Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL7397

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
15-03-2010
Zaaknummer
AWB 10/5782 & 10/5781 & 10/5783
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Tanzania / homoseksualiteit / schaduwrapport / onvoldoende onderzoek door verweerder

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangegeven het betoog van verzoekers gemachtigde te onderschrijven dat er sprake is van een volle rechterlijke toets met betrekking tot de vermoedens van verzoeker over wat hem in zijn land van herkomst te wachten zal staan. Verweerder heeft in het voornemen het standpunt ingenomen dat homoseksualiteit in Tanzania weliswaar strafbaar is gesteld, maar dat uit geen enkele gezaghebbende bron blijkt dat de Tanzaniaanse autoriteiten hierop ook een actief vervolgingsbeleid voeren. In de zienswijze is door verzoeker een 'schaduwrapport' aan het U.N. Human Rights Committee (juli 2009) overgelegd. Verzoeker heeft in beroep aangevoerd dat juist de publicatie van het schaduwrapport de publieke opstelling in Tanzania ten aanzien van homoseksuelen heeft verscherpt. Gelet op de vermelding dat de afgelopen tijd in Tanzania tientallen homoseksuelen zijn gearresteerd, is volgens verzoeker aannemelijk dat het klimaat ten opzichte van homoseksuelen is verhard en dat dit verder gaat dan, zoals verweerder aanneemt, uitsluitend een toegenomen risico voor homoactivisten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de door verzoeker aangevoerde verharde opstelling ten aanzien van homoseksuelen en de mogelijk daaruit voor verzoeker voortvloeiende risico’s onvoldoende heeft onderzocht. In het licht van de door verzoeker aangevoerde informatie kan een toegenomen risico als door verzoeker gesteld, niet worden uitgesloten. Verweerder heeft zich daar geen rekenschap van gegeven en zal alsnog dienen te beoordelen welke risico's, gelet op de verslechterde situatie voor homoseksuelen in Tanzania, er voor verzoeker bestaan. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 10 / 5782 (voorlopige voorziening)

AWB 10 / 5781 (beroep)

AWB 10 / 5783 (vrijheidsontneming)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 2 maart 2010

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Tanzaniaanse nationaliteit, verblijvende in

het Uitzetcentrum Schiphol,

verzoeker,

gemachtigde, tevens raadsman: mr. E.P.A. Zwart, advocaat te Beverwijk,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 9 februari 2010 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 14 februari 2010 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 14 februari 2010 beroep ingesteld.

1.2 Verzoeker heeft op 14 februari 2010 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De ambtenaar belast met de grensbewaking heeft aan verzoeker op 9 februari 2010 op grond van artikel 3 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de toegang tot Nederland geweigerd en bij besluit van diezelfde datum aan hem op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Verweerder heeft bij het besluit op de asielaanvraag de vrijheidsontnemende maatregel voortgezet. Verzoeker heeft op 14 februari 2009 beroep ingesteld tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 23 februari 2010. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

Het verzoek om een voorlopige voorziening

2.1 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden.

2.5 Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Hij is homoseksueel. Hij komt uit een moslimfamilie. In 2002 hebben kennissen van zijn oom verzoeker mishandeld. Ze waren van plan om hem te doden. Verzoeker is toen naar zijn Burundische vriend [naam] gegaan. [naam] heeft een paspoort voor verzoeker geregeld. In 2003 zijn ze via Italië en de Verenigde Staten naar Canada gegaan.

2.6 Verweerder werpt verzoeker tegen dat hij zijn paspoort en zijn identiteitskaart niet heeft overgelegd. Hij heeft ook geen indicatief bewijs van zijn reis van Tanzania naar Canada overgelegd. Verweerder is van oordeel dat verzoeker zijn relaas heeft gebaseerd op vage, summiere en ongerijmde verklaringen. Verzoeker is vaag gebleven over de personen die hem in 2002 hebben mishandeld. Dat zijn oom hierachter zat is gebaseerd op vermoedens. Dat geldt eveneens voor zijn verklaring dat hij als homo in zijn land gevaar loopt. Hij geeft geen asielgerelateerde problemen aan en is door de autoriteiten in het bezit gesteld van een paspoort waarmee hij zijn land zonder problemen heeft kunnen verlaten. Niet gebleken is dat hij ten gevolge van discriminatie zodanig beperkt werd in zijn bestaansmogelijkheden dat hij niet in staat was om naar school te gaan en in zijn onderhoud te voorzien. De problemen die hij tussen 2003 en 2010 in de VS en Canada zou hebben ondervonden, zijn niet relevant voor zijn asielverzoek.

