Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8003

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-01-2010
Datum publicatie
18-03-2010
Zaaknummer
AWB 09/48473, AWB 09/48471
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep inzake de voorgenomen overdracht van verzoekster aan Griekenland als feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000), terwijl verzoekster nog niet is uitgeprocedeerd inzake de weigering verblijfsvergunning (Dublinclaim).

Met het stelsel van de meeromvattende beschikking volgens de Vw 2000 is niet verenigbaar dat de (voorzieningen)rechter zich een inhoudelijk oordeel vormt omtrent de rechtmatigheid van de voorgenomen overdracht van verzoekster aan de Griekse autoriteiten buiten de verblijfsprocedure om. Het verzoek om voorlopige voorziening dient dan ook in zoverre te worden afgewezen en het beroep ongegrond verklaard. Het verzoek wordt tevens behandeld als connex aan het verzet tegen de uitspraak in de verblijfsvergunningprocedure en toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummers: AWB 09/48473 en AWB 09/48471, V-nummer: 273.061.0527,

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

gemachtigde: mr. drs. E.W.B. van Twist, advocaat te Dordrecht,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. F.R. Baeten, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij faxbericht van 24 november 2009 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verweerder haar op 26 november 2009 over te dragen aan de Griekse autoriteiten.

Bij faxbericht van eveneens 24 november 2009 heeft verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Bij uitspraak van 25 november 2009 (09/43349) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, dit verzoek toegewezen en bepaald dat uitzetting van verzoekster achterwege dient te blijven tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.

Bij besluit van 17 december 2009 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij faxbericht van 29 december 2009 beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 09/48471.

Bij faxbericht van eveneens 29 december 2009 heeft verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 09/48473.

Bij faxbericht van 8 januari 2010 heeft verweerder medegedeeld verzoekster op 21 januari 2010 staande te laten houden en zo spoedig mogelijk over te dragen aan de Griekse autoriteiten.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 26 januari 2010 ter zitting behandeld.

Verzoekster is ter zitting verschenen bij gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Het wettelijk kader

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek is gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank en hij van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 heeft de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, of voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33, wordt afgewezen, van rechtswege het gevolg dat de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet.

Ingevolge artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, wordt voor de toepassing van Afdeling 2, Regulier, van de Vw 2000, met een beschikking tevens gelijkgesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig.

2.2. Het bestreden besluit

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de overdracht van verzoekster aan de Griekse autoriteiten rechtmatig is. Verweerder wijst er op dat de beslissing tot uitzetting geen zelfstandig deelbesluit is binnen de meeromvattende beschikking op de aanvraag. De bevoegdheid tot uitzetting is een rechtsgevolg van rechtswege van de afwijzing van die aanvraag. Volgens verweerder is er geen sprake van de omstandigheid dat er door tijdsverloop tussen de afwijzing van de aanvraag en de daadwerkelijke uitzettingshandeling een relevante wijziging van de omstandigheden is opgetreden, zoals bedoeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van

3 december 2008 in de zaak met nummer 200802873/1 (LJN: BG5955). Hetgeen door verzoekster thans in beroep wordt aangevoerd had zij eerder in (hoger) beroep kunnen aanvoeren.

2.3. De gronden van het verzoek

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat van haar niet kan worden verlangd dat zij terugkeert naar Griekenland, nu zij van dat land niets anders te verwachten heeft dan een onmenselijke of mensonwaardige behandeling. Zij vreest voor direct en indirect refoulement. Volgens verzoekster is er sprake van concrete feiten en omstandigheden die in het voorliggende geval nopen tot de conclusie dat zij niet behoorlijk zal worden behandeld in de zaak na terugname. Naar de opvatting van verzoekster dient te worden aangenomen dat de Griekse autoriteiten een eventuele aanvraag niet volgens de minimale normen van het Vluchtelingenverdrag in behandeling zullen nemen. Niet aannemelijk is dat de Griekse autoriteiten alsnog verzoeksters aanvraag om toelating inhoudelijk willen gaan toetsen. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst verzoekster op een aantal interim measures dat door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens tegen Nederland en andere Europese landen is afgegeven. Ook verwijst zij naar een aantal uitspraken van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaatsen Zwolle en Almelo, waarbij in vergelijkbare gevallen verzoeken om voorlopige voorziening zijn toegewezen.

2.4. Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.4.1. Verzoekster heeft eerder op 13 januari 2009 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 22 juli 2009 is deze aanvraag afgewezen met toepassing van artikel 30, aanhef, en onder a, van de Vw 2000. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, met toepassing van artikel 8:54 van de Awb bij uitspraak van 12 november 2009 ongegrond verklaard.

Ter zitting is vast komen te staan dat verzoekster tegen deze uitspraak hoger beroep heeft ingesteld en dat de Afdeling zich hierop onbevoegd heeft geacht van dit hoger beroep kennis te nemen. De Afdeling heeft het hoger beroep doorgezonden naar de rechtbank ter behandeling als verzetschrift. Op dit verzetschrift is thans nog niet beslist.

