Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL7892

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
358352 - KG ZA 10-146
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ5978, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad?; schending zorgplicht bank?; opzeggen kredietovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 12 maart 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 358352 / KG ZA 10-146 van:

[eiser], h.o.d.n. [handelsnaam].,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. N. Sickler-Overeem te ’s-Gravenhage,

tegen:

1. de coöperatie De Coöperative Rabobank Westland U.A.,

gevestigd en kantoorhoudende te Naaldwijk,

2. de naamloze vennootschap Rabohypotheekbank N.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Utrecht,

gedaagden,

advocaat mr. T.M.D. van den Beld te Utrecht.

Eiser wordt hierna aangeduid als ‘[eiser]’ en gedaagden gezamenlijk als ‘de Rabobank’.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 25 februari 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. [Eiser] exploiteert een tuinbouwbedrijf dat zich bezighoudt met het kweken van amaryllisbollen. De bollen worden in augustus/september van ieder jaar geoogst en de betalingen voor de verkopen worden voor ongeveer 85% in november en voor ongeveer 15% in januari ontvangen.

1.2. Op 14 juli 2006 heeft [eiser] vijf financieringsovereenkomsten afgesloten bij de Rabobank voor de aankoop van grond en opstallen ten behoeve van zijn tuinbouwbedrijf.

1.3. In de op voornoemde financieringsovereenkomsten toepasselijke algemene bankvoorwaarden staat in artikel 30 vermeld dat de relatie tussen partijen zowel door de klant ([eiser]) als de Rabobank te allen tijde kan worden opgezegd.

1.4. In de ‘Algemene voorwaarden voor zakelijke geldleningen van de Rabobankorganisatie 2001’ staat in artikel 16 onder a vermeld dat het door de debiteur aan de bank verschuldigde terstond opeisbaar is indien de debiteur nalatig is in de nakoming van zijn verplichtingen.

1.5. Omdat de bollen eenmaal per jaar geoogst worden, bestaat de mogelijkheid voor bedrijven om bij de Rabobank een seizoensfinanciering af te sluiten, inhoudende een kortlopende financieringsovereenkomst voor de duur van maximaal negen maanden, teneinde het lopende jaar voor te financieren. Deze geldlening wordt in de regel medio december afgelost, na ontvangst van de verkoopopbrengst van de bollen.

1.6. [Eiser] heeft in 2006 en in 2007 een seizoenskrediet ten bedrage van € 250.000,-- verstrekt gekregen van de Rabobank en in 2008 een krediet ten bedrage van € 500.000,--.

1.7. Bij brief van 24 juli 2008 heeft de Rabobank aan [eiser] onder meer het volgende meegedeeld:

“(…)

De bank heeft op basis van de forse vreemd vermogenspositie, de onzekerheid op de energiemarkt, de toegenomen concurrentie in het door u geteelde product, de slechte rentabiliteit in de achterliggende jaren en daaruit voortvloeiende zéér slechte liquiditeitspositie de conclusie getrokken dat er geen perspectief meer is voor uw bedrijf.

(…)

Op uw vraag wat dit concreet voor u en uw gezin betekent heb ik u meegedeeld dat Rabobank Westland u niet verder financiert en dat het mij verstandig lijkt het bedrijf te beëindigen.

(…)”.

1.8. De Rabobank heeft bij brief van 24 februari 2009 het volgende aan [eiser] meegedeeld:

“(…)

In 2008 heeft Rabobank Westland u onder druk van de omstandigheden een seizoensfinanciering beschikbaar gesteld. Tevens is bij herhaling aan u meegedeeld dat de bank van mening is dat uw bedrijf, mede tengevolge van de zéér hoge schuldenpoisitie en gebrek aan eigen vermogen, feitelijk beëindigd zou moeten worden. U verzet zich hevig tegen ons standpunt en bent van mening dat u onvoldoende gelegenheid hebt gekregen te bewijzen dat uw bedrijf wel degelijk toekomstmogelijkheden kent. (…)

Nu al geruime tijd sprake is van een ongeoorloofde overschrijding van uw krediet in rekening courant in combinatie met het gebrek aan financieel inzicht en gebrek aan reële toekomstmogelijkheden voor uw bedrijf rest ons niet anders dan tot formele opzegging van de aan u verstrekte financieringen over te gaan. (…)

Uiterlijk 1 maart ontvang ik van u een getekende verkoopopdracht aan een makelaar voorzien van een waardering van uw bedrijf (door die betreffende makelaar) met daarbij de vrije verkoopwaarde alsmede een executiewaarde van het bedrijf en de visie van de makelaar binnen welk tijdbestek uw bedrijf verkocht kan zijn.

