Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL7100

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-03-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
AWB 10/4751
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen / BMA advies afwachten

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet direct na bovengenoemde uitspraak van de voorzieningenrechter, maar pas naar aanleiding van het door eiser ingediende beroep, advies heeft aangevraagd aan het BMA. Aldus heeft verweerder zichzelf in de thans aan de orde zijnde positie gebracht. Bij de adviesaanvraag heeft verweerder het BMA gevraagd uiterlijk 9 maart 2010 te reageren. De rechtbank erkent thans echter tevens het belang van eiser bij het betrekken van het BMA-advies bij de beslissing op bezwaar. Als eenmaal het advies is uitgebracht of die termijn die door verweerder is gesteld is verstreken zonder dat een advies is verstrekt, bestaat geen aanleiding om verweerder meer tijd te gunnen dan de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalde termijn van twee weken. De rechtbank ziet gelet op het feit dat verweerder zichzelf in de thans aan de orde zijnde situatie heeft gebracht, in de opmerking van verweerder na ontvangst van het advies nog vier weken nodig te hebben om te kunnen beslissen op het bezwaar, geen aanleiding voor het stellen van een langere termijn.

Gelet op artikel 8:55d, derde lid, van de Awb draagt de rechtbank verweerder op om alsnog een besluit op het bezwaar te nemen binnen een termijn van twee weken na de dag waarop het BMA-advies is ontvangen, of de door verweerder gestelde termijn tot 9 maart 2010 is verstreken zonder dat een advies is verstrekt.

De rechtbank bepaalt voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,00.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Algemene wet bestuursrecht 6:12
Algemene wet bestuursrecht 7:10
Algemene wet bestuursrecht 8:55
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/172
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 10 / 4751

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Georgische nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. R.S. Nandoe, advocaat te Alkmaar,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

zetelende te 's-Gravenhage,

verweerder.

1. Procesverloop

1.1 Bij besluit van 9 december 2008 heeft verweerder eiser ongewenst verklaard. Bij brief van 18 december 2008 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt.

1.2 Bij brief van 5 februari 2010 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar van 18 december 2008.

1.3 De rechtbank heeft bij brief van 10 februari 2010 verweerder verzocht, binnen twee weken na de dagtekening van de brief, mee te delen of de termijn waarbinnen in deze procedure een besluit moet worden genomen is verstreken. Verweerder heeft hierop bij brief van 23 februari 2010 gereageerd

2. Overwegingen

2.1 Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Staatsblad 2009, 383) in werking getreden. Afdeling 8.2.4.A van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt deel uit van deze wetswijziging. Ingevolge artikel III, tweede lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, blijft op een bezwaar- of beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit dat is ingediend vóór het tijdstip waarop afdeling 8.2.4.A van toepassing is geworden, het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing. Nu het beroepschrift is ingediend op 5 februari 2010, is het recht over het niet tijdig beslissen van toepassing zoals dat geldt vanaf 1 oktober 2009.

2.2 Ingevolge artikel 8:54 Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

2.3 Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, Awb doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 Awb is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht.

2.4 Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

2.5 Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en,

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. Ingevolge artikel 6:12, vierde lid, Awb is het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

2.6 Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, Awb beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend na de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

2.7 Verweerder heeft bij brief van 23 februari 2010 aan de rechtbank medegedeeld dat de beslistermijn ingevolge artikel 7:10 Awb is overschreden. Verweerder heeft hieraan toegevoegd dat hij een verzoek bij het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft ingediend ten behoeve van eiser. Hij zal na ontvangst van de reactie nog vier weken nodig hebben om een beslissing op bezwaar nemen.

2.8 De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser verweerder bij brief van 20 januari 2010 heeft meegedeeld dat hij in gebreke is. Gelet op het vorenstaande is het beroep ontvankelijk.

2.9 Het bezwaarschrift dateert van 18 december 2008. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder een andere termijn zou kunnen hanteren dan die zoals bepaald in artikel 7:10 Awb.

2.10 De rechtbank acht geen onderzoek ter zitting noodzakelijk en zal met toepassing van artikel 8:54 Awb het beroep gegrond verklaren.

2.11 Gelet op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 24 december 2009 (AWB 08/44345) dient verweerder alvorens te beslissen op het onderhavige bezwaar opnieuw een BMA-advies te vragen. Uit een telefoonnotitie van verweerder blijkt dat verweerder begin februari dit advies heeft aangevraagd.

2.12 De rechtbank stelt vast dat verweerder niet direct na bovengenoemde uitspraak van de voorzieningenrechter, maar pas naar aanleiding van het door eiser ingediende beroep, advies heeft aangevraagd aan het BMA. Aldus heeft verweerder zichzelf in de thans aan de orde zijnde positie gebracht. Bij de adviesaanvraag heeft verweerder het BMA gevraagd uiterlijk 9 maart 2010 te reageren. De rechtbank erkent thans echter tevens het belang van eiser bij het betrekken van het BMA-advies bij de beslissing op bezwaar. Als eenmaal het advies is uitgebracht of die termijn die door verweerder is gesteld is verstreken zonder dat een advies is verstrekt, bestaat geen aanleiding om verweerder meer tijd te gunnen dan de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalde termijn van twee weken. De rechtbank ziet gelet op het feit dat verweerder zichzelf in de thans aan de orde zijnde situatie heeft gebracht, in de opmerking van verweerder na ontvangst van het advies nog vier weken nodig te hebben om te kunnen beslissen op het bezwaar, geen aanleiding voor het stellen van een langere termijn.

2.13 Gelet op artikel 8:55d, derde lid, van de Awb draagt de rechtbank verweerder op om alsnog een besluit op het bezwaar te nemen binnen een termijn van twee weken na de dag waarop het BMA-advies is ontvangen, of de door verweerder gestelde termijn tot 9 maart 2010 is verstreken zonder dat een advies is verstrekt.

2.14 De rechtbank bepaalt voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,00.

2.15 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 109,25 (1 punt x factor 0,25 x € 437,00) als kosten van verleende rechtsbijstand. De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van zeer gering gewicht is, nu dit geding slechts betrekking heeft op de vraag of de beslistermijn is overschreden.

2.16 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 dient te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar gegrond;

3.2 vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

3.3 draagt verweerder om alsnog een besluit te nemen op het bezwaar van eiser van 18 december 2008 binnen twee weken na de dag waarop het BMA-advies is uitgebracht of de gestelde termijn voor het uitbrengen van dit advies, 9 maart 2010, is verstreken zonder dat advies is uitgebracht;

3.4 bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00;

3.5 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 109,25, te betalen aan eiser;

3.6 gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 150,00 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, rechter en op

in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van I. Broekhuizen, griffier.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij deze rechtbank.

Het verzet dient gedaan te worden door het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.