2.7 In de beroepsgronden wordt aangevoerd dat de documenten die in 2003 van verzoeker zijn gestolen niet meer in zijn bezit zijn zodat hem thans een zwaardere bewijslast wordt opgelegd door van hem te verlangen dat hij deze dient over te leggen. Dit verzet zich tegen het bepaalde in artikel 4, lid 5, van de Definitierichtlijn. Er is een verkeerd toetsingskader gebruikt, maar afgezien daarvan gaat er wel degelijk van zijn verklaringen een positieve overtuigingskracht uit. Zijn homoseksuele geaardheid is niet betwist. Verzoeker kan die niet onder stoelen of banken steken. De voorzieningenrechter dient vol te toetsen of het vermoeden van verzoeker over wat hem bij terugkeer in zijn land te wachten staat, plausibel is. Verzoeker verwijst naar informatie waaruit blijkt dat de positie van homoseksuelen in Tanzania is verslechterd. Niet alleen activisten zijn slachtoffer van vervolging op grond van hun geaardheid.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.8 Verweerder betwist niet dat verzoeker afkomstig is uit Tanzania en evenmin dat hij een homoseksuele geaardheid heeft, zodat de voorzieningenrechter daarvan uitgaat. Verzoeker beroept zich uitsluitend op zijn vermoedens over de bejegening die hem als homoseksueel na zijn terugkeer in Tanzania te wachten staat. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangegeven het betoog van verzoekers gemachtigde te onderschrijven dat er sprake is van een volle rechterlijke toets met betrekking tot de vermoedens van verzoeker over wat hem in zijn land van herkomst te wachten zal staan, zulks onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 21 juli 2009 (200805962/1).

2.9 Verzoeker stelt kort gezegd dat zijn bestaan, gelet op de manier waarop homoseksuelen in Tanzania worden bejegend, in dat land ondragelijk zou zijn. Ter onderbouwing van die stelling heeft verzoeker in de zienswijze verwezen naar informatie van de International Gay and Lesbian Human Rights Commission (IGLHRC) en een internetbron genaamd Comtex. Bij het beroepschrift is een afschrift van het 2008 Human Rights Report: Tanzania van het U.S. Department of State overgelegd en een rapport van 16 september 2009 van IGLHRC genaamd Tanzania: IGLHRC Congratulates Tanzanian Government on its Report to the UNHCR, waarin het verzoek aan de Tanzaniaanse autoriteiten wordt gedaan om homoseksualiteit te decriminaliseren. Voorts is een schaduwrapport aan het U.N. Human Rights Committee (juli 2009) overgelegd, en een stuk afkomstig van het internet getiteld Gay Tanzania News & Reports waarin vermeld wordt dat de publicatie van het schaduwrapport in Tanzania aanzienlijke negatieve gevolgen had voor lesbiennes, homo's, bi- en transseksuelen.

2.10 Verweerder heeft in het voornemen het standpunt ingenomen dat homoseksualiteit in Tanzania weliswaar strafbaar is gesteld, maar dat uit geen enkele gezaghebbende bron blijkt dat de Tanzaniaanse autoriteiten hierop ook een actief vervolgingsbeleid voeren. Verweerder verwijst naar de Country Reports van het Home Office VS (bedoeld zal zijn US Department of State) van 2007/2008 en 2009 waaruit ten aanzien van Tanzania blijkt dat er gedurende de drie verslagperiodes geen enkele persoon ter zake van homoseksualiteit is veroordeeld. Nadat in de zienswijze hierop is gereageerd met een verwijzing naar informatie van de IGLHRC dat de publicatie van het in r.o. 2.9 genoemde schaduwrapport negatieve gevolgen had voor onder meer homoseksuelen en naar het rapport Comtex dat arrestaties van homoseksuelen vermeldt, heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat de strafbaarheid van homoseksualiteit in Tanzania al bij het besluit was betrokken en dat de verwijzing naar de bij de zienswijze gevoegde stukken geen ander licht op de zaak werpt. De arrestaties welke in die stukken zijn vermeld, betreffen immers arrestaties van bekende homoactivisten en zien daarom niet op de persoonlijke omstandigheden van verzoeker, nu uit verzoekers verklaringen niet valt af te leiden dat verzoeker behoort tot die groep.

