Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL7342

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
AWB 10/1351
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / schadevergoeding / matiging / verband onrechtmatigheid en handelen vreemdeling / schadebeperkend handelen

Bewaring onrechtmatig in verband met onvoldoende voortvarend handelen. Anders dan verweerder heeft verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding om de verzochte schadevergoeding te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen verband tussen de reden van onrechtmatigheid van de bewaring en eventueel handelen dan wel nalaten van eiser daarbij.

Een reden tot matiging zou voorts kunnen liggen in het onnodig laat instellen van een (vervolg)beroep. Verweerder heeft in dat verband gewezen op het door eiser eerst op 12 januari jl. instellen van onderhavig vervolgberoep. Anders dan verweerder ziet de rechtbank ook hierin geen reden om tot matiging over te gaan. In het door verweerder gehanteerde systeem raakt een vreemdeling eerst na het instellen van een (vervolg)beroep (volledig) op de hoogte van de door verweerder ondernomen uitzettingshandelingen. In het onderhavige geval kon eiser niet eerder dan na het instellen van het beroep op de hoogte raken van het feit dat verweerder pas op 14 januari 2010 een claim had gelegd. Nu eiser voorts binnen een maand na de laatste uitspraak onderhavig beroep heeft ingesteld, kan niet worden gezegd dat eiser op dit vlak heeft nagelaten schadebeperkend te handelen. Beroep gegrond en schadevergoeding toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 10 / 1351

V-nr:

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 januari 2010

in het geding tussen:

eiser [naam], van (gestelde) Nigeriaanse nationaliteit,

gemachtigde: mr. J. van Appia, advocaat te Amsterdam

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. D. Bozanovic, werkzaam bij de Immigratie en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2010. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding toe. De rechtbank veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 80,-- per dag dat eiser in het Huis van Bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, te weten van 16 december 2009 tot 26 januari 2010 derhalve in totaal 39 x € 80,-- in totaal € 3120,-- (zegge: eenendertighonderd en twintig euro), te betalen door de griffier van de rechtbank aan eiser. De rechtbank veroordeelt verweerder als in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 874,-- als kosten van verleende rechtsbijstand, te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Motivering

Niet in geschil is dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en ook de rechtbank is dat oordeel toegedaan. In haar uitspraak van 15 december 2009 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam overwogen dat verweerder tot die datum voldoende voortvarend handelde, maar heeft verweerder wel te verstaan gegeven dat zo snel mogelijk een Dublinclaim bij de Italiaanse autoriteiten moest worden gelegd. Eerst op 14 januari 2010 heeft verweerder een claim gelegd bij voornoemde autoriteiten. Nu verweerder voorts anderszins geen uitzettingshandelingen heeft verricht na 15 december 2009, is de rechtbank van oordeel dat verweerder vanaf 15 december 2009 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

Anders dan verweerder heeft verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding om de verzochte schadevergoeding te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen verband tussen de reden van onrechtmatigheid van de bewaring en eventueel handelen dan wel nalaten van eiser daarbij.

Een reden tot matiging zou voorts kunnen liggen in het onnodig laat instellen van een (vervolg)beroep. Verweerder heeft in dat verband gewezen op het door eiser eerst op 12 januari jl. instellen van onderhavig vervolgberoep. Anders dan verweerder ziet de rechtbank ook hierin geen reden om tot matiging over te gaan. In het door verweerder gehanteerde systeem raakt een vreemdeling eerst na het instellen van een (vervolg)beroep (volledig) op de hoogte van de door verweerder ondernomen uitzettingshandelingen. In het onderhavige geval kon eiser niet eerder dan na het instellen van het beroep op de hoogte raken van het feit dat verweerder pas op 14 januari 2010 een claim had gelegd. Nu eiser voorts binnen een maand na de laatste uitspraak onderhavig beroep heeft ingesteld, kan niet worden gezegd dat eiser op dit vlak heeft nagelaten schadebeperkend te handelen.

De door verweerder aangehaalde uitspraak van 25 april 2005 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (LJN: AT6202) maakt het voorgaande niet anders. Deze uitspraak betreft een andere situatie.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

H.C. Hagen

griffier

mr. R.H.G. Odink

voorzitter

afschrift verzonden op:

Conc.: HH

Bp:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.