Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8007

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
18-03-2010
Zaaknummer
AWB 09/43628
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank constateert voorts dat eiseres verweerder bij faxbericht van 2 november 2009 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken, zonder dat op de asielaanvraag is beslist. Het beroep is kennelijk gegrond. Verweerder zal worden opgedragen alsnog een besluit op de aanvraag te nemen. Ten aanzien van de termijn waarbinnen dit besluit dient te zijn genomen overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder heeft op 10 december 2009 een verweerschrift ingediend, waarin de reden van de termijnoverschrijding uiteengezet is. Verweerder verwacht dat uiterlijk eind januari 2010 op de asielaanvraag zal worden beslist. Verweerder meent dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb en verzoekt de rechtbank een beslistermijn van twee weken na ontvangst van de zienswijze op te leggen met een daaraan gekoppelde dwangsom, dan wel de door verweerder geschetste omstandigheden in de hoogte van de dwangsom te verdisconteren.

De rechtbank verklaart, met toepassing van artikel 8:55d, eerste en derde lid, het beroep gegrond en bepaalt dat verweerder alsnog, binnen twee weken nadat eiseres haar zienswijze heeft uitgebracht met betrekking tot het door verweerder geuite voornemen, dan wel de termijn voor het uitbrengen van de zienswijze ongebruikt is verstreken, een besluit op de aanvraag neemt. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 10.000,-.

Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op €109,25 (1 punt x factor 0,25 x € 437,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van zeer gering gewicht is, nu dit geding slechts betrekking heeft op de vraag of de beslistermijn van artikel 42 van de Vw 2000 is verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 09/43628, V-nummer: 271.574.9162,

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. S. Zwiers, advocaat te Dordrecht,

en

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

1. Inleiding

Op 17 november 2009 heeft eiseres bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van 18 april 2007.

2. Overwegingen

2.1 Wettelijk kader

2.1.1 Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in werking getreden. Paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maakt deel uit van deze wetswijziging. Ingevolge artikel III, eerste lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen blijft op het niet tijdig beslissen op een aanvraag die of een bezwaar- of beroepschrift dat is ingediend voor het tijdstip waarop paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing is geworden, het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing. Nu de aanvraag is ingediend op 18 april 2007, is het recht over het niet tijdig beslissen van toepassing zoals dat gold vóór 1 oktober 2009.

2.1.2 Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 van de Awb is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge artikel 6:12, vierde lid, van de Awb is het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

In artikel 4:13, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zo'n termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

2.1.3 Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), voor zover van belang, wordt op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan de termijn voor het geven van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, ten hoogste voor zes maanden worden verlengd indien naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van de aanvraag advies van of onderzoek door derden of het openbaar ministerie nodig is.

2.2 Beoordeling door de rechtbank

2.2.1 Naar het oordeel van de rechtbank is het beroepschrift niet onredelijk laat ingediend in de zin van artikel 6:12, vierde lid, van de Awb, zodat het beroep ontvankelijk is.

2.2.2 De rechtbank stelt vast dat verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 42, eerste en vierde lid, van de Vw 2000, uiterlijk op 18 april 2008 op de asielaanvraag had moeten beslissen. Nu een besluit op de aanvraag is uitgebleven, is sprake van het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank constateert voorts dat eiseres verweerder bij faxbericht van 2 november 2009 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken, zonder dat op de asielaanvraag is beslist.

Het beroep is kennelijk gegrond. Verweerder zal worden opgedragen alsnog een besluit op de aanvraag te nemen. Ten aanzien van de termijn waarbinnen dit besluit dient te zijn genomen overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder heeft op 10 december 2009 een verweerschrift ingediend. Daarin heeft verweerder - samengevat - gesteld dat volgens de psychologische rapportage van 13 april 2007 niet eenduidig kon worden vastgesteld of eiseres in staat was consistent en coherent te verklaren in het kader van haar asielaanvraag. Eerst op 3 november 2009 heeft eiseres haar aanvraag toegelicht tijdens een nader gehoor. De termijn voor het indienen van aanvullingen en correcties op het nader gehoor loopt tot 12 december 2009, waarna een voornemen zal worden uitgebracht. Eiseres heeft vervolgens vier weken de tijd om haar zienswijze op het voornemen in te dienen. Zodra deze door verweerder is ontvangen, dan wel de termijn voor het indienen van een zienswijze is verstreken, zal naar verwachting binnen twee weken een besluit volgen. Verweerder verwacht dat uiterlijk eind januari 2010 op de asielaanvraag zal worden beslist. Verweerder meent dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb en verzoekt de rechtbank een beslistermijn van twee weken na ontvangst van de zienswijze op te leggen met een daaraan gekoppelde dwangsom, dan wel de door verweerder geschetste omstandigheden in de hoogte van de dwangsom te verdisconteren.

De rechtbank is van oordeel dat de vertraagde besluitvorming niet alleen aan verweerder is te wijten. Uit de gedingstukken volgt dat verweerder in afwachting was van een medische verklaring van een Big of Nipp geregistreerd professional waaruit blijkt dat eiseres in staat kan worden geacht consistente en coherente verklaringen in het kader van haar asielaanvraag af te leggen. Een dergelijke verklaring diende door eiseres te worden overgelegd. Verweerder heeft hierover diverse malen contact gehad met de gemachtigde van eiseres. Eerst bij brief van 15 december 2008 heeft de gemachtigde medegedeeld dat eiseres in staat is om nader te worden gehoord. Hij heeft dit evenwel niet met een medische verklaring van een Big of Nipp geregistreerd professional onderbouwd.

Verweerder heeft desalniettemin op 6 januari 2009 een nader gehoor gepland. Dit gehoor heeft geen doorgang gevonden, omdat eiseres op dat moment strafrechtelijk gedetineerd bleek te zijn (volgens haar gemachtigde waarschijnlijk tot 11 februari 2009).

Ingevolge artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Ingevolge het derde lid kan de rechtbank in bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

De rechtbank ziet in hetgeen hiervoor is overwogen aanleiding te bepalen dat verweerder alsnog, binnen twee weken nadat eiseres haar zienswijze heeft uitgebracht met betrekking tot het door verweerder geuite voornemen, dan wel de termijn voor het uitbrengen van de zienswijze ongebruikt is verstreken, een besluit op de aanvraag neemt.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 10.000,-.

Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op €109,25 (1 punt x factor 0,25 x € 437,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van zeer gering gewicht is, nu dit geding slechts betrekking heeft op de vraag of de beslistermijn van artikel 42 van de Vw 2000 is verstreken.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gegrond;

- draagt verweerder op alsnog een besluit op de aanvraag te nemen binnen twee weken nadat eiseres haar zienswijze heeft uitgebracht met betrekking tot het door verweerder geuite voornemen, dan wel de termijn voor het uitbrengen van de zienswijze ongebruikt is verstreken;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 10.000,-;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in dit geding ten bedrage van € 109,25 te betalen door verweerder aan eiseres.

Aldus vastgesteld door mr. P. Putters en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2010, in tegenwoordigheid van M.G. den Ambtman, griffier.