(…)”.

1.9. Bij brief van 24 juni 2009 bevestigt de Rabobank aan [eiser] dat zij heeft besloten geen seizoensfinanciering meer te verstrekken. Voorts deelt de Rabobank aan hem mee dat in haar visie niets anders rest dan dat [eiser] zijn bedrijf beëindigt of de financiering elders onderbrengt. Tot slot deelt de Rabobank mee dat zij zal overgaan tot formele opzegging van de financieringsovereenkomsten.

1.10. Bij brief van 23 juli 2009 heeft de Rabobank de financieringsovereenkomsten opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van vier maanden.

1.11. De Rabobank heeft in een brief van 23 oktober 2009 gereageerd op een door [eiser] tijdens een bespreking gedaan voorstel. Het voorstel hield – kort gezegd – in dat [eiser] de seizoensfinanciering bij derden zou onderbrengen en dat de Rabobank uitstel van aflossing zou verlenen voor de duur van één jaar. De Rabobank vond dit voorstel bespreekbaar, met dien verstande dat zij maximaal zes maanden uitstel van aflossing wilde verlenen.

1.12. In een brief van 23 november 2009 heeft de advocaat van [eiser] in haar hoedanigheid van voorzitter van de Stichting Kredietbehoud de Rabobank aangeschreven met de mededeling dat de Rabobank in de visie van de stichting in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende zorgplicht.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. [Eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Rabobank:

I. te bevelen om de financieringsovereenkomsten, waaronder de jaarlijkse seizoensfinanciering die daarvan deel uitmaakt, na te komen;

II. te bevelen om met [eiser] in overleg te treden over de aanpassingen van de financieringsbehoefte onder de bestaande financieringsovereenkomsten;

III. te verbieden om gedurende minimaal een jaar na dit vonnis haar zekerheden uit te winnen;

IV. te verbieden om gedurende minimaal een jaar na dit vonnis de geldleningen in te (doen) lossen met betalingen via andere bij haar door [eiser] aangehouden bankrekening(en) voor zover dit hogere rentelasten tot gevolg heeft.

Alles op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.2. Daartoe voert [eiser] het volgende aan.

De Rabobank handelt onrechtmatig jegens [eiser] door de financieringsovereenkomsten op te zeggen. De opzegging is geschied in strijd met de op haar rustende zorgplicht. [eiser] is al jarenlang actief in de amarylliskwekerij en bankiert al sinds 1986 bij de Rabobank. De Rabobank heeft geen redelijke grond om de financieringsovereenkomsten op te zeggen, omdat de bedrijfsresultaten over 2008 positief waren en er voor 2009 een winstverwachting is. De Stichting Kredietbehoud heeft bij brief van 23 november 2009 dit standpunt van [eiser] onderschreven en meegedeeld aan de Rabobank.

2.3. De Rabobank voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. De voorzieningenrechter zal een voorlopig oordeel geven over de vraag of de opzegging van de financieringsovereenkomsten door de Rabobank bij brief van 23 juli 2009 het door haar beoogde rechtsgevolg heeft.

3.2. Als uitgangspunt heeft te gelden dat in artikel 30 van de toepasselijke algemene bankvoorwaarden is neergelegd dat de relatie tussen partijen door ieder van hen te allen tijde kan worden opgezegd. De eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de concrete omstandigheden van het geval kunnen echter meebrengen dat opzegging slechts tot een rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst leidt indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat.

Voor een bank geldt daarbij dat zij in verband met de maatschappelijke functie van banken een bijzondere zorgplicht heeft, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van die zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval.