2.11 Volgens verzoeker is het juist de publicatie van het schaduwrapport geweest die de publieke opstelling in Tanzania ten aanzien van homoseksuelen heeft verscherpt. Gelet op de vermelding dat de afgelopen tijd in Tanzania tientallen homoseksuelen zijn gearresteerd, is volgens verzoeker aannemelijk dat het klimaat ten opzichte van homoseksuelen is verhard en dat dit verder gaat dan, zoals verweerder aanneemt, uitsluitend een toegenomen risico voor homoactivisten. Daarbij heeft verzoeker aangevoerd duidelijk herkenbaar te zijn als homoseksueel, waardoor hij wel degelijk risico’s zou lopen in verband met zijn geaardheid.

2.12 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de door verzoeker aangevoerde verharde opstelling ten aanzien van homoseksuelen en de mogelijk daaruit voor verzoeker voortvloeiende risico’s onvoldoende heeft onderzocht. In het licht van de door verzoeker aangevoerde informatie kan een toegenomen risico als door verzoeker gesteld, niet worden uitgesloten. Verweerder heeft zich daar geen rekenschap van gegeven en zal alsnog dienen te beoordelen welke risico's, gelet op de verslechterde situatie voor homoseksuelen in Tanzania, er voor verzoeker bestaan.

2.13 gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag ten onrechte in het kader van de ac-procedure afgewezen. De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en berust niet op een dragende motivering.

2.14 Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

2.15 De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.16 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.17 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste , Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 473,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moeten deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb worden betaald aan de griffier.

2.18 Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel

2.19 Ingevolge artikel 5, eerste lid, Vw dient een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, Nederland onmiddellijk te verlaten, met inachtneming van de aanwijzingen welke hem daartoe door de ambtenaar belast met de grensbewaking zijn gegeven. Ingevolge artikel 5, derde lid, Vw geldt deze verplichting niet indien de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend en daarop nog niet is beslist.

2.20 Ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

2.21 In C12/2.2.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder beleidsregels over de toepassing van deze bepaling vastgesteld. Als regel geldt dat geen (verdere) toepassing van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw zal plaatsvinden indien er geen zicht meer is op de omstandigheid dat de vreemdeling na afloop van zijn procedure kan voldoen aan de vertrekplicht van artikel 5 Vw. Indien een beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag gegrond wordt verklaard zal verweerder bezien of dit aanleiding vormt de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.22 De voorzieningenrechter zal het beroep in de hoofdzaak gegrond verklaren en verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op de asielaanvraag van verzoeker. Hij heeft daarom ingevolge artikel 5, derde lid, Vw geen vertrekplicht in de zin van het eerste lid van dit artikel.

2.23 Omdat aan verzoeker de toegang tot Nederland is geweigerd, is de grond voor het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel niet vervallen. Verweerder zal moeten bezien of de gegrondverklaring in de hoofdzaak aanleiding is vrijheidsontnemende maatregel niet verder toe te passen. Gesteld noch gebleken is dat verweerder niet anders zal kunnen beslissen dan de maatregel op te heffen.

2.24 Niet is gesteld en vooralsnog is niet gebleken dat verzoeker na afloop van zijn procedure in de hoofdzaak niet aan zijn vertrekplicht zal kunnen voldoen.

2.25 De rechtbank ziet daarnaast geen grond voor het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.26 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.27 De rechtbank zal het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding afwijzen, omdat zij de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel niet zal bevelen.

2.28 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte kosten.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van verzoeker met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening ad € 874,- en in verband met het beroep ad € 473,- en draagt verweerder op deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, te voldoen.

3.6 De rechtbank:

3.7 verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond;

3.8 wijst het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2009, in tegenwoordigheid van A.H. de Vries, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag, het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel en het verzoek om toekenning van schadevergoeding betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.