Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL7854

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2010
Datum publicatie
18-03-2010
Zaaknummer
09-665020-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Feit: Het laten maken van foto's van ontuchtige handelingen, door stiefdochter van verdachte, die de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt.

primair vrijspraak en subsidiair 4 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. En een werkstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

Hangt samen met de zaak met parketnummer 09/665021-09 en LJN: BL7820

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/665020-09

Datum uitspraak: 12 maart 2010

Tegenspraak

Promis

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] in 1956,

adres: [adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 26 februari 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.J. Berton en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. M.R. Backer, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 april 2005 tot en met 24 mei 2007 te 's-Gravenhage, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het (meermalen) door [het slachtoffer] laten maken van foto's van verdachte en zijn mededader (welke de moeder van [het slachtoffer] is) terwijl deze seks (onder meer penetratie van de penis in de vagina) met elkaar hadden en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit

- het in de hoedanigheid van stiefvader vragen aan [het slachtoffer] om foto's te maken terwijl verdachte en zijn mededader seks met elkaar hadden hadden en/of

- het geven van aanwijzingen aan [het slachtoffer] bij het maken van die foto's en/of

-(mede door het verschil in leeftijd en/of het feit dat verdachte de stiefvader is van [het slachtoffer] en/of dat medeverdachte de moeder is van [het slachtoffer]) fysiek en/of geestelijk overwicht dat verdachte en/of zijn mededader heeft/hebben over [het slachtoffer] ;

art 246 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 april 2005 tot en met 24 mei 2007 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] in 1992, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) hebben/heeft gepleegd, bestaande uit het (meermalen) door [het slachtoffer] laten maken van foto's van verdachte en zijn mededader (welke de moeder van [het slachtoffer] is) terwijl deze seks (onder meer penetratie van de penis in de vagina) met elkaar hadden;

art 247 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in een periode van twee jaar zijn stiefdochter [slachtoffer] foto's heeft laten maken van hem en zijn partner (de moeder van [het slachtoffer]) terwijl zij seks hadden. [het slachtoffer] was op dat moment nog geen 16 jaar. Primair is dit ten laste gelegd als het medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid en subsidiair als medeplegen van ontucht met iemand beneden de leeftijd van 16 jaar.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte vrij zal spreken van het onder primair ten laste gelegde feit en wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het onder subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat verdachte van het hem onder primair ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken, omdat er geen wettig en overtuigend bewijs is. Voorts moet verdachte volgens de raadsman worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor het hem onder subsidiair ten laste gelegde feit, nu het (doen) maken van foto's niet kan worden gekwalificeerd als ontucht met een minderjarige. Door de raadsman is voorts aangevoerd dat de door [het slachtoffer] afgelegde verklaring niet zonder meer als betrouwbaar kan worden aangemerkt, gelet op de omstandigheid dat zij tijdens het informatieve gesprek met de politie verwarrend heeft verklaard en ook locaties niet altijd duidelijk heeft benoemd. Tijdens het studioverhoor is deze verwarring, naar het oordeel van de raadsman, allerminst opgehelderd.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Voor zover de raadsman heeft bepleit dat de verklaring van [het slachtoffer] niet zonder meer als betrouwbaar kan worden aangemerkt, merkt de rechtbank op dat zij slechts dat gedeelte van de verklaring van [het slachtoffer] voor het bewijs zal gebruiken, dat door beide verdachten is bevestigd. De rechtbank acht dit deel van haar verklaring derhalve wel betrouwbaar.

De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af. (1)

In december 2005 heeft verdachte een relatie gekregen met medeverdachte [medeverdachte]. In januari 2006 zijn zij gaan samenwonen in een woning aan de [adres]. (2) Bij hen woonde [slachtoffer], de dochter van [medeverdachte]. (3) Op 18 december 2006 zijn verdachte en [medeverdachte] uit deze woning gezet, omdat de huur niet meer werd betaald. Zij zijn toen met [het slachtoffer] bij de dochter van verdachte in [woonplaats] gaan wonen. (4) Op 29 april 2007 is [het slachtoffer] bij haar vader, [naam], gaan wonen. Sinds 24 mei 2007 staat zij daar ook ingeschreven. (5)

[het slachtoffer] is geboren op [geboortedatum] 1992. (6)

Op 21 februari 2008 verschenen [het slachtoffer] en haar vader op het politiebureau. [het slachtoffer] verklaarde toen onder meer dat zij, toen ze nog bij verdachte en haar moeder woonde, foto's van hen heeft moeten maken terwijl zij seks met elkaar hadden. (7) Later heeft [het slachtoffer] verklaard dat het nemen van de foto's plaatsvond in de woning in Den Haag (8) en dat zij bang was om door verdachte geslagen te worden als zij de foto's niet zou maken. (9)