Een en ander betekent dat een opzegging van de financiering van een onderneming in overeenstemming zal moeten zijn met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, in die zin dat met een minder ingrijpend middel zal moeten worden volstaan indien de bank daarmee dezelfde zekerheid kan verkrijgen dat de door haar verstrekte leningen zullen worden afgelost. De rechter zal de beslissing van de bank in beginsel terughoudend dienen te toetsen, omdat hij niet de plaats van bankier kan innemen.

3.3. De voorzieningenrechter stelt vast dat bij de Rabobank al vóór juli 2009 ernstige twijfel was gerezen over de kredietwaardigheid van het bedrijf van [eiser]. Deze twijfels heeft hij ondanks vele pogingen niet kunnen wegnemen. De Rabobank heeft bij haar motivering van de opzegging van de financieringsovereenkomsten bij brief van 23 juli 2009 aangesloten bij haar eerder genoemde gronden, vermeld in de brieven van 24 juli 2008, 24 februari 2009 en 24 juni 2009, waarin [eiser] werd geadviseerd om tot bedrijfsbeëindiging over te gaan. Vast staat dat de aan [eiser] verstrekte seizoenskredieten de afgelopen jaren steeds zijn verhoogd, terwijl de Rabobank onweersproken heeft gesteld dat het gebruikelijk is dat het seizoenskrediet jaarlijks wordt verminderd, omdat een goed lopend bedrijf steeds meer eigen middelen kan reserveren. [eiser] heeft in de afgelopen jaren kennelijk onvoldoende eigen middelen opzij kunnen zetten. Hier komt bij dat [eiser] ter zitting heeft bevestigd dat hij al geruime tijd geen aflossingen meer heeft gedaan op zijn leningen, hetgeen op zichzelf mogelijk al voldoende grond is de financieringen per direct op te eisen. Dit een en ander leidt vooralsnog tot het oordeel dat de Rabobank in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat de financiële risico’s voor haar te groot werden. Dit brengt mee dat er voor de bank een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging van de financieringsovereenkomsten was.

3.4. Vervolgens moet worden beoordeeld of de Rabobank ondanks die zwaarwegende grond in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht. Uit de overgelegde brieven, hiervoor genoemd onder 1.7, 1.8 en 1.9, blijkt dat de Rabobank [eiser] voldoende heeft gewaarschuwd voor de consequenties van de bedrijfsfinanciële situatie en dat de aankondiging van de opzegging voor [eiser] niet onverwacht kan zijn geweest. Daar komt bij dat aan [eiser] een opzegtermijn van vier maanden is gegund, hetgeen langer is dan contractueel overgekomen. In de regel kan een dergelijke termijn, waarbinnen een financieel gezond bedrijf nieuwe financiering moet kunnen regelen, als redelijk worden beschouwd. Gesteld noch gebleken is dat die termijn tekort was. Wel heeft [eiser] gedurende de opzegtermijn nog een voorstel gedaan waarbij een derde partij een deel van de financiering van de Rabobank zou overnemen en hij uitstel van betaling zou krijgen voor de duur van één jaar ter zake van de aflossing. De Rabobank heeft dit voorstel aanvaard, met dien verstande dat zij het uitstel van betaling maximaal voor zes maanden wilde toestaan. [eiser] heeft echter aan dat voorstel geen (nadere) uitvoering gegeven, althans is gesteld noch gebleken dat hij een derde partij bereid heeft gevonden een deel van de financiering op zich te willen nemen. Dat de Stichting Kredietbehoud de handelwijze van de Rabobank als strijdig met haar zorgplicht beschouwt, acht de voorzieningenrechter van ondergeschikt belang, nu dat geen oordeel is van een onafhankelijke derde. De brief is immers geschreven door de advocaat van [eiser]. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat de Rabobank in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld door de financieringsovereenkomsten met [eiser] met inachtneming van een termijn van vier maanden op te zeggen.

3.5. Op grond van het voorgaande zullen de vorderingen onder I en II worden afgewezen. De overige vorderingen zullen eveneens worden afgewezen, omdat de geldleningen door de rechtsgeldige opzegging nu eenmaal op termijn opeisbaar zijn geworden.

3.6. [Eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, aan de zijde van de Rabobank tot dusverre begroot op € 1.079,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 263,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2010.

nve