Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8000

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
18-03-2010
Zaaknummer
AWB 08/27873
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling Afwikkeling Nalatenschap oude Vreemdelingenwet (hierna: de Regeling, omdat aan hem een maand hechtenis is opgelegd, waardoor hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of de door eiser gestelde omstandigheden bijzonder genoeg zijn om verweerder ertoe te moeten brengen gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid die hij heeft op grond van artikel 4:84 van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat het beleid van verweerder om gevaar voor de openbare orde aan te nemen wanneer door de strafrechter (omgerekend) een maand hechtenis is opgelegd niet kennelijk onredelijk is. Ook het uitgangspunt van verweerder dat de Regeling vanwege zijn bijzondere karakter restrictief dient te worden toegepast acht de rechtbank niet onredelijk, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2010. Voorts stelt de rechtbank voorop dat aangevoerde bijzondere omstandigheden slechts kunnen leiden tot een geslaagd beroep op artikel 4:84 van de Awb indien die omstandigheden vallen binnen de strekking en reikwijdte van de Regeling (vergelijk de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 27 juli 2009, welke uitspraak door de Afdeling is bevestigd op 8 december 2009). Omstandigheden die binnen de strekking en reikwijdte van de Regeling vallen maar die bij de totstandkoming daarvan zijn betrokken, zijn echter niet als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb aan te merken (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2009). De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet gehouden was af te wijken van zijn beleid, omdat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet te relateren zijn aan de aan eiser tegengeworpen contra-indicatie, dan wel sprake is van omstandigheden die geacht kunnen worden te zijn verdisconteerd bij het maken van de Regeling. Wat betreft de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheid dat de opgelegde taakstraf de kleinst mogelijke contra-indicatie betrof oordeelt de rechtbank dat nu het uitgangspunt van de Regeling om het vermeende gevaar voor de openbare orde aan te nemen indien minimaal een maand hechtenis is opgelegd, naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk is, dit gegeven voor risico van eiser komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 08/27873, V-nummer: [v-nummer] ,

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. A.J.J. Fraanje, advocaat te Dordrecht,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: drs. J.R. Toussaint, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 31 juli 2008 het bezwaar van eiser van 7 april 2008 tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) (hierna: de Regeling) niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 1 augustus 2008 beroep ingesteld.

Bij besluit van 11 februari 2009 heeft verweerder het bestreden besluit van 31 juli 2008 ingetrokken en gelijktijdig een nieuw besluit genomen, waarbij het bezwaar van 7 april 2008 ongegrond is verklaard.

De zaak is op 3 februari 2010 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen N. Shiranian, tolk.

2. Overwegingen

2.1. Het wettelijk kader

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is Onze Minister bevoegd ambtshalve een verblijfvergunning voor bepaalde tijd te verlenen.

Ingevolge artikel 3.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kunnen bij ministeriële regeling andere beperkingen dan genoemd in het eerste lid worden aangewezen waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend.

Ingevolge artikel 3.17a, aanhef en, voor zover van belang, onder b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) worden als beperking, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, van het Besluit, aangewezen de beperkingen verband houdende met: afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet.

De Regeling is neergelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV), nr. 2007/11, waarbij de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) is gewijzigd. De regeling is opgenomen in hoofdstuk B14/5 van de Vc 2000.

Bij besluit van 19 december 2008, WBV 2008/31, gepubliceerd in de Staatscourant op

29 december 2008, is de regeling met ingang van 1 januari 2009 komen te vervallen.

Ingevolge artikel II van voornoemd besluit blijft de regeling echter onder meer van kracht voor vreemdelingen die tijdig bezwaar hebben aangetekend tegen het besluit, dan wel de feitelijke handeling waarbij is geoordeeld dat er geen grond bestond een verblijfsvergunning op grond van de regeling te verlenen.

Ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

2.2. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit is het bezwaar gericht tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling ongegrond verklaard. Gebleken is dat eiser voor drugsbezit is veroordeeld tot onder meer een taakstraf en dat de vervangende hechtenis die daarmee is verbonden omgerekend een maand bedraagt. Dit geldt als een contra-indicatie voor de verlening van een verblijfstitel op grond van de Regeling. Verweerder ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 4:84 Awb en is van mening dat het horen van eiser achterwege kan blijven. Indien eiser zich wenst te beroepen op medische omstandigheden kan hij een hiertoe strekkende reguliere aanvraag indienen.

2.3. De gronden van het beroep

Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. De kern van zijn betoog laat zich als volgt samenvatten. Eiser is van mening dat verweerder bij de toepassing van artikel 4:84 van de Awb rekening dient te houden met alle door hem aangevoerde bijzondere omstandigheden. Daarvoor verwijst hij naar een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 17 juli 2009 (Awb 08/11383). Het gaat volgens eiser in zijn zaak om een aantal bijzondere omstandigheden. De opgelegde taakstraf betreft de kleinst mogelijke contra-indicatie, omdat de ondergrens net is overschreden. Eiser heeft in tegenstelling tot veel andere veroordeelden zijn taakstraf geheel afgerond. Er is geen sprake van recidive sinds het laatste delict. Het delict had betrekking op persoonlijke, geestelijke omstandigheden (verslaving) die in de hand zijn gewerkt door zijn uitzichtloze verblijfsprocedures. Eiser is er inmiddels in geslaagd af te kicken van zijn harddrugsverslaving. Eiser is de dupe geworden van traagheid in de procedure rondom de Regeling, omdat verweerder zich aanvankelijk (ten onrechte) op het standpunt heeft gesteld dat het niet doen van een aanbod geen besluit inhield waartegen kon worden geprocedeerd.