Verdachte en [medeverdachte] hebben beiden bevestigd dat [het slachtoffer] foto's van hen heeft gemaakt terwijl zij seks met elkaar hadden. Verdachte heeft omtrent de frequentie het volgende verklaard:

- "Het klopt dat [het slachtoffer] tijdens het hebben van seks bij ons op de kamer kwam en daar foto's van heeft gemaakt. Dit is volgens mij 2 of 3 keer gebeurd." (10)

- "Het is heel vaak gebeurd." (11)

- "Het is hooguit twee keer gebeurd." (12)

[medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat zij in het begin moest wennen aan het feit dat [het slachtoffer] foto's van haar en verdachte nam tijdens de seks, maar dat ze het op den duur wel leuk vond. Verder heeft zij verklaard dat [het slachtoffer] meestal een foto of 10 maakte. (13)

Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij [het slachtoffer] instructies heeft gegeven hoe zij de foto's moest nemen. (14) Verdachte heeft [het slachtoffer] verteld dat ze tussen zijn benen door foto's moest nemen. (15) Zij stond dan aan het voeteneind van het bed. (16) [het slachtoffer] nam vervolgens foto's van verdachte en [medeverdachte] in diverse standen, voordat hij "erin ging bij [medeverdachte], erin zat en er weer uit kwam". (17) Verdachte heeft [het slachtoffer] instructies gegeven, omdat hij wilde dat er mooie foto's genomen zouden worden. (18) [medeverdachte] heeft bij de politie bevestigd dat [het slachtoffer] op aanwijzingen van verdachte tussen de benen van verdachte door foto's maakte en dan goed kon zien dat hij erin en eruit ging. (19)

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] - in de periode van 16 april 2005 tot en met 24 mei 2007 in Den Haag - [het slachtoffer] meermalen foto's van hen hebben laten maken, terwijl zij seks (waaronder penetratie) met elkaar hadden. Verdachte heeft [het slachtoffer] hierbij zeer specifieke aanwijzingen gegeven.

Kwalificatie

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of dit feitencomplex kwalificeerbaar is als het onder primair dan wel het onder subsidiair ten laste gelegde strafbare feit. De rechtbank acht niet bewezen dat [het slachtoffer] gedwongen werd de foto's te maken door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid. Hoewel [het slachtoffer] heeft verklaard dat zij bang was om door verdachte te worden geslagen als zij de foto's niet zou nemen, is onvoldoende duidelijk geworden waarop die angst zou zijn gegrond. [het slachtoffer] noemt in haar verklaring geen door verdachte jegens haar gepleegde geweldshandelingen, die zouden kunnen ondersteunen dat zij een gerechtvaardigde vrees had dat verdachte (wederom) geweld tegen haar zou uitoefenen indien zij de foto's niet zou nemen. Ook verder blijkt niet waaruit de voor dit feit noodzakelijke dwang specifiek zou hebben bestaan. Het primair ten laste gelegde feit kan daarom niet bewezen worden, zodat de rechtbank verdachte daarvan zal vrijspreken.

Voor bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit, medeplegen van ontucht met iemand beneden de leeftijd van 16 jaar, is noodzakelijk dat het laten maken van de foto's door [het slachtoffer], zoals dat hier aan de orde is, een ontuchtig karakter draagt. Verder is daarvoor noodzakelijk dat het tenlastegelegde handelen kan worden aangemerkt als het plegen van ontucht met [het slachtoffer].

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. De aan de ontucht met [het slachtoffer] ten gronde liggende ontuchtige handelingen zijn in de tenlastelegging nader uitgewerkt als het laten maken van foto's door [het slachtoffer] van de seksuele handelingen die tussen haar stiefvader en haar moeder hebben plaatsgevonden. Hoewel normaal gesproken het enkele (doen) nemen van foto's niet als ontuchtig kan worden aangemerkt, kan die handelwijze naar het oordeel van de rechtbank in onderhavige zaak wel als zodanig worden gekwalificeerd. Het laten maken van foto's van seksuele handelingen, zoals dat in deze zaak door [het slachtoffer] is gebeurd, kan immers niet los worden gezien van de seksuele context waarin die foto's door haar zijn genomen. Het betreft in deze foto's van seksueel contact tussen de stiefvader en moeder van [het slachtoffer], dat voor haar ogen plaatsvond, waarbij de rechtbank mede het expliciete karakter van de door haar vastgelegde beelden (de penetratie) in ogenschouw neemt. Het doen maken van dergelijke foto's wordt door de rechtbank als ontuchtige handeling in de zin van artikel 247 Sr aangemerkt.