De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat ten aanzien van de verblijfsprocedure van verzoekster nog niet definitief is beslist.

2.4.2. Het onderhavig beroep is gericht tegen het besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift. Dat bezwaarschrift is gericht tegen een feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, te weten de voorgenomen overdracht van verzoekster aan de Griekse autoriteiten.

2.4.3. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling met betrekking tot het in de Vw 2000 neergelegde wettelijke stelsel ter zake van de toelating en uitzetting van vreemdelingen, is de beslissing tot uitzetting geen zelfstandig deelbesluit binnen de meeromvattende beschikking op de aanvraag om een verblijfsvergunning, maar is de bevoegdheid tot uitzetting een rechtsgevolg van rechtswege van de afwijzing van die aanvraag en is die bevoegdheid niet discretionair van aard. Dat als gevolg van die afwijzing de bevoegdheid tot uitzetting ontstaat, dient derhalve bij het nemen van de beslissing op de aanvraag te worden betrokken en de rechter dient deze beslissing in het licht van dit mede daaraan verbonden rechtsgevolg te toetsen. Zo vermeldt de Memorie van toelichting (Kamerstukken II 1998/1999, 26 732, nr. 3) met betrekking tot artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 onder meer dat de rechter kan oordelen dat de afwijzing van de aanvraag redelijkerwijs niet in stand kan blijven indien de uitzetting van de vreemdeling tot schending van een verdragsverplichting zou leiden en dat de rechter in het oordeel over de afwijzing van de aanvraag zal betrekken dat de afwijzing de uitzetting betekent (de Afdeling 29 mei 2001 in zaak nr. 200101994/1, AB 2001, 266).

Gelet hierop geldt als uitgangspunt dat tegen een beslissing tot uitzetting geen rechtsmiddel openstaat en slechts bij wijze van uitzondering bezwaar en beroep tegen een uitzettingshandeling mogelijk is, namelijk in het geval dat er door tijdsverloop tussen de afwijzing van de aanvraag en de daadwerkelijke uitzettingshandeling een relevante wijziging van de omstandigheden is opgetreden (de Afdeling 3 december 2008, 200802873/1, LJN: BG5955).

Met dit stelsel is niet verenigbaar dat de (voorzieningen)rechter zich een inhoudelijk oordeel vormt omtrent de rechtmatigheid van de voorgenomen feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, te weten de overdracht van verzoekster aan de Griekse autoriteiten, nu zij ten aanzien van haar verblijfsprocedure nog niet is uitgeprocedeerd. Het is immers dat kader waarbinnen de rechtmatigheid van die uitzetting dan wel overdracht van de vreemdeling aan de orde dient te komen. Het verzoek om voorlopige voorziening dient dan ook in zoverre te worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet hierin tevens aanleiding gebruik te maken van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 8:86 van de Awb en onmiddellijk uitspraak te doen op het beroep. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond.

2.4.4. Ten gevolge hiervan is geen sprake meer van een met het verzoek om voorlopige voorziening connex beroep. Omdat deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, nog dient te beslissen op het thans aanhangige verzetschrift zal de voorzieningenrechter om proceseconomische redenen en onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van

4 mei 1998 in de zaak met nummer F01980055/P80 (LJN: AE8937) het verzoek om voorlopige voorziening connex aan dit verzetschrift behandelen.

Sinds de hiervoor in rechtsoverweging 2.4.1. genoemde uitspraak van 12 november 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, verscheidene verzoeken om voorlopige voorziening toegewezen hangende beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd omdat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag (20 november 2009, AWB 09/29471; 30 november 2009, AWB 09/39819 en 11 januari 2010, AWB 09/43657). De voorzieningenrechter acht het derhalve aannemelijk dat het door verzoekster ingediende verzetschrift gegrond zal worden verklaard. Bij afweging van de betrokken belangen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoekster om de beslissing op het verzetschrift in Nederland te mogen afwachten zwaarder weegt dan het belang van verweerder om haar op dit moment te kunnen overdragen aan de Griekse autoriteiten.

Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat verweerder zich dient te onthouden van uitzettingshandelingen jegens verzoekster totdat is beslist op haar verzetschrift tegen de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, van 12 november 2009, waarbij het beroep van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met toepassing van artikel 8:54 van de Awb ongegrond is verklaard.

De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 437, -. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekster nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.

De voorzieningenrechter ziet in de uitkomst van dit geding voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht aan haar vergoedt.

2.5. Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

09/48471 (beroep)

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 december 2009 strekkende tot ongegrondverklaring van verzoeksters bezwaren tegen haar feitelijke overdracht aan de Griekse autoriteiten in het kader van de Verordening (EG) Nr. 343/2003 ongegrond;

09/48473 (vovo)

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat verweerder zich dient te onthouden van uitzettingshandelingen jegens verzoekster totdat is beslist op haar verzet tegen de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, van 12 november 2009, waarbij het beroep van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met toepassing van artikel 8:54 van de Awb ongegrond is verklaard;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 437, -;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 150, - vergoedt.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzieningenrechter, en door deze en

mr. C. Willemsen, griffier, ondertekend.