Eiser is inmiddels diep geworteld in de Nederlandse samenleving. Hij behoort onder meer tot een gewaardeerd lid van een kerkgemeenschap.

2.4. Het oordeel van de rechtbank

2.4.1. De rechtbank overweegt allereerst dat, voor zover het beroep is gericht tegen het ingetrokken besluit van 31 juli 2008, gesteld noch gebleken is dat eiser nog belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit, zodat de rechtbank het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb acht de rechtbank het beroep van eiser van 1 augustus 2008 mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit van 11 februari 2009.

2.4.2. Paragraaf 5.3.1. van onderdeel B14 van de Vc 2000 houdt onder meer in dat de verblijfsvergunning op grond van de Regeling niet wordt verleend indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit is het geval - voor zover hier van belang - indien wegens een misdrijf een veroordeling tot gevangenisstraf heeft plaatsgevonden en het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf(fen) in totaal ten minste een maand bedraagt.

2.4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser voldoet aan bovengenoemde contra-indicatie, omdat de wegens een misdrijf opgelegde taakstraf omgerekend (precies) een maand hechtenis oplevert. Evenmin is in geschil dat de regeling van de verjaring die de Regeling bevat op eiser niet van toepassing is.

2.4.4. Partijen zijn echter verdeeld over het antwoord op de vraag of de door eiser gestelde omstandigheden bijzonder genoeg zijn om verweerder ertoe te moeten brengen gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid die hij heeft op grond van artikel 4:84 van de Awb. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

2.4.5. De rechtbank stelt voorop dat er geen aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat het beleid van verweerder om gevaar voor de openbare orde aan te nemen wanneer door de strafrechter (omgerekend) een maand hechtenis is opgelegd, kennelijk onredelijk is. Hoewel dit niet afdoet aan de verplichting van verweerder om af te wijken van dit beleid wanneer het beleid voor de vreemdeling wegens bijzondere omstandigheden onevenredig is in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen, is ook het uitgangspunt van verweerder dat de Regeling vanwege zijn bijzondere karakter (het gaat om een pardonregeling voor een overzichtelijke groep vreemdelingen die ook praktisch uitvoerbaar dient te zijn) restrictief dient te worden toegepast niet onredelijk (zie in dit verband ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 9 februari 2010, LJN: BL3878, waarin de Afdeling aangeeft dat de Regeling naar strekking en reikwijdte een restrictief op te vatten aanvulling op het vreemdelingenbeleid vormt).

2.4.6. Voorts stelt de rechtbank voorop dat aangevoerde bijzondere omstandigheden slechts kunnen leiden tot een geslaagd beroep op artikel 4:84 van de Awb indien die omstandigheden vallen binnen de strekking en reikwijdte van de Regeling (vergelijk de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 27 juli 2009, LJN: BK4703, welke uitspraak door de Afdeling is bevestigd op 8 december 2009, LJN: BK8884). Omstandigheden die binnen de strekking en reikwijdte van de Regeling vallen maar die bij de totstandkoming daarvan zijn betrokken, zijn echter niet als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb aan te merken (zie de uitspraak van de Afdeling van

15 juli 2009 in de zaak met nr. 200808634/1/V3).

2.4.7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet gehouden was af te wijken van zijn beleid vanwege de door eiser gestelde traagheid in de procedure rondom de Regeling, het feit dat hij inmiddels diep geworteld is in de Nederlandse samenleving en het afronden van de taakstraf, nu deze omstandigheden niet te relateren zijn aan de aan eiser tegengeworpen contra-indicatie. Voorts heeft eiser als bijzondere omstandigheid gesteld dat de opgelegde taakstraf de kleinst mogelijke contra-indicatie betrof. Nu het uitgangspunt van de Regeling om het vermeende gevaar voor de openbare orde aan te nemen indien minimaal een maand hechtenis is opgelegd, zoals de rechtbank hiervoor onder 2.4.4. heeft overwogen, niet onredelijk is, komt dit gegeven echter voor risico van eiser. De stelling van eiser dat hij geen gevaar meer vormt voor de openbare orde, omdat hij sinds het betreffende delict niet meer heeft gerecidiveerd, de persoonlijke omstandigheden waaronder hij het delict heeft gepleegd inmiddels ten positieve zijn gewijzigd en hij erin is geslaagd af te kicken van zijn harddrugsverslaving, acht de rechtbank evenmin omstandigheden die verweerder noopten tot afwijking van zijn beleid, aangezien dit omstandigheden zijn die door fixeren van de bedoelde ondergrens geacht kunnen worden te zijn verdisconteerd bij het maken van de Regeling.

2.4.8. Het beroep is ongegrond.

2.4.9. Voor een proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding.

2.4.10. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

- verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 31 juli 2008

niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 11 februari 2009 ongegrond;

Aldus gegeven door mr. C.J. van der Wilt, rechter, en door deze en mr. N. Jansen, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,