onmenselijke behandelingen en eiser reeds enkel vanwege het behoren tot deze groep aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Bovendien is er geen sprake van door de Iraakse autoriteiten gesanctioneerde vervolging van kunstenaars in Irak. Echter, verweerder heeft niet bij de beoordeling of artikel 3 van het EVRM is geschonden betrokken dat in de nabije omgeving van eiser mensenrechten zijn geschonden van personen die tot dezelfde risicovolle beroepgroep behoren. Immers, hij heeft verklaard dat twee kunstenaars uit zijn directe omgeving, te weten [slachtoffer] zijn doodgeschoten. Ter zitting heeft eiser, gevraagd naar het verband met deze twee kunstenaars, toegelicht dat zij een portret voor de Amerikanen maakten en dat hij op dezelfde plek als zij ook voor de Amerikanen werkzaam was. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden – omtrent de geloofwaardigheid waarvan verweerder zich niet heeft uitgelaten – een aanwijzing dat er een reëel risico bestaat dat eiser vanwege het uitoefenen van zijn risicovolle beroep als kunstenaar, die bovendien werk in opdracht voor de Amerikanen heeft gemaakt, slachtoffer kan worden van mensenrechtenschendingen in Irak. Verweerder heeft derhalve naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom het beroep van eiser op artikel 3 van het EVRM, gelet op zijn aangevoerde (beperkte) individuele indicaties, niet kan slagen.

19. Het vorenstaande brengt met zich dat het bestreden besluit op dit punt een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert. Het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb in aanmerking, zulks onder gegrondverklaring van het beroep.

20. Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83/EG van de Europese Raad van 29 april 2004 (hierna: de Definitierichtlijn) ziet de rechtbank zich – gelet op de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2009 (LJN: BI4791, naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het HvJ EG) in de zaak Elgafaji tegen Nederland van 17 februari 2009 (LJN: BH3646) en gezien de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) gegeven uitleg in de zaak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk van 17 juli 2008 (LJN: BF0248), welk arrest het HvJ EG expliciet aanhaalt – voor de vraag gesteld of sprake is van een de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land, of in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging.

21. Allereerst is de rechtbank van oordeel dat de verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2009 (LJN: BJ5727), niet slaagt, nu verweerder, anders dan in die zaak, in dit geval het door eiser in beroep aangehaalde standpunt van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) inzake artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, zoals neergelegd in het rapport van de UNHCR, genaamd UNHCR Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Iraqi Asylum seekers van 27 april 2009 (hierna: de UNHCR-Guidelines), wel gemotiveerd heeft betwist.

22. De rechtbank wijst voorts op het arrest van het EHRM in de zaak F.H. tegen Zweden van 20 januari 2009 (LJN: BH3275), waarnaar ook verweerder heeft verwezen. In dit arrest heeft het EHRM geoordeeld dat de algemene veiligheidssituatie in Irak niet zodanig is dat er substantiële gronden zijn om aan te nemen dat burgers die naar dit land worden teruggestuurd louter vanwege hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op schending van artikel 3 van het EVRM. Uit het ambtsbericht van 29 mei 2009 en de door eiser aangehaalde UNHCR-Guidelines blijkt niet dat sindsdien een zodanige verslechtering van de veiligheidssituatie in Irak heeft plaatsgevonden dat ten aanzien van de situatie ten tijde van de totstandkoming van het bestreden besluit van 13 januari 2009 tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen. Derhalve kan de gevolgtrekking worden gemaakt dat het EHRM ook thans niet van oordeel zou zijn dat in Centraal Irak in het algemeen en in de provincie Bagdad in het bijzonder sprake is van "the most extreme cases of general violence". Verweerder heeft dan ook terecht overwogen dat uit de overgelegde informatie niet kan worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict op dat moment in Irak in het algemeen, en in Bagdad in het bijzonder, dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat eiser, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. De omstandigheid dat de UNHCR de door haar beschreven veiligheidssituatie anders waardeert, en daaraan de conclusie heeft verbonden dat sprake is van de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde situatie, geeft geen reden om te oordelen dat verweerder ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat zich in Irak geen uitzonderlijke situatie voordoet. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door de uitspraken van de Afdeling van 23 december 2009 (LJN: BK8692), 5 januari 2010 (LJN: BK9629) en 14 januari 2010 (LJN: BL0288), alsmede de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s Hertogenbosch, van 11 november 2009 (LJN: BK3813), waarbij de rechtbank er op wijst dat de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2010, evenals de onderhavige zaak betrekking heeft op een vreemdeling afkomstig uit Bagdad.

23. Voor zover eiser van mening is dat hij in het bezit dient te worden gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 en dat het door verweerder gevoerde categoriaal beschermingsbeleid voor Centraal-Irak, dat gold van 2 april 2007 tot 22 november 2008, ten onrechte is beëindigd, is de rechtbank – in navolging van de Afdeling bij uitspraak van 27 juli 2009 (200902294/1, gepubliceerd op www.raadvanstate.nl) – van oordeel dat verweerder, ondanks de brieven van Vluchtelingenwerk Nederland van 1 oktober 2008 en Amnesty International van 6 oktober 2008, in redelijkheid tot beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal Irak heeft kunnen besluiten.

24. Ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank erop dat in de overwegingen van deze uitspraak één of meer beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Als eiser niet wil berusten in de verwerping van één of meer van de beroepsgronden, is het nodig dat hij tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep instelt. Als hij dit nalaat, bestaat namelijk de mogelijkheid dat de bestuursrechter in een eventueel vervolg van deze procedure zal uitgaan van de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de hier verworpen beroepsgronden.

25. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank voorts termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage wordt het bedrag van de te vergoeden proceskosten begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

26. Aangezien ten behoeve van eiser geen toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan eiser.

27. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,00, en te voldoen aan eiser.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als rechter in tegenwoordigheid van mr. B.J. Groothedde als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2010.