Ten aanzien van de vraag of het aldus laten maken van foto's ook kan worden aangemerkt als ontucht met [het slachtoffer], geldt het volgende. In een arrest van 30 november 2004 heeft de Hoge Raad met betrekking tot de vraag of er sprake kan zijn van ontucht met een minderjarige ondanks het ontbreken van lichamelijk contact tussen de desbetreffende verdachte en het minderjarige slachtoffer het volgende overwogen:

"Voor wat betreft de bewezenverklaarde seksuele gedragingen van de verdachte die niet met lichamelijk contact gepaard gingen, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet meer worden afgeleid dan dat de verdachte de minderjarigen zonder daarbij iets van hen te verlangen, met die gedragingen heeft geconfronteerd, terwijl overigens die bewijsmiddelen niets inhouden omtrent enige voor het plegen van ontucht met die minderjarigen relevante interactie tussen de verdachte en die minderjarigen. De zich aldus voordoende, enkele omstandigheid dat, zoals ook is bewezenverklaard, die gedragingen zijn verricht in het bijzijn van die minderjarigen brengt evenwel niet mee dat die gedragingen kunnen worden aangemerkt als het plegen van ontucht met die minderjarigen, zoals bedoeld in de art. 247 en 249 Sr." (20)

Deze overweging van de Hoge Raad moet naar het oordeel van de rechtbank aldus worden begrepen dat van ontucht met een minderjarige als bedoeld in artikel 247 Sr onder omstandigheden ook sprake kan zijn zonder dat de gepleegde seksuele gedragingen gepaard gaan met lichamelijk contact tussen de daadwerkelijke pleger van de seksuele gedragingen en de minderjarige, en wel indien ten aanzien van die gedragingen iets van de minderjarige wordt verlangd en dit een voor de ontucht relevante interactie tussen de verdachte en de minderjarige tot gevolg heeft..

In de onderhavige zaak is als ontuchtige handeling aangemerkt het doen nemen van foto's met een expliciet seksueel karakter. Dit laat onverlet dat voor het plegen van ontucht met [het slachtoffer], die de foto's van verdachte en haar moeder heeft genomen, noodzakelijk is dat er sprake is geweest van een verlangen in de richting van [het slachtoffer] gevolgd door een interactie tussen haar, verdachte en haar moeder met betrekking tot het nemen van die foto's. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit in de onderhavige zaak plaatsgevonden. De rechtbank overweegt hieromtrent allereerst dat het geen verschil maakt of [het slachtoffer] tot het maken van de foto's opdracht heeft gekregen of dat [het slachtoffer] in eerste instantie zelf is begonnen met het maken van de foto's, zoals verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] hebben verklaard. Voor ontucht in de zin van artikel 247 Sr is immers in beginsel niet van belang of de desbetreffende handelingen vrijwillig dan wel tegen de wil van het slachtoffer zijn gepleegd. Indien het zo is dat verdachte [het slachtoffer] geen opdracht heeft gegeven tot het maken van foto's, heeft hij haar niet gesommeerd te stoppen met het maken van die foto's en haar zelfs aangemoedigd om er mee door te gaan. Verdachte heeft haar bovendien specifieke aanwijzingen gegeven met betrekking tot de wijze waarop en op welke momenten die foto's moesten worden genomen. Verdachte wilde in feite close-ups van de momenten waarop hij met zijn penis in de vagina van [medeverdachte] ging, met zijn penis in die vagina was alsmede er met zijn penis weer uit ging. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij er op wilde toezien dat door [het slachtoffer] "mooie foto's" werden genomen. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat [het slachtoffer] tussen zijn benen door moest fotograferen, omdat hij gewoon zo een foto wilde hebben. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte door het geven van de aanwijzingen zoals hiervoor beschreven van [het slachtoffer] iets heeft verlangd dat in directe relatie stond met de seksuele handelingen die hij met [medeverdachte] pleegde, namelijk het maken van foto's op de wijze zoals hem dat voor de geest stond. [het slachtoffer] heeft die aanwijzingen ook opgevolgd. Daarbij is een voor ontucht relevante interactie ontstaan tussen [het slachtoffer], verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte]. Hoewel [medeverdachte] zelf geen aanwijzingen heeft gegeven, geldt hier dat zij het maken van de foto's niet heeft verhinderd, zelfs daartegen niet heeft geprotesteerd. Zij heeft de seksuele handelingen met verdachte niet afgebroken toen het voor haar duidelijk werd op welke wijze de foto's werden genomen. Door aldus te handelen heeft zij een essentiële bijdrage geleverd aan de ontucht met [het slachtoffer].

De rechtbank acht het onder subsidiair ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen, alsmede kwalificeerbaar als het medeplegen van ontucht met een minderjarige als bedoeld in artikel 247 Sr.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

in de periode van 16 april 2005 tot en met 24 mei 2007 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1992, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het meermalen door [het slachtoffer] laten maken van foto's van verdachte en zijn mededader (welke de moeder van [het slachtoffer] is) terwijl deze seks (onder meer penetratie van de penis in de vagina) met elkaar hadden.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het hem bij dagvaarding onder primair tenlastegelegde feit wordt vrijgesproken en dat verdachte voor het hem bij dagvaarding onder subsidiair tenlastegelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat verdachte van het hem onder primair tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken en dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor het hem onder subsidiair tenlastegelegde feit.

Subsidiair verzoekt de raadsman de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn minderjarige stiefdochter. Hij heeft haar foto's laten maken van hem en zijn partner, de moeder van het slachtoffer, terwijl zij seks met elkaar hadden. Verdachte heeft de seksuele integriteit van het slachtoffer, ten tijde van het ten laste gelegde slechts tussen de 13 en 15 jaar oud, door zijn handelingen ernstig geschonden. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij nooit heeft beseft - en naar het oordeel van de rechtbank nog steeds onvoldoende beseft - dat minderjarigen, die worden betrokken bij dit soort seksuele handelingen, hierdoor psychische schade kunnen oplopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen, doordat zij met dergelijke feiten worden geconfronteerd, kunnen worden belemmerd in het doormaken van een gezonde (seksuele) ontwikkeling. Dat de gebeurtenissen een onuitwisbare indruk op het slachtoffer hebben gemaakt, blijkt wel uit de schriftelijke slachtofferverklaring, welke door de rechtbank ter terechtzitting is voorgelezen.

Uit een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte nog niet eerder voor een dergelijk strafbaar feit met justitie in aanraking is geweest. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland van 22 juni 2009. De rapporteurs concluderen dat verdachte geen grenzen lijkt te kennen op het gebied van seksualiteit ten aanzien van zijn (stief-)kinderen. Zij hebben de indruk dat seks erg centraal staat in het leven van verdachte en dat hij de gevolgen voor zijn (stief-)kinderen van zijn vrije seksuele opvoeding onvoldoende overziet. De rapporteurs achten daarom een

(zeden-)behandeling bij De Waag geïndiceerd. Verdachte heeft echter verklaard hieraan niet mee te willen werken.

De rechtbank houdt voorts rekening met het tijdsverloop in deze strafzaak.

Gelet op het vorenstaande, acht de rechtbank een werkstraf van nader te noemen duur passend en geboden. De rechtbank vindt een werkstraf meer van toepassing dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, hij nog niet eerder voor soortgelijke feiten met justitie in contact is geweest alsmede gelet op het tijdsverloop. De rechtbank zal daarentegen wel een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, als stok achter de deur. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de ernst van zijn handelen onvoldoende inziet en hoopt met een fikse voorwaardelijke gevangenisstraf de kans op recidive te verkleinen.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

medeplegen van met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een werkstraf voor de duur van 120 uren;

bepaalt dat de werkstraf bij gebreke van uitvoering zal worden vervangen door hechtenis voor de tijd van 60 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs M.M. Meessen, voorzitter,

Y.J. Wijnnobel-Van Erp en P.C. Krekel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.M. van Heemst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2010.

(1) Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's betreffen dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal van politie Haaglanden, genummerd PL1551/2008/3317-19, d.d. 23 december 2008, met bijlagen (blz. 1 t/m 90).

(2) Verklaring verdachte ter terechtzitting van 26 februari 2010; proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 71, 4e alinea.

(3) Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 73, 4e alinea.

(4) Verklaring verdachte ter terechtzitting van 26 februari 2010; proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 72, 9e alinea.

(5) Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 65, voorlaatste alinea; proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 86.

(6) Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 62, verklaring van verhoor getuige, blz. 64; proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 86.

(7) Proces-verbaal van bevindingen, blz. 21, 2e en 3e alinea.

(8) Proces-verbaal van bevindingen (studio-verhoor), blz. 52 en 55.

(9) Proces-verbaal van bevindingen (studio-verhoor), blz. 51.

(10) Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 77, voorlaatste alinea.

(11) Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 84, 6e alinea.

(12) Verklaring verdachte ter terechtzitting van 26 februari 2010.

(13) Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 69, 6e alinea; proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 86.

(14) Verklaring verdachte ter terechtzitting van 26 februari 2010.

(15) Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 84, 6e alinea.

(16) Verklaring verdachte ter terechtzitting van 26 februari 2010.

(17) Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 84, 8e alinea.

(18) Verklaring verdachte ter terechtzitting van 26 februari 2010.

(19) Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 69, 6e alinea; proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 86.

(20) HR 30 november 2004, LJN AQ0950, r.o. 3.4.