Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL7951

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
18-03-2010
Zaaknummer
AWB 09/8194 WIVD en AWB 09/8272 WIVD
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen weigering verweerders om eiser gegevens te verstrekken aangaande Irak in de jaren 2020 en 2003 gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, meervoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 09/8194 WIVD en AWB 09/8272 WIVD

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder 1,

en

de minister van Defensie, verweerder 2.

I PROCESVERLOOP

Bij brieven ingekomen bij verweerders op 15 december 2008 heeft eiser op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 verzocht om documenten van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst aangaande Irak in de jaren 2002 en 2003.

Bij besluiten van 9 april 2009 hebben verweerders het verzoek afgewezen.

Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft verweerder 2 het tegen de afwijzing van het verzoek gemaakte bezwaar van eiser, overeenkomstig het advies van de Commissie advisering bezwaarschriften defensie, ongegrond verklaard.

Bij besluit van 9 november 2009 heeft ook verweerder 1 het tegen de afwijzing van het verzoek gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten heeft eiser bij brief van 19 november 2009, ingekomen bij de rechtbank op 24 november 2009, beroep ingesteld.

Verweerders hebben op 10 december 2009 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 januari 2009 heeft eiser nadere stukken overgelegd.

De zaak is op 4 februari 2010 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen.

Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C. Pietermaat.

Als getuige is gehoord mr. [getuige].

II OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 15, aanhef en onder b, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv) dragen de hoofden van de diensten zorg voor de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende bronnen waaruit gegevens afkomstig zijn.

Ingevolge artikel 45 van de Wiv kan van de gegevens verwerkt door of ten behoeve van een dienst slechts kennis worden genomen overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Wiv, voor zover hier van belang, deelt de betrokken Minister een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk mede of kennis kan worden genomen van andere dan persoonsgegevens betreffende de in de aanvraag vermelde bestuurlijke aangelegenheid.

Ingevolge artikel 55, eerste lid aanhef en onder b, van de Wiv wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 51 afgewezen voor zover verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft de nationale veiligheid zou kunnen schaden.

Ingevolge artikel 55, tweede lid aanhef en onder g, van de Wiv wordt een aanvraag voorts afgewezen voor zover het belang van verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft, niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden.

2.1 Bij brief van 15 december 2008 heeft eiser verzocht om “inzage in rapportages, verslagen, analyses, evaluaties, documenten en bijdrages aan notities aangaande Irak in de jaren 2002 en 2003”, aanwezig bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), waarbij ‘aangaande Irak’ ruim dient te worden opgevat: de aanwezigheid van massavernietigingswapens, de rol van de VN, de wapeninspecties, de inschattingen van de Verenigde Staten en Groot Brittannië. Verweerders hebben met verwijzing naar artikel 55, tweede lid aanhef en onder g, van de Wiv verstrekking van de gevraagde documenten geweigerd in verband met onevenredige benadeling van de inmiddels ingestelde commissie Davids en de regering. Voor zover andere documenten aanwezig zijn hebben verweerders verstrekking daarvan geweigerd omdat anders bronnen, gebruikte werkwijzen of gegevens van derden worden prijsgegeven.

2.2 Eiser stelt dat verweerders zich ten onrechte op de weigeringsgrond ingevolge artikel 55, tweede lid aanhef en onder g, van de Wiv beroepen, omdat de commissie Davids als volstrekt onafhankelijke commissie niet betrokken is bij een bestuurlijke aangelegenheid. Voorts is eiser van mening dat de publicitaire effecten de werkwijze en contacten van de commissie Davids niet zullen verstoren of nadelig beïnvloeden. Overigens is sprake van strijd met een goede procesorde waar verweerder naast benadeling van de commissie Davids als nieuw argument en zonder onderbouwing ook benadeling van de regering stelt. Voor zover de weigering is gebaseerd op de noodzakelijke bescherming van bronnen, gebruikte werkwijzen of gegevens van derden stelt eiser dat deze weigering niet kan gelden voor alle door hem verzochte documenten, omdat zich daarbij ook documenten bevinden die zijn opgesteld voor derden. Deze documenten kunnen, met geheimhouding van bron en werkwijze, zonder meer worden verstrekt en zijn deels ook al eerder aan anderen verstrekt.

2.3 Verweerders hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3.1 Eiser betoogt dat hij, ook na het uitbrengen van het rapport van de commissie Davids, nog steeds openbaarmaking wenst van de documenten, zoals gevraagd. Dit betekent dat eiser procesbelang heeft bij de behandeling van zijn beroep. Verweerders hebben zich wel op het standpunt gesteld dat de grond voor de weigering tot openbaarmaking met het uitbrengen van het rapport in kwestie niet langer wordt gehandhaafd, maar hebben de besluiten tot weigering niet ingetrokken en zijn evenmin door over te gaan tot (eventueel gedeeltelijke) openbaarmaking zoals door eiser verzocht feitelijk aan eisers verzoeken tegemoet gekomen. Verweerders hebben ermee volstaan toe te zeggen dat op de door eiser op instigatie van verweerders gedane nieuwe verzoeken tot openbaarmaking binnen drie maanden zal worden beslist. Dit klemt te meer nu de onder de verantwoordelijkheid van verweerders vallende AIVD en MIVD, blijkens de ter zitting aflegde verklaring van de voorzitter van de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD), in juni 2009 op de hoogte zijn gesteld van het standpunt van de CTIVD over de rechtmatigheid van de weigering tot openbaarmaking als hier in geding, zoals hieronder in rechtsoverweging 3.2 weergegeven.

3.2 Bij brieven van 9 november 2009 aan verweerders heeft de CTIVD met betrekking tot de weigering van inzage het volgende standpunt ingenomen: “De Commissie onderkent het grote belang van de werkzaamheden van de Commissie-Davids. Zij ziet evenwel niet in hoe het vertrekken van – voor de openbaarheid geschikte – gegevens zal leiden tot benadeling van de betreffende commissie, laat staan tot onevenredige benadeling. De Commissie is van mening dat zelfs al zou sprake zijn van het benadelen van de Commissie-Davids, dit niet dermate zwaar kan wegen dat hiermee een moratorium op het verstrekken van gegevens is gerechtvaardigd. Aan het publieke belang van openbaarheid moet naar het oordeel van de Commissie een groter gewicht worden toegekend.”

De rechtbank onderschrijft het standpunt van de CTIVD volledig. Dit betekent dat de weigering van verweerders om eisers verzoeken in te willigen ten onrechte is gebaseerd op artikel 55, tweede lid, aanhef en onder g, van Wiv, dat de beroepen gegrond behoren te worden verklaard en dat de bestreden besluiten behoren te worden vernietigd.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het besluit van 29 oktober 2009 van verweerder 2 en het besluit van 9 november 2009 van verweerder 1;

- bepaalt dat verweerders een nieuwe beslissing nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder 1 aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 150,-- vergoedt;

- bepaalt dat verweerder 2 aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 150,-- vergoedt.

Aldus vastgesteld door mrs. W.M.A. der Weduwe-de Groot, G.P. Kleijn en

E. Kouwenhoven, in tegenwoordigheid van de griffier A.M.M. Hendrikx